Bestuursrecht overig

Bevoegdheid om kennis te nemen van het beroep. Bijstand is een sociale voorziening en geen sociale- of…

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, 10 juli 2026

Zaakgegevens

Op 10 juli 2026 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Datum uitspraak
10 juli 2026
Datum publicatie
20 augustus 2026
Zaaknummer
CUR202600814
Procedure
Bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:OGEAC:2026:152
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Bevoegdheid om kennis te nemen van het beroep. Bijstand is een sociale voorziening en geen sociale- of volksverzekering als bedoeld in artikel 8 van de Lar. Het beroep is dus ten onrechte meervoudig behandeld. Daarom zal de uitspraak enkelvoudig worden gedaan. Partijen zijn hierdoor niet in hun belangen geschaad.

Het Gerecht komt tot het oordeel dat de minister zijn beslissing tot beëindiging onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid. De minister heeft de bijstandsuitkering van eiser beëindigd zonder eiser vooraf te informeren. Die beëindiging heeft de minister pas ruim zes maanden later in een beschikking vastgelegd. Daarom is het beroep gegrond. Dat leidt tot vernietiging van de beschikking tot beëindiging. Het Gerecht ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van de te vernietigen beschikking tot beëindiging in stand te laten. Het Gerecht is namelijk van oordeel dat de minister terecht heeft geoordeeld dat de bijstandsuitkering van eiser wordt beëindigd. Verder slagen de overige gronden van eiser niet.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Uitspraak

in het geding tussen:

[eiser],

wonende te Curaçao,

eiser,

gemachtigde: mr. A.V.G. Rooijer,

en

de minister van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn (SOAW),

verweerder,

gemachtigden: mr. R. Regina en mr. W.R. Flocker.

Partijen worden in deze uitspraak hierna eiser en de minister genoemd.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het beroep van eiser tegen de beslissing van de minister om de bijstandsuitkering van eiser per 30 juni 2025 te beëindigen.

1.1

De minister heeft deze beslissing genomen op 15 januari 2026 (de beschikking tot beëindiging). Eiser heeft op 26 februari 2026 beroep ingesteld tegen de beschikking tot beëindiging.

1.2

De minister heeft met een verweerschrift op het beroep gereageerd.

1.3

Het Gerecht heeft het beroep op 29 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden en [naam medewerker], [functie] van Kas di Bario Santa Maria.

Beoordeling door het Gerecht

2. Het Gerecht beoordeelt de beschikking tot beëindiging aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

2.1.

Het Gerecht heeft ambtshalve stilgestaan bij zijn bevoegdheid om kennis te nemen van het beroep. Bijstand is een sociale voorziening en geen sociale- of volksverzekering als bedoeld in artikel 8 van de Lar. Het beroep is dus ten onrechte meervoudig behandeld. Daarom zal de uitspraak enkelvoudig worden gedaan. Partijen zijn hierdoor niet in hun belangen geschaad.

2.2.

Het Gerecht komt tot het oordeel dat de minister zijn beslissing tot beëindiging onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid. De minister heeft de bijstandsuitkering van eiser beëindigd zonder eiser vooraf te informeren. Die beëindiging heeft de minister pas ruim zes maanden later in een beschikking vastgelegd. Daarom is het beroep gegrond. Dat leidt tot vernietiging van de beschikking tot beëindiging. Het Gerecht ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van de te vernietigen beschikking tot beëindiging in stand te laten. Het Gerecht is namelijk van oordeel dat de minister terecht heeft geoordeeld dat de bijstandsuitkering van eiser wordt beëindigd. Verder slagen de overige gronden van eiser niet.

2.3.

Het Gerecht legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Bevoegdheid: enkelvoudig of meervoudig?

3. Het Gerecht verkeerde aanvankelijk in de veronderstelling dat op beroepschriften in bijstandszaken artikel 8 van de Lar van toepassing is. In dat geval dienen beroepschriften op grond van artikel 11, tweede lid, van de Lar te worden behandeld door een meervoudige kamer van het Gerecht, bestaande uit een lid van het Hof als voorzitter en twee bijzondere rechters. Om die reden heeft het Gerecht het beroep ter zitting van 29 juni 2026 meervoudig behandeld, met mr. drs. S. Lanshage als lid van het Hof, mr. C. Anselma-Bernsen als rechter in opleiding bij het Hof en de twee bijzondere rechters mr. J. Sybesma en mr. P. Klik. Na afloop van de zitting heeft de voorzitter echter vastgesteld dat bijstand geen sociale of volksverzekering is als bedoeld in artikel 8 van de Lar. Bijstand is immers een voorziening en geen verzekering. Op dit beroep is daarom artikel 11, eerste lid, van de Lar van toepassing, zodat de behandeling en de uitspraak enkelvoudig dienen plaats te vinden. Deze uitspraak wordt dan ook enkelvoudig gedaan door mr. Lanshage. Hoewel het beroep ten onrechte meervoudig is behandeld, is het Gerecht van oordeel dat partijen daardoor niet in hun belangen zijn geschaad.

Wat is relevant om te weten in deze zaak?

4. Het Gerecht gaat uit van de volgende feiten.

4.1.

Eiser ontving tot 30 juni 2025 een bijstandsuitkering van Cg 281,10 per twee weken.

4.2.

Eiser is gehuwd en zijn echtgenote ontvangt sinds 1 december 2024 ouderdomspensioen op grond van de Landsverordening Algemene Ouderdomsverzekering (Lv AOV).

4.3.

In verband met zijn huwelijkse staat ontvangt eiser sinds 1 december 2024 op grond van artikel 7a, eerste en derde lid, van de Lv AOV een toeslag van Cg 591,- per maand.

Waarom heeft de minister de bijstandsuitkering van eiser beëindigd?

5. De minister heeft zijn beslissing om niet langer bijstand te verlenen gebaseerd op de Landsverordening verlening bijstand Curaçao 2008 (LvbC). De minister heeft op het beslisformulier onder verwijzing naar artikel 6, onder j, van de LvbC drie redenen voor de beëindiging van de bijstand aangekruist: eiser heeft voldoende middelen om in zijn onderhoud te voorzien, eiser heeft onvolledige of onjuiste informatie gegeven en eiser heeft zich niet aan afspraken gehouden.

Wat is het wettelijk kader in deze zaak?

6. De volgende wettelijke voorschriften zijn in deze zaak relevant.

6.1.

Artikel 4 van de LvbC luidt voor zover hier relevant: bijstand kan door de minister worden verleend aan iedere meerderjarige Nederlander, ingezetene zijnde en op wie de Landsverordening toelating en uitzetting niet van toepassing is, en die in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te verkeren dat hij niet over middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien.

6.2.

Volgens artikel 6, aanhef en onder j, van de LvbC verleent de minister van SOAW geen bijstand indien het gedeeltelijke pensioen waarop aanspraak bestaat krachtens de Lv AOV.

6.3.

Artikel 27, eerste lid, van de LvbC bepaalt dat de beschikking tot verlening van bijstand wordt ingetrokken indien (onder meer)

a. de in de bijstand begrepen persoon bij de indiening van de aanvraag om bijstand onjuiste of onvolledige inlichtingen aan de instantie heeft verstrekt;

g. de in de bijstand begrepen persoon voldoende inkomen of voldoende vermogen verwerft over de periode waarover de bijstand is verleend;

m. de in de bijstand begrepen persoon het pensioen ontvangt, waarop aanspraak bestaat krachtens de Lv AOV.

Wat voert eiser aan en wat vindt het Gerecht daarvan?

7. Eiser voert allereerst aan dat het proces van beëindiging van zijn bijstandsuitkering onzorgvuldig is verlopen. De minister heeft de bijstandsuitkering onverwacht beëindigd zonder waarschuwing en zonder overgangstermijn. Ook is eiser voorafgaand aan de beëindiging niet gehoord.

Verder voert eiser aan dat de minister geen belangenafweging heeft gemaakt. Tot slot vindt eiser -desgevraagd ter zitting- dat hij ondanks de AOV-toeslag toch recht heeft op een bijstandsuitkering.

8. Het Gerecht stelt bij de bespreking van het betoog van eiser het volgende voorop. Uit de besluitvorming van de minister blijkt niet duidelijk of de beschikking van 15 januari 2026 een beschikking is die strekt tot beëindiging van de bijstand als bedoeld in artikel 6 van de LvbC of een beschikking die strekt tot intrekking van de bijstand als bedoeld in artikel 27 van de LvbC. In de beschikking wordt enerzijds artikel 6 genoemd terwijl anderzijds aan te kruisen opties worden genoemd die alleen in artikel 27 van de LvbC staan. Ook in het verweerschrift worden de beëindiging en de intrekking door elkaar gehaald. Het Gerecht geeft de minister in overweging om het format van de beschikking die in dit geval gebruikt is te verduidelijken op dit punt. In deze zaak kent het Gerecht doorslaggevend gewicht toe aan het feit dat in de beschikking artikel 6 van de LvbC wordt genoemd. Het Gerecht kwalificeert de beschikking van 15 januari 2026 dan ook als een beschikking die strekt tot beëindiging van de bijstand van eiser per 30 juni 2025 en niet als een intrekkingsbeschikking. Ter zitting heeft de minister verder toegelicht dat zijn beslissing tot beëindiging in het bijzonder steunt op de grond dat eiser een AOV-gehuwdentoeslag ontvangt. Op grond van deze toelichting beperkt het Gerecht de toetsing van de beëindigingsbeschikking tot de vraag of de minister de bijstandsuitkering terecht heeft beëindigd op grond van het ontvangen van een uitkering op grond van de Lv AOV, bedoeld in artikel 6, aanhef en onder j, van de LvbC.

9. De beroepsgrond van eiser dat het proces van beëindiging van de bijstandsuitkering onzorgvuldig was slaagt. Het Gerecht overweegt daartoe als volgt.

9.1

De minister heeft ter zitting een toelichting gegeven op het proces van beëindiging. Naar aanleiding van een gesprek met eiser in maart 2025 is een onderzoek opgestart en heeft de minister AOV-gegevens bij de SVB opgevraagd. Daaruit is gebleken dat eiser sinds 1 december 2024 maandelijks een AOV-gehuwdentoeslag ontvangt. De minister heeft daarop besloten om de bijstandsuitkering per 30 juni 2025 stop te zetten. Dit besluit heeft de minister op dat moment niet schriftelijk vastgelegd. Eiser heeft zich op 1 juli 2025 tot Kas di Bario gewend om te vragen waarom hij geen uitkering meer ontvangt. Door de ambtenaren van Kas di Bario is aan eiser mondeling uitgelegd dat de bijstandsuitkering vanwege het feit dat eiser een AOV-toeslag ontvangt is stopgezet. De minister is van mening dat eiser hiermee voldoende is geïnformeerd. Vervolgens heeft de minister deze stopzetting vastgelegd in de beschikking tot beëindiging van 15 januari 2026.

9.2

Het Gerecht is van oordeel dat de minister zijn beslissing tot beëindiging onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid. Vanuit de gedachte om mogelijke terugvordering te voorkomen is het zo spoedig mogelijk beëindigen van de uitkering nadat de minister heeft vastgesteld dat geen recht meer bestaat een begrijpelijke maatregel, maar dan moet de minister eiser hiervan wel direct schriftelijk in kennis stellen. Dit heeft de minister niet gedaan. De minister heeft volstaan met een gesprek achteraf, dat bovendien niet op initiatief van de minister plaatsvond. Het heeft ruim zes maanden geduurd voordat de beëindigingsbeschikking werd opgesteld. Zo heeft eiser niet alleen lang in onzekerheid verkeerd, maar is hem ook al die tijd de mogelijkheid van het eventueel aanwenden van een rechtsmiddel ontnomen. Het betoog van eiser treft in zoverre doel.

10. Het voorgaande leidt ertoe dat de beschikking tot beëindiging wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel zal worden vernietigd. Het Gerecht ziet echter aanleiding om -ter finale beslechting van het geschil- de rechtsgevolgen van de te vernietigen beëindigingsbeschikking in stand te laten als bedoeld in artikel 50, derde lid, van de Lar. Het Gerecht is namelijk van oordeel dat de beslissing tot beëindiging inhoudelijk terecht is. Verder slagen de overige beroepsgronden van eiser niet. Het Gerecht motiveert dat als volgt.

10.1

Artikel 6, aanhef en onder j, van de LvbC schrijft dwingend voor wanneer de minister geen bijstand verleent. Dat wil zeggen dat indien een van de in artikel 6 genoemde omstandigheden zich voordoet, de minister de bijstandsuitkering moet beëindigen. Er is daarbij geen ruimte voor een belangenafweging. Tussen partijen is niet in geschil en ook het Gerecht is van oordeel dat de omstandigheid genoemd in artikel 6 onder j van de LvbC zich voordoet. De minister moest daarom de bijstandsuitkering beëindigen.

10.2

Voor zover eiser vindt dat hij ondanks de AOV-toeslag toch recht heeft op bijstand, slaagt zijn betoog evenmin. De strekking van de wet tot het verlenen van bijstand is dat burgers worden bijgestaan die niet over middelen beschikken om in noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien. Dit financieel vangnet wordt gefinancierd uit de algemene middelen en wordt in de LvbC uitgewerkt in grotendeels dwingendrechtelijke voorschriften. De LvcB staat niet toe dat eiser naast een AOV-toeslag bijstand kan blijven ontvangen.

Conclusie en gevolgen

11. De minister heeft zijn beslissing tot beëindiging van de bijstandsuitkering onvoldoende zorgvuldig voorbereid. Het beroep is gegrond. Daarom wordt de beëindigingsbeschikking vernietigd. Het Gerecht ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van de te vernietigen beëindigingsbeschikking in stand te laten, omdat de minister terecht heeft geoordeeld dat de bijstandsuitkering van eiser wordt beëindigd en de overige beroepsgronden van eiser niet slagen. Dit betekent dat de beëindiging van de bijstandsuitkering in stand blijft.

12. Omdat het beroep gegrond is, zal het Gerecht bepalen dat de minister de proceskosten moet vergoeden die aan de zijde van eiser zijn gemaakt. Nu aan eiser een toevoeging is verleend krachtens het Landsbesluit kosteloze rechtskundige bijstand, moet de minister het bedrag van de proceskosten volgens artikel 50, twaalfde lid, van de Lar aan de griffier betalen.

Het Gerecht begroot die kosten op Cg 1.400,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, waarde per punt Cg 700,-).

Beslissing

Het Gerecht:

- verklaart het beroep van eiser tegen de beschikking tot beëindiging van de bijstandsuitkering gegrond;

- vernietigt de beschikking tot beëindiging van de bijstandsuitkering;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde beëindigingsbeschikking in stand blijven;

- veroordeelt de minister tot vergoeding van de proceskosten van eiser tot een bedrag van Cg 1.400,-, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de minister aan de griffier te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. drs. S. Lanshage, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026, in tegenwoordigheid van mr. C. Anselma-Bernsen, griffier.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.

Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Het hoger beroep moet worden ingediend bij het Gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.

De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:

  • het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;

  • een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;

  • vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).

Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend.

Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd.

Artikel 7a, eerste lid, van de Lv AOV luidt kort gezegd: degene aan wie een ouderdomspensioen is toegekend en die gehuwd is met iemand die jonger is dan 65 jaar heeft recht op een toeslag van ten hoogste Cg 591,00 per maand. Artikel 7a, derde lid, van de Lv AOV luidt: de toeslag wordt door de Bank betaalbaar gesteld aan degene met wie degene aan wie het ouderdomspensioen is toegekend, gehuwd is. De betaling geschiedt als regel maandelijks.