Socialezekerheidsrecht
Voldoende aannemelijk is geworden dat de klachten reeds bestonden voor de ingangsdatum van de…
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, 15 juni 2017
ECLI:NL:OGEAA:2017:1058 · Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba · 15 juni 2017
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerecht-in-eerste-aanleg-van-aruba/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-ogeaa-2017-1058
Zaakgegevens
Op 15 juni 2017 heeft het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
- Datum uitspraak
- 15 juni 2017
- Datum publicatie
- 21 februari 2019
- Zaaknummer
- CVB nr. 592 van 2016
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:OGEAA:2017:1058
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Voldoende aannemelijk is geworden dat de klachten reeds bestonden voor de ingangsdatum van de verzekeringsdekking. Dit is aannemelijk gelet op de aard van de klachten, op de uitlatingen van appellante jegens de controlearts en op informatie verschaft door de behandelend specialist.
Uitspraak
Uitspraak van 15 juni 2017
behorende bij CVB nr. 592 van 2016
COLLEGE VAN BEROEP
inzake de Landsverordening ziekteverzekering
in de zaak van:
[ X ],
wonende te Aruba, [ adres ]
APPELLANTE,
procederende in persoon,
tegen
DE SOCIALE VERZEKERINGSBANK,
gevestigd te Aruba,
GEINTIMEERDE, hierna ook te noemen: de bank,
gemachtigde: de advocaat mr. M.D. Tromp.
1 HET PROCESVERLOOP
Bij beschikking van 3 maart 2016 heeft de bank besloten dat appellante geen recht heeft op tegemoetkoming wegens verminderde belastbaarheid vanaf 11 februari 2016 wegens aanhoudende klachten na een pyelonefritis, aangezien de ziekte het gevolg is van afwijkingen die ontstaan zijn voordat appellante de hoedanigheid van arbeider in de zin van de LvZv had.
Tegen deze beslissing heeft appellante op 21 maart 2016 beroep aangetekend.
Op 18 mei 2016 heeft de bank verweerschrift ingediend.
Op 22 juni 2016 heeft appellante schriftelijk gereageerd op het verweerschrift.
Het beroep van appellante is op de bijeenkomst van 8 december 2016 van dit college behandeld, alwaar namens de bank aanwezig waren mevrouw mr. B. Every, juridisch adviseur, en de heer [ R ], pensioenmedewerker, bijgestaan door de gemachtigde voornoemd. Appellante is, ondanks daartoe behoorlijk te zijn opgeroepen, niet verschenen.
2 DE BEOORDELING
Appellante kan zich niet verenigen met de beslissing van de bank om haar geen ziekengeld toe te kennen en stelt zich op het standpunt dat de bank ten onrechte heeft geconcludeerd dat de ziekte het gevolg is van afwijkingen die ontstaan zijn voordat appellante de hoedanigheid van arbeider had in de zin van de LvZv. Daarbij voert appellante aan dat de nierbekkenontsteking pas sinds december 2015 is ontstaan.
Artikel 7 lid 1 onder a LvZv bepaalt dat de arbeider geen recht op tegemoetkoming heeft of dit recht verliest indien de afwijking reeds bestond of de ziekte is ontstaan op een tijdstip waarop de arbeider niet de hoedanigheid van arbeider in de zin van de LvZv bezat.
Uit de door partijen overgelegde stukken kan het volgende worden afgeleid.
Appellante heeft zich op 16 november 2015 als arbeider ingeschreven bij de bank. Haar dienstverband is op 1 oktober 2015 aangevangen.
Op 11 februari 2016 heeft appellante zich arbeidsongeschikt gemeld vanwege nierbekkenontsteking.
Tijdens de controle gaf appellante te kennen dat zij jarenlang bekend is met ureterstenose (nierbekkenontsteking) en dat zij in Nederland hiervoor is behandeld en dat zij alhier onder controle is van een uroloog.
Uit nader medisch onderzoek is gebleken dat appellante vanaf 2012 alhier onder controle is bij de behandelend uroloog vanwege nierbekkenontsteking en dat zij in 2013 een operatieve ingreep heeft ondergaan.
De bank stelt zich op het standpunt dat – kort samengevat – de huidige klachten van appellante het gevolg zijn van een ziekte en afwijkingen die zijn ontstaan vóór oktober 2015.
Het College is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de klachten reeds bestonden voor de ingangsdatum van de verzekeringsdekking. Dit is aannemelijk gelet op de aard van de klachten, op de uitlatingen van appellante jegens de controlearts en op informatie verschaft door de behandelend specialist.
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het beroep van appellante ongegrond dient te worden verklaard.
3 DE BESLISSING
Het college van beroep:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven op 15 juni 2017 door mr. N.K. Engelbrecht, voorzitter, J.R. Geerman en E. de Cuba, leden, in tegenwoordigheid van de secretaris.