Bestuursrecht overig
Minister draagt ambtenaar werkzaam bij het Opleidingsinstituut Rechtshandhaving en Veiligheidszorg (ORV) op…
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 4 november 2026
ECLI:NL:OGAACMB:2026:70 · Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba · 4 november 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerecht-in-ambtenarenzaken-van-aruba-curacao-sint-maarten-en-van-bonaire-sint-eustatius-en-saba/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/bodemzaak/ecli-nl-ogaacmb-2026-70
Zaakgegevens
Op 4 november 2026 heeft het Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
- Datum uitspraak
- 4 november 2026
- Datum publicatie
- 5 november 2026
- Zaaknummer
- CUR202600552
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- BodemzaakBodemzaakDe gewone procedure waarin de rechter definitief over het geschil beslist, in tegenstelling tot een kort geding of voorlopige voorziening.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:OGAACMB:2026:70
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Minister draagt ambtenaar werkzaam bij het Opleidingsinstituut Rechtshandhaving en Veiligheidszorg (ORV) op zijn politie-uniform en overige dienstuitrusting in te leveren, omdat hij volgens de minister geen politieambtenaar meer is. Het Gerecht oordeelt dat uit het aanstellingsbesluit niet volgt dat klager zijn politiestatus heeft verloren. De minister was daarom niet bevoegd deze opdracht te geven. Het bezwaar is gegrond. De volledige dienstuitrusting dient aan klager te worden teruggegeven.
Uitspraak
GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN CURAÇAO
Uitspraak
in de zaak van:
[Klager],
wonende in Curaçao,
klager,
gemachtigde: A.V.E. Vilchez,
tegen
de minister van justitie (de minister),
verweerder,
gemachtigden: mrs. C.A. Peterson en A. Faria.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het bezwaar van klager tegen de mondelinge opdracht van de minister om de volledige dienstuitrusting van de politie (de dienstuitrusting), waaronder het politie-uniform, in te leveren (de bestreden opdracht).
Partijen zijn opgeroepen om ter zitting van het Gerecht van 24 april 2026 te verschijnen voor de behandeling van dit bezwaar, dat gelijktijdig zou worden behandeld met de bezwaren van vijf collega's van klager met zaaknummers CUR202600548, CUR202600550, CUR202600554, CUR202600556 en CUR202600558. Klager is samen met vier van zijn collega's verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verder was ter zitting aanwezig [de directeur van het ORV], directeur van het Opleidingsinstituut Rechtshandhaving en Veiligheidszorg (ORV). Vanwege de afwezigheid van de minister heeft het Gerecht de behandeling aangehouden en een nieuwe zittingsdatum bepaald.
Het Gerecht heeft het bezwaar van klager vervolgens gelijktijdig met de bezwaren van zijn collega’s inhoudelijk behandeld ter zitting van 8 juli 2026. Klager en drie van zijn collega’s zijn verschenen. Zij zijn bijgestaan door hun gemachtigde. Namens de minister zijn de gemachtigden verschenen. [de directeur van het ORV] was ook op deze zitting aanwezig.
Daartoe in de gelegenheid gesteld door het Gerecht, hebben beide partijen na de zitting aanvullende stukken ingediend. Het Gerecht heeft met toestemming van partijen de behandeling via een e-mailbericht aan partijen gesloten en de uitspraak bepaald op vandaag.
Het Gerecht doet vandaag ook uitspraak in de zaken van de vijf collega’s van klager.
Overwegingen
Het bezwaar is gericht tegen de bestreden opdracht. In het bezwaarschrift concludeert klager tot gegrondverklaring van het bezwaar en heeft hij het Gerecht verzocht om de minister op te dragen zijn rechtspositie volledig te herstellen door onder meer erkenning van zijn politiestatus en herstel van alle daaraan verbonden rechtspositionele aanspraken. Zoals ter zitting is besproken, is het Gerecht niet bevoegd om op die verzoeken te beslissen. In het kader van deze procedure kan het Gerecht uitsluitend beoordelen of de bestreden opdracht in stand kan blijven. Het Gerecht komt tot de conclusie dat het bezwaar gegrond is en dat de bestreden opdracht niet in stand kan blijven.
Wat is relevant om te weten in deze zaak?
Klager was vanaf 1 mei 2004 als ambtenaar van politie werkzaam bij het voormalige Korps Politie Nederlandse Antillen (KPNA), thans Korps Politie Curaçao (KPC). Hij is bij landsbesluit van 28 maart 2014 per 1 mei 2012 ontheven uit de functie “Recherche Informatie Dienst, afdeling Joyriding” en is benoemd in de functie van Vuurwapendocent bij het ORV met plaatsing in een politieschaal (p-schaal). Bij landsbesluit van 5 december 2019 is klager per 1 mei 2015 in vaste dienst in de functie van Vuurwapendocent benoemd en tewerkgesteld bij het Ministerie van Justitie, Opleidingsinstituut Rechtshandhaving & Veiligheidszorg met plaatsing in politieschaal (het aanstellingsbesluit). In het aanstellingsbesluit heeft de Regering verwezen naar artikel 15 van het Rechtspositiebesluit.
Bij brief van 28 mei 2025 heeft de korpschef van KPC (de korpschef) de directeur van het ORV verzocht om de medewerkers van het ORV die over een dienstuitrusting beschikken te verzoeken deze uiterlijk 4 juni 2025 in te leveren bij het Bureau Interne Zaken van het KPC (de brief van de korpschef).
Bij brief van 3 juni 2025 heeft de directeur van het ORV op die brief gereageerd. Ze heeft, voor zover hier van belang, het volgende vermeld in haar reactie:
“[…] Zoals u kunt zien heeft geen van bovenvermelde medewerkers aangesteld bij het ORV een verzoek voor ontslag uit het KPC ingediend. Op dit moment werken bovengenoemden bij het ORV zijnde 4 politiedocenten (met nog 6 vacatures), 2 sectormanagers opleidingen, en 1 general manager opleidingen. Sinds de oprichting in 1999 van het LPO dragen onze executieve politieambtenaren de politie-uitrusting. […] Gelet op het bovengenoemde kan op dit moment niet voldaan worden aan uw verzoek voor het inleveren van de politie-uitrusting. […]”
Op 13 januari 2026 heeft een vergadering plaatsgevonden waarbij, voor zover hier van belang, aanwezig waren de minister, de wnd. korpschef, de directeur en leden van het managementteam van het ORV, de voorzitters van de vakbonden SAP, ABVO en NAPB, klager en vijf collega’s van het ORV. Doel van de vergadering was om de rechtspositie van klager en zijn collega’s van het ORV te bespreken. Tijdens deze vergadering heeft de minister klager en zijn collega’s meegedeeld dat ze door hun aanstelling bij het ORV geen ambtenaar van politie meer zijn en heeft hij hen, onder verwijzing naar de brief van de korpschef, de bestreden opdracht gegeven.
Klager en zijn collega’s hebben de dienstuitrusting enkele dagen daarna ingeleverd bij het KPC.
Standpunt klager
Het standpunt van klager komt in de kern op het volgende neer. In het aanstellingsbesluit is niet vermeld dat klager door zijn aanstelling bij het ORV geen ambtenaar van politie meer is. Een ander landsbesluit waarin is vermeld dat klager geen ambtenaar van politie meer is, heeft hij niet ontvangen. In het aanstellingsbesluit is vermeld dat het Besluit rechtspositie KPNA 2000 (het Rechtspositiebesluit) op hem van toepassing is. Ook is hij conform de politieschalen bezoldigd. Klager heeft zijn dagelijkse werkzaamheden bij het ORV altijd in politie-uniform uitgevoerd. Het ORV is tot heden niet formeel opgericht met als gevolg dat geen rechtsgeldige wijziging van de rechtspositie van klager kon plaatsvinden. Handelingen met betrekking tot een niet formeel bestaande organisatie ontberen immers rechtskracht. Klager is dan ook nog steeds ambtenaar van politie. De minister was daarom niet bevoegd om de bestreden opdracht te geven. De bestreden opdracht is verder in strijd met het legaliteitsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het motiveringsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel en leidt tot een voortdurende aantasting van de rechtspositie van klager. Klager concludeert tot gegrondverklaring van het bezwaar en vernietiging van de bestreden opdracht.
Standpunt minister
De minister stelt, kort gezegd, dat klager geen ambtenaar van politie meer is zodat de brief van de korpschef terecht aan het ORV is verzonden. De minister heeft tijdens de vergadering van 13 januari 2026 klager en zijn collega’s erop gewezen dat ze geen politieambtenaar meer zijn en dat er daarom geen rechtvaardiging was om hen de uitrusting te laten behouden. Klager heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen zijn aanstellingsbesluit en kan niet alsnog opkomen tegen het feit dat hij geen ambtenaar van politie meer is. Klager is niet rechtsreeks in zijn belang getroffen door de brief van de korpschef en heeft geen rechtens te honoreren belang om daartegen op te komen. Klager komt in feite op tegen wettelijke regelingen, namelijk de Rijkswet politie en de Politieregeling 2019, op grond waarvan een einde is gekomen aan zijn status van ambtenaar van politie. Het Gerecht dient dit bezwaar daarom niet-ontvankelijk of ongegrond te verklaren.
Wettelijk kader
Op grond van artikel 35, eerste lid, van de Regeling ambtenarenrechtspraak 1951 (Rar) kan een bezwaarschrift worden ingediend ter zake dat beschikkingen, handelingen of weigeringen (om te beschikken of te handelen), ten aanzien van een ambtenaar als zodanig, zijn nagelaten betrekkingen of rechtverkrijgende door een administratief orgaan genomen, verricht of uitgesproken, feitelijk of rechtens met de toepasselijke algemeen verbindende voorschriften strijden of dat bij het nemen, verrichten of uitspreken daarvan het administratief orgaan van zijn bevoegdheid kennelijk een ander gebruik heeft gemaakt dan tot de doeleinden, waarvoor die bevoegdheid is gegeven.
Op grond van artikel 36, eerste lid, van de Rar is bevoegd tot het indienen van een bezwaarschrift de ambtenaar, nagelaten betrekking of rechtverkrijgende, die door de aangevallen beschikkingen of de aangevallen handeling of weigering rechtstreeks in zijn belang wordt getroffen.
Op grond van artikel 47, eerste lid, van de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Rijkswet politie) oefent de minister van justitie van Curaçao wat het beheer betreft, het bevoegde gezag uit over het politiekorps van Curaçao en kan terzake de nodige aanwijzingen geven aan de korpschef van dit politiekorps.
Op grond van artikel 15, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit geldt dat bij de indiensttreding of de overgang naar een andere functie de bezoldigingsschaal wordt bepaald met inachtneming van de aard en het niveau van de functie waarmede de betrokken ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, de aspirant of de hulpagent die in opleiding is, wordt belast.
Op grond van artikel 1, aanhef en onder a, d, f en g van de Ministeriële Regeling Kleding, Bewapening en overige uitrusting Politie (de Regeling) geldt dat in deze Regeling en de daarop berustende bepalingen wordt begrepen onder:
a. minister: de minister van justitie;
d. beheerder: de met het beheer over het kleding- en wapendepot belaste functionaris:
f. korpschef: de leiding van het Korps Politie Curaçao conform artikel 3 van de Politieregeling 1999:
g. ambtenaar van politie: de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, de politie aspirant, en de aspirant hulpagent, de aspirant beveiligingsambtenaar en de aspirant medewerker grensbewaking die in de opleiding zijn, en de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie;
Op grond van artikel 13 van de Regeling geldt dat de aan de ambtenaar van politie verstrekte uniformen, wapens en overige uitrustingsstukken door de ambtenaar worden ingeleverd of door of namens de beheerder ingenomen, bij:
a. vervanging van een of meerdere kledingstukken, wapens of uitrustingstukken;
b. het overlijden van de ambtenaar van politie;
c. ontslag van de ambtenaar van politie.
Bezwaar uitsluitend gericht tegen de bestreden opdracht
Het bezwaar is uitsluitend gericht tegen de bestreden opdracht. Anders dan de gemachtigde van klager ter zitting heeft verzocht, kan het bezwaar niet geacht worden mede te zijn gericht tegen de brief van de korpschef. In het bezwaarschrift is namelijk niet vermeld dat het bezwaar ook daartegen is gericht. Dat kon ook niet omdat klager deze brief, die overigens aan het ORV en niet rechtstreeks aan klager was gericht, pas in het kader van deze procedure als productie van de minister heeft ontvangen.
Het bezwaar is ook niet gericht tegen het aanstellingsbesluit van klager en evenmin tegen wetgeving, zoals de minister stelt. De bestreden opdracht is een feitelijke handeling die klager rechtstreeks in zijn rechtspositie en dus in zijn belang treft. Immers, klager moest vanwege die opdracht het politie-uniform dat hij dagelijks draagt tijdens het uitvoeren van zijn werkzaamheden inleveren samen met de rest van de uitrusting waar hij over beschikte. Dat, terwijl hij de uitrusting nog gebruikte om het KPC te ondersteunen. Daarom mocht klager op grond van artikel 35, eerste lid en artikel 36, eerste lid, van de Rar bij dit Gerecht bezwaar maken tegen de bestreden opdracht. Het Gerecht is dus bevoegd om van het bezwaar kennis te nemen. Voor niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar bestaat geen grond.
Bevoegdheid minister
Het Gerecht dient te boordelen of de minister op grond van de wet bevoegd was om de bestreden opdracht aan klager te geven en zo ja, of hij die opdracht in dit geval terecht aan klager heeft gegeven. Daartoe overweegt het Gerecht het volgende.
Op grond van artikel 47, eerste lid, van de Rijkswet politie is de minister het bevoegde gezag wat betreft het beheer van het KPC en kan hij terzake de nodige aanwijzingen geven aan de korpschef. Op grond van artikel 13, aanhef en onder 3, van de Regeling geldt dat de aan de ambtenaar van politie verstrekte uniformen, wapens en overige uitrustingsstukken door de ambtenaar worden ingeleverd of door of namens de beheerder ingenomen bij ontslag van de ambtenaar van politie. Nu de beheerder ondergeschikt is aan de minister, die immers het bevoegde gezag is wat betreft het beheer van het KPC, volgt uit dat artikel dat ook de minister bevoegd is om personen die geen ambtenaar van politie meer zijn op te dragen hun uitrusting in te leveren bij het KPC. Om te beoordelen of die bevoegdheid in dit geval kon worden toegepast is van belang om vast te stellen of klager nog ambtenaar van politie is. Immers, als klager nog ambtenaar van politie is, mocht de minister de bestreden opdracht in dit geval niet geven.
Is klager ambtenaar van politie?
Niet in geschil is dat binnen de Nederlandse Antillen de politieopleiding werd aangeboden door het Landelijke Politie Opleidingsinstituut (LPO). Het LPO viel op grond van binnen de Nederlandse Antillen geldende wetgeving onder het toenmalige Korps Politie Nederlandse Antillen (KPNA). Evenmin in geschil is dat de Nederlands-Antilliaanse regering beoogd heeft het LPO te ontmantelen en per 10 oktober 2010 te vervangen door een nieuw op te richten opleidingsinstituut waar de politieopleiding wordt aangeboden, zijnde het ORV. Het LPO bestaat vanaf 10 oktober 2010 niet meer. Een instellingsbesluit en functieboek van het ORV ontbreken, althans zijn niet geformaliseerd. Het ORV is in de praktijk de feitelijke voortzetting van wat vóór 10 oktober 2010 LPO heette maar is dus, zestien jaar na het ontstaan van het Land Curaçao, nog steeds niet formeel opgericht. Dit Gerecht heeft al bij uitspraak van 9 april 2020, GAZ CUR201703902, bij de beoordeling van het bezwaar van een medewerker van het ORV tegen de Regering, voor zover hier van belang, het volgende overwogen: “Het is onbegrijpelijk dat verweerster thans, bijna tien jaar na 10 oktober 2010, heeft nagelaten het ORV formeel op te richten en een functieboek vast te stellen voor de tot die organisatie behorende functies. Het had op de weg van verweerster gelegen om ervoor te zorgen dat klager in een formeel vastgestelde functie zou worden benoemd met ingang van 10 oktober 2010, zodat zij in de bestreden beslissing aan de hand van een formeel vastgestelde functiebeschrijving had kunnen toelichten waarom zij van oordeel was dat klager geen extra werkzaamheden heeft uitgevoerd die een bevordering rechtvaardigen. […] Het Gerecht verstaat dat verweerster in het licht hiervan zo spoedig mogelijk het ORV formeel zal oprichten en voor deze organisatie(onderdeel) een functieboek zal vaststellen.” De Regering heeft aan dat laatste echter helaas geen gehoor gegeven. Toch hebben zowel de al vóór 10 oktober 2010 bij het LPO werkzame ambtenaren als ambtenaren die na 10 oktober 2010 zijn aangesteld allemaal een landsbesluit ontvangen waarin ze bij het ORV zijn aangesteld.
Bepalend voor de vraag of klager ambtenaar van politie is, is het aanstellingsbesluit. Daarin wordt verwezen naar artikel 15, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit. In dat artikel is vermeld dat bij de indiensttreding of de overgang naar een andere functie de bezoldigingsschaal wordt bepaald met inachtneming van de aard en het niveau van de functie waarmee de betrokken ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, de aspirant of de hulpagent die in opleiding is, wordt belast. Dit artikel heeft dus betrekking op de ambtenaar van politie aangesteld voor de uitvoering van de politietaak. Verder blijkt uit het aanstellingsbesluit dat klager is bezoldigd conform politieschalen. Al op grond van de verwijzing naar het Rechtspositiebesluit en de bezoldiging van klager conform politieschalen dient het Gerecht te concluderen dat klager nog ambtenaar van politie is. De minister heeft in ieder geval niet toegelicht dat er een wettelijke grondslag is om een ambtenaar die geen ambtenaar van politie is te bezoldigen conform politieschalen. Deze conclusie vindt ook steun in de volgende omstandigheden.
Klager heeft onbetwist gesteld dat hem in het kader van zijn aanstelling bij het ORV niet is meegedeeld dat hij de politiestatus zou verliezen. Dat daarover bij hem ook nooit twijfel is ontstaan, komt doordat hij zijn werkzaamheden bij het ORV in politie-uniform uitvoerde. Ook geven klager en zijn collega’s van het ORV bij bepaalde evenementen, zoals grote parades, bijstand aan het KPC. Zij doen dit met gebruikmaking van de (volledige) uitrusting. Klager heeft verder een landsbesluit van 2 oktober 2017 overgelegd, strekkende tot het aanwijzen van toetsers in verband met het afnemen van bepaalde toetsen bij het ORV. Artikel 1 van dat landsbesluit luidt: “De na te noemen personen, allen ambtenaar van politie werkzaam bij het Opleidingsinstituut Rechtshandhaving en Veiligheidszorg, aan te wijzen als toetser belast met het afnemen van de toets geweldbeheersing, toets aanhoudings- en zelfverdedigingsvaardigheden of de toets schietvaardigheid.” De hiervoor aangewezen personen zijn klager en twee van zijn ORV-collega’s. Als de Regering zelf in een landsbesluit expliciet vermeldt dat klager en zijn twee ORV-collega’s “ambtenaar van politie” zijn, mocht klager van de juistheid daarvan uitgaan.
Kan de bestreden opdracht in stand blijven?
Doordat uit het aanstellingsbesluit niet volgt dat klager geen ambtenaar van politie meer is, was de minister niet bevoegd om hem de bestreden opdracht te geven. Deze kan daarom niet in stand blijven. De minister heeft zich kennelijk niet gerealiseerd dat zijn visie op de rechtspositie van klager niet relevant is omdat niet hij maar de Regering ten aanzien van de rechtspositie van klager het bevoegde gezag is. Zolang de Regering nalaat om bij landsbesluit een einde te maken aan de politiestatus van klager, heeft klager op grond van de Regeling er recht op om te beschikken over de uitrusting. Daarom dient de minister deze aan klager terug te geven. Dat is het logische gevolg van de vernietiging van de bestreden opdracht. Toch zal het Gerecht duidelijkheidshalve in het dictum van deze uitspraak vermelden dat de minister de uitrusting onmiddellijk aan klager dient terug te geven.
Conclusie en gevolgen
Uit het aanstellingsbesluit volgt dat klager nog ambtenaar van politie is. Bovendien is dat ook vermeld in het landsbesluit van 2 oktober 2017. Doordat klager nog ambtenaar van politie is, mocht de minister hem niet opdragen om de uitrusting in te leveren. De minister mocht de bestreden opdracht dus niet geven aan klager. De slotsom is dat het bezwaar gegrond is en dat de bestreden opdracht niet in stand kan blijven. Het Gerecht zal de minister opdragen de uitrusting onmiddellijk aan klager terug te geven.
Hoe verder?
De Regering heeft zich vanaf 2010 niet getoond als een goed werkgever voor de ambtenaren werkzaam bij het ORV. Zestien jaar na de ontmanteling van het LPO is het ORV nog altijd niet formeel opgericht en ontbreekt een vastgesteld functieboek. Hierdoor blijft de rechtspositie van de medewerkers onduidelijk. Het uitreiken van aanstellingsbesluiten bij een niet-bestaande organisatie getuigt bovendien niet van behoorlijk bestuur. Het is te betreuren dat de Regering zo omspringt met ambtenaren die zich inzetten voor een maatschappelijk zeer relevante taak: het opleiden van de toekomstige ambtenaren van politie. Het Gerecht spreekt, net als in de eerdergenoemde uitspraak van 2020, hierbij weer de verwachting uit dat de Regering het ORV zo snel mogelijk formeel zal oprichten met vaststelling van een functieboek. Pas dan is het mogelijk om de ambtenaren formeel bij het ORV te plaatsen met een voor hen kenbare rechtspositie.
Het staat de Regering vrij om het ORV in te richten als een zelfstandige organisatie die losstaat van het KPC, waardoor de medewerkers geen politieambtenaar meer zijn. In dat geval dient de Regering klager en zijn collega's via een nieuw aanstellingsbesluit te plaatsen bij het ORV. In dat aanstellingsbesluit moet worden vermeld dat betrokkenen niet langer de status van politieambtenaar bezitten en dat zij niet langer conform p-schalen zullen worden bezoldigd Bij hun inschaling in de reguliere ambtenarenschalen dient te worden gewaarborgd dat er geen sprake is van een achteruitgang ten opzichte van hun huidige nominale bezoldiging.
Proceskosten
In het voorgaande ziet het Gerecht aanleiding om, met overeenkomstige toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht, de minister te veroordelen in de proceskosten van klager. Dit bezwaar is tegelijk met het bezwaar van de collega’s van klager behandeld. Op grond van artikel 3, eerste lid, van het Besluit worden samenhangende zaken beschouwd als één zaak. Het tweede lid bepaalt wanneer sprake is van samenhangende zaken: gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig door één of meer belanghebbenden tegen nagenoeg identieke beschikkingen op vergelijkbare gronden ingediende bezwaarschriften dan wel beroepen, waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, sub a, is verleend door één of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn.
Het Gerecht ziet in de omstandigheid dat deze zaak inhoudelijk samenhangt met de zaken van de collega’s van klager, de bezwaren grotendeels gelijkluidend zijn, de rechtsbijstand in alle zaken door dezelfde gemachtigde is verleend en alle zes zaken gelijktijdig op zitting zijn behandeld, aanleiding de zaken als samenhangend aan te merken. De proceskosten voor alle zes zaken tezamen worden vastgesteld op Cg 3.150,- (1 punt voor het indienen van de bezwaarschriften en 2 punten wegens het bijwonen van de twee zittingen, waarde per punt Cg 700,-, en een factor 1,5 vanwege het bestaan van vier of meer samenhangende zaken.). In deze zaak wordt daarom een proceskostenvergoeding van Cg 525,- (Cg 3.150,- gedeeld door 6 zaken) toegekend.
Beslissing
Het Gerecht in Ambtenarenzaken:
-
verklaart het bezwaar van klager gegrond;
-
vernietigt de bestreden opdracht van de minister;
-
draagt de minister op om onmiddellijk de volledige politie-uitrusting aan klager terug te geven;
-
veroordeelt de minister tot betaling aan klager van zijn proceskosten tot een bedrag van Cg 525,- geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus gedaan door mr. N.M. Martinez, rechter in ambtenarenzaken, en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2026 in tegenwoordigheid van de griffier, P.N.F. Pereira do Tanque.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de Raad van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz).
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen 30 dagen:
-
als de indiener van het hoger beroep of zijn gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest: binnen 30 dagen na de dag van de uitspraak;
-
in de andere gevallen: binnen 30 dagen na de dag van de toezending of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
-
het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
-
een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
-
vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.
Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.