Bestuursrecht overig
College van Beroep voor het bedrijfsleven · Verzet · Bestuursrecht overig
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 20 september 2022
ECLI:NL:CBB:2022:625 · College van Beroep voor het bedrijfsleven · 20 september 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/college-van-beroep-voor-het-bedrijfsleven/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/verzet/ecli-nl-cbb-2022-625
Zaakgegevens
Op 20 september 2022 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfslevenCollege van Beroep voor het bedrijfslevenDe hoogste bestuursrechter voor economisch bestuursrecht, zoals mededinging, telecom, energie en landbouw.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 20 september 2022
- Datum publicatie
- 15 september 2022
- Zaaknummer
- 21/1074
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- VerzetVerzetEen rechtsmiddel waarmee iemand vraagt een beslissing opnieuw te bekijken die zonder zijn inbreng is genomen, zoals een verstekvonnis.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2022:625
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzet ongegrond
Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 21/1074
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 september 2022 op het verzet van
[naam 1] h.o.d.n. [naam 2] , te [plaats] , appellant
Procesverloop
Appellant heeft verzet gedaan tegen de uitspraak van het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, dus zonder zitting, van 3 mei 2022.
Het verzet is behandeld ter zitting van 9 augustus 2022. Appellant was daar aanwezig.
Overwegingen
1. Het College heeft in de uitspraak van 3 mei 2022 het beroep van appellant tegen het besluit van de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat (de staatssecretaris) van 7 september 2021 ongegrond verklaard. Bij dat besluit heeft de staatssecretaris het bezwaar van appellant tegen het eerdere besluit van 2 april 2021 niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn.
2. De laatste dag van de bezwaartermijn was 14 mei 2021. Het bezwaarschrift is op 22 juni 2021 ontvangen en daarmee (veel) te laat ingediend.
3. Appellant heeft in verzet aangevoerd dat het e-mailbericht van de staatssecretaris met een notificatie van het besluit van 2 april 2021 in de spambox van zijn e-mail terecht is gekomen en dat hij dat bericht daarom niet tijdig heeft gezien. Ook heeft hij aangevoerd dat veel andere berichten van de overheid via de fysieke post komen, waardoor hij niet standaard zijn spambox bekeek.
4. Het College volgt in verzet het oordeel in de uitspraak van 3 mei 2022. Appellant heeft op het aanvraagformulier ingevuld dat hij instemt met digitale correspondentie. Appellant had dus alert moeten zijn. Het regelmatig controleren van de spambox hoort daar bij.
5. Het verzet moet daarom ongegrond worden verklaard. Dit betekent dat het beroep van appellant niet inhoudelijk wordt behandeld en de zaak met deze uitspraak is geëindigd.
6. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van
H.L.A. Kleinjans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken
op 20 september 2022.
w.g. T.G.M. Simons w.g. H.L.A. Kleinjans