Bestuursrecht overig
College van Beroep voor het bedrijfsleven · Verzet · Bestuursrecht overig
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 17 januari 2023
ECLI:NL:CBB:2023:8 · College van Beroep voor het bedrijfsleven · 17 januari 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/college-van-beroep-voor-het-bedrijfsleven/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/verzet/ecli-nl-cbb-2023-8
Zaakgegevens
Op 17 januari 2023 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfslevenCollege van Beroep voor het bedrijfslevenDe hoogste bestuursrechter voor economisch bestuursrecht, zoals mededinging, telecom, energie en landbouw.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 17 januari 2023
- Datum publicatie
- 13 januari 2023
- Zaaknummer
- 21/1481
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- VerzetVerzetEen rechtsmiddel waarmee iemand vraagt een beslissing opnieuw te bekijken die zonder zijn inbreng is genomen, zoals een verstekvonnis.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2023:8
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzet ongegrond.
Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 21/1481
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 januari 2023 op het verzet van
[naam] B.V., te [woonplaats] , appellante
(gemachtigde: mr. S. Mathoerapersad)
Procesverloop
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar van de minister van Economische Zaken en Klimaat (minister) van 15 november 2021.
Bij uitspraak van 26 juli 2022 heeft het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dus zonder zitting, het beroep ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen de uitspraak van 26 juli 2022 verzet gedaan.
Overwegingen
1. In het besluit van 15 november 2021 heeft de minister het bezwaar van appellante tegen het besluit van 24 juni 2021 niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift (veel) te laat is ingediend en de termijnoverschrijding niet verontschuldigbaar is. In de uitspraak van 26 juli 2022 heeft het College geoordeeld dat de minister het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
2. In het verzetschrift voert appellante aan (1) dat het voor haar niet duidelijk was dat onder “digitaal bericht over deze aanvraag” ook het besluit op de aanvraag valt, (2) dat zij de notificatie e-mail van 24 juni 2021 niet heeft ontvangen en (3) dat de notificatie van een besluit niet gelijk staat aan het bekendmaken van dat besluit.
3. Dit brengt het College niet tot het oordeel dat de uitspraak van 26 juli 2022 niet juist is. (1) Niet valt in te zien waarom het onduidelijk kan zijn dat onder “digitaal bericht over deze aanvraag” ook het besluit op de aanvraag valt. (2) Uit de gedingstukken blijkt dat op 24 juni 2021 een notificatie e-mail aan het e-mailadres van appellante is gestuurd. (3) De door de minister gevolgde werkwijze is in overeenstemming met artikel 2:14, eerste lid, van de Awb en leidt daarom tot een geldige bekendmaking.
4. Het verzet moet daarom ongegrond worden verklaard. Dit betekent dat het beroep van appellante niet inhoudelijk zal worden behandeld en de zaak met deze uitspraak is geëindigd.
5. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van
mr. S. van Noordt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken
op 17 januari 2023.
w.g. T.G.M. Simons w.g. S. van Noordt