Socialezekerheidsrecht
Het geschil richt zich in de kern op de vraag of de SVB terecht het ongevallengeld van eiser heeft beëindigd…
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, 10 juni 2026
ECLI:NL:OGEAC:2026:143 · Gerecht in eerste aanleg van Curaçao · 10 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerecht-in-eerste-aanleg-van-curacao/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/bodemzaak/ecli-nl-ogeac-2026-143
Zaakgegevens
Op 10 juni 2026 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
- Datum uitspraak
- 10 juni 2026
- Datum publicatie
- 19 augustus 2026
- Zaaknummer
- CUR202503897 en CUR202600956
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- BodemzaakBodemzaakDe gewone procedure waarin de rechter definitief over het geschil beslist, in tegenstelling tot een kort geding of voorlopige voorziening.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:OGEAC:2026:143
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Het geschil richt zich in de kern op de vraag of de SVB terecht het ongevallengeld van eiser heeft beëindigd (en omgezet in ziekengeld) vanwege het niet langer aanwezig zijn van een causaal verband tussen het bedrijfsongeval en de rugpijnklachten van eiser. Het Gerecht beantwoordt die vraag bevestigend.
Uitspraak
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Uitspraak
in het geding tussen:
[eiser],
wonende te Curaçao,
eiser,
gemachtigde: mr. ir. I.F. Moeniralam,
en
de Sociale Verzekeringsbank (SVB),
verweerster,
gemachtigde: mr. N.S. Dare.
Partijen worden in deze uitspraak hierna eiser en de SVB genoemd.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht de beroepen van eiser tegen:
-
de beslissing van de SVB van 7 mei 2025 waarbij het ongevallengeld van eiser is beëindigd (CUR202600956);
-
de beslissing van de SVB van 13 augustus 2025 waarbij ziekengeld aan eiser is toegekend (CUR202503897).
Eiser heeft op 22 september 2025 de beroepen ingesteld en op 3 november 2025 aanvullende gronden ingediend. Op 9 maart 2026 heeft eiser nog een brief met bijlage opgestuurd.
Het beroep hiervoor genoemd onder ‘1.a.’ (CUR202600956) richtte zich aanvankelijk tegen het uitblijven van een beslissing van de SVB op het bezwaar van eiser tegen de beschikking waarbij het ongevallengeld is beëindigd. Op 13 november 2025 heeft de SVB alsnog op het bezwaar van eiser beslist. Op grond van artikel 9c van de Lar is het beroep mede gericht tegen deze beschikking op bezwaar.
De SVB heeft op 24 december 2025 met een verweerschrift op de beroepen gereageerd.
Het Gerecht heeft de beroepen op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser was aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. De SVB heeft zich laten vertegenwoordigen door SVB-arts [naam SVB-arts] en haar gemachtigde.
Op verzoek van het Gerecht heeft de SVB op 7 april 2026 een nadere toelichting gegeven over de grondslag van de beslissingen van de SVB, in het bijzonder over het niet langer aanwezig zijn van een causaal verband tussen de klachten van eiser en het bedrijfsongeval. Daarbij heeft de SVB alle op de beroepen betrekking hebbende stukken overgelegd.
Eiser heeft op 28 april 2026 op de nadere toelichting van de SVB gereageerd. Vervolgens heeft het Gerecht het onderzoek gesloten en een uitspraakdatum bepaald.
Beoordeling door het Gerecht
2. Het Gerecht beoordeelt de bestreden beschikkingen aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Het beroep tegen het uitblijven van een beslissing van de SVB op het bezwaar van eiser tegen de beschikking waarbij het ongevallengeld is beëindigd, is niet-ontvankelijk. De SVB heeft immers alsnog op het bezwaar beslist. Het geschil richt zich in de kern op de vraag of de SVB terecht het ongevallengeld van eiser heeft beëindigd (en omgezet in ziekengeld) vanwege het niet langer aanwezig zijn van een causaal verband tussen het bedrijfsongeval en de rugpijnklachten van eiser. Het Gerecht beantwoordt die vraag bevestigend. Dat betekent dat beide overige beroepen van eiser ongegrond zijn.
Het Gerecht legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Waarom is het beroep van eiser tegen het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaar niet-ontvankelijk?
3. Eiser heeft aanvankelijk beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing van de SVB op het bezwaar van eiser tegen de beschikking van 7 mei 2025 waarbij het ongevallengeld van eiser is beëindigd. Artikel 9c, eerste lid, van de Lar bepaalt voor zover hier relevant dat indien beroep aanhangig is tegen een weigering om een beschikking te geven, en het bestuursorgaan alsnog een beschikking geeft, het beroep mede betrekking heeft op deze beschikking.
Het beroep van eiser tegen het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaar heeft dus van rechtswege ook betrekking op de reële beslissing van de SVB van
13 november 2025.
Het beroep van eiser tegen het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaar is niet-ontvankelijk. De SVB heeft immers beslist op dat verzoek.
Het Gerecht is van oordeel dat eiser het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaar terecht heeft ingesteld nu de SVB op dat moment nog niet had beslist op het bezwaar van eiser van 7 mei 2025. Daarmee is de wettelijke beslistermijn van vier maanden die volgt uit artikel 69, eerste lid, van de Lar overschreden. Van een verlenging van de beslistermijn is niet gebleken. Daarom ziet het Gerecht in die zaak aanleiding voor een veroordeling van de SVB in de door eiser gemaakte proceskosten en vergoeding van het door hem betaalde griffierecht.
Wat is relevant om te weten in deze zaak?
4. Het Gerecht gaat uit van de volgende feiten.
Eiser heeft op 29 maart 2023 een bedrijfsongeval gehad, waarbij hij is gevallen op de laadruimte van een pick-up. Na het ongeval zijn rug(pijn)klachten bij eiser ontstaan. De SVB heeft in eerste instantie geen ongevallengeld aan eiser toegekend, maar op 11 juli 2024 alsnog besloten dat eiser recht heeft op ongevallengeld, nadat een getuige zich het ongeval weer kon herinneren.
Sinds het ongeval is eiser in 2023 en 2024 zowel in Curaçao als in Colombia medisch onderzocht en werden op een röntgenfoto en twee MRI’s geen afwijkingen geconstateerd. Eiser is in april 2025 weer naar Colombia gegaan voor een medisch onderzoek. Op een MRI van 13 april 2025 is een wervelkanaalstenose (vernauwing van het wervelkanaal) gezien.
Tijdens een spreekuur op 22 april 2025 is eiser geïnformeerd door de controlerend geneeskundige dat de bedrijfsongevalsclaim wordt omgezet in een ziektemelding. Volgens de controlerend geneeskundige kunnen de huidige rugklachten niet meer gerelateerd worden aan het ongeval, gezien de op de MRI van 13 april 2025 geconstateerde afwijking.
Bij beschikking van 7 mei 2025 heeft de SVB de bedrijfsongevalsclaim afgesloten per 10 april 2025, omdat de huidige medische klachten geen rechtstreeks verband meer hebben met het bedrijfsongeval. De casus van eiser is omgezet in een ziektemelding per 15 april 2025.
Eiser heeft direct op 7 mei 2025 -en aanvullend op 12 mei, 15 mei en 18 juni 2025- bezwaar gemaakt bij de SVB tegen de beëindiging van het ongevallengeld en de omzetting in een ziektemelding.
Bij beschikking van 13 augustus 2025 heeft de SVB beslist dat voor de nieuwe ziektemelding op grond van de MRI van 13 april 2025 een tegemoetkoming bestaande uit ziekengeld aan eiser wordt verstrekt met ingang van 22 april 2025 voor de duur van twee jaar.
Wat is het wettelijk kader?
5. Het Gerecht baseert zich op de volgende relevante wettelijke voorschriften.
Artikel 1 van de Landsverordening Ongevallenverzekering 1966 (Lov) definieert arbeidsongeschiktheid als de toestand waarin de werknemer verkeert, die als gevolg van een ongeval gedurende een etmaal of langer, niet in staat is om zijn normale werk te verrichten of deze arbeid zo lang niet mag verrichten hetzij om een medisch noodzakelijk onderzoek mogelijk te maken, hetzij om te voorkomen dat zijn genezing wordt belemmerd.
Artikel 3 van de Lov bepaalt dat de werknemer aan wie een ongeval is overkomen krachtens de bepaling uit de Lov en ongeacht het voortduren van het dienstverband tegenover de bank recht heeft op tegemoetkoming, bestaande uit geneeskundige behandeling en verpleging, en uitkeringen in geld.
Artikel 5, eerste lid, van de Lov bepaalt dat de werknemer, die als gevolg van het ongeval geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, recht heeft op een uitkering in geld, ongevallengeld genaamd, met ingang van de dag na die van de melding van het ongeval bij de bank.
Artikel 6, eerste lid, van de Lov bepaalt dat de bank zo spoedig mogelijk, mede aan de hand van bevindingen en voorschriften van de behandelende geneeskundige, aan de rechthebbende schriftelijk mededeelt welke tegemoetkoming zal worden verstrekt en eventueel dat en op welke gronden de bank zich niet of niet langer tot tegemoetkoming gehouden acht.
Waarom heeft de SVB het bezwaar van eiser tegen de beëindiging van het ongevallengeld en de omzetting in een ziekmelding ongegrond verklaard?
6. De SVB baseert haar beslissing op bezwaar van 13 november 2025 op het advies van de bezwaaradviescommissie, dat in haar beslissing integraal is opgenomen. De bezwaaradviescommissie heeft haar advies gegrond op het commentaar op bezwaar van 13 augustus 2025, opgesteld door SVB-arts [naam SVB-arts] en mr. Dare, en de toelichting op de hoorzitting van 27 augustus 2025.
De pijnklachten werden na het bedrijfsongeval toegeschreven aan spier(pees)letsel in de onderrug. Dergelijk letsel herstelt doorgaans binnen enkele weken. Eiser heeft echter aanhoudende rugpijnklachten. Bij eerdere MRI- en röntgenonderzoeken zijn geen afwijkingen of bijzonderheden geconstateerd. Op de MRI van 13 april 2025 is een wervelkanaalstenose, een vernauwing van het wervelkanaal, gezien met als gevolg licht contact met de uittredende zenuwen van de wervels L3, L4 en L5. Dit is vastgesteld door zowel de radioloog [naam radioloog] op 13 april 2025 als door de arts [naam arts 1] op 14 april 2025. Deze kanaalstenose is op de röntgenfoto van 18 april 2023 en de MRI’s van 24 oktober 2023 en
23 april 2024 niet gezien en kan daarom niet veroorzaakt zijn door het bedrijfsongeval. De kanaalstenose is het gevolg van artrose of slijtage van de wervels en kan een verklaring zijn voor de aanhoudende pijnklachten.
Gezien deze nieuwe medische bevinding en de duur van de rugpijnklachten, acht de SVB het aannemelijk dat de huidige chronische rugpijnklachten veroorzaakt worden door de wervelkanaalstenose en niet langer een rechtstreeks gevolg zijn van het bedrijfsongeval. Op grond hiervan is het dossier omgezet van een bedrijfsongeval naar een ziektegeval. De SVB beslist dat het bezwaar ongegrond is.
Wat voert eiser aan tegen de beëindiging van de ongevallenuitkering en wat vindt het Gerecht daarvan?
7. Het geschil richt zich in de kern op de vraag of de SVB terecht het ongevallengeld van eiser heeft beëindigd (en omgezet in ziekengeld) vanwege het niet langer aanwezig zijn van een causaal verband tussen de rugpijnklachten van eiser en het bedrijfsongeval.
Wat voert eiser aan?
Eiser betoogt dat hij vóór het bedrijfsongeval nooit last had van rugklachten en zich nooit daarvoor heeft ziekgemeld. Eiser overlegt hiertoe een verklaring van zijn huisarts over zijn dossier vanaf 2009. Alleen in 2009 had eiser lage rugklachten waarvan hij volledig herstelde.
Sinds het ongeval tot op heden heeft eiser dezelfde rugpijnklachten. Het kan niet zo zijn dat door de constatering van een kanaalstenose de gevolgen van het bedrijfsongeval opeens verdwenen zijn. Volgens eiser is ook een scenario denkbaar dat zijn klachten zowel veroorzaakt worden door de kanaalstenose als door het bedrijfsongeval, dus “én-én”. Verder stelt eiser dat het feit dat eerder geen kanaalstenose zichtbaar was op een MRI, niet uitsluit dat die stenose reeds aanwezig was en wél is veroorzaakt door het bedrijfsongeval en daarna door tijdsverloop en veroudering is versterkt.
In ieder geval vindt eiser dat er nog steeds sprake is van causaal verband tussen zijn klachten en het bedrijfsongeval. Eiser wijst in dat verband op de verklaring van
[naam arts 2] van 12 april 2025 waaruit blijkt dat sprake is van een oude breuk passend bij een val. Ook heeft [naam arts 1] tijdens een consult met eiser op
6 februari 2026 bevestigd dat de klachten vanaf het bedrijfsongeval van 29 maart 2023 bestaan. De SVB heeft daarentegen niet deugdelijk medisch onderbouwd waarom de enkele constatering van kanaalstenose voldoende is om het causaal verband te doorbreken, aldus eiser.
Hoe oordeelt het Gerecht?
Het Gerecht stelt voorop dat uit de artikelen 1 en 5 van de Lov volgt dat het recht op de uitkering van ongevallengeld is gekoppeld aan een causaal verband dat moet bestaan tussen het bedrijfsongeval en de arbeidsongeschiktheid van de werknemer. Op grond van artikel 6 van de Lov is de SVB bevoegd om te oordelen dat zij zich niet langer gehouden acht tot tegemoetkoming, waaronder de uitkering van ongevallengeld.
Het Gerecht stelt vast dat de beslissing van de SVB berust op een medisch en juridisch onderbouwd advies. Ten behoeve van het advies is door de SVB-arts en de juriste een commentaar opgesteld, dat wordt gestaafd door onderliggende medische rapportages van zowel behandelend geneeskundigen als van controlerend geneeskundigen.
De SVB-arts heeft ter zitting en in haar nadere toelichting van
7 april 2026 uitgelegd dat de voornaamste oorzaak van wervelkanaalstenose slijtage of artrose is waarbij het verouderingsproces een rol speelt. Letsel (trauma) kan een oorzaak zijn van wervelkanaalstenose, maar daarvan is in dit geval geen sprake. Een val leidt direct tot zichtbare schade of tot afwijkingen zichtbaar op beeldvorming kort na het incident. De beeldvorming kort na het ongeval liet geen (traumatische) afwijkingen zien. Het feit dat de MRI’s van 2023 en 2024 geen afwijkingen hebben getoond, en pas twee jaar na het ongeval een wervelkanaalstenose verschijnt, sluit een medisch causaal verband tussen het ongeval en de stenose uit, aldus de SVB-arts.
Het door eiser aangevoerde scenario “én-én” -de klachten worden tegelijkertijd veroorzaakt door zowel wervelkanaalstenose als het ongeval- is medisch gezien niet mogelijk. De huidige aanhoudende pijnklachten kunnen worden verklaard door kanaalstenose en degeneratieve afwijkingen en niet door het bedrijfsongeval. Uit de notitie van de controlerend geneeskundige [naam controlerend geneeskundige] 24 april 2025 blijkt dat de aanvankelijk acuut ontstane pijn aan de onderrug, geduid als tendomyogeen (pijn aan spieren en pezen), twee jaar na de val hersteld moet zijn. Eiser heeft al lange tijd een chronische rugpijn, die een andere oorzaak heeft dan de acuut ontstane pijn ten gevolge van het ongeval. De nieuwe afwijking op de MRI van 13 april 2025 is een verklaring van die aanhoudende rugpijn.
Het Gerecht overweegt dat de SVB beschikkingen over arbeidsongeschiktheid van een verzekerde mag baseren op rapportages van de verzekeringsarts, wanneer deze rapportages op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en voldoende begrijpelijk zijn. Als een verzekerde vindt dat de SVB zijn beschikking niet op de rapportage van de verzekeringsarts mocht baseren, dan moet hij dat aanvoeren bij de bestuursrechter. Het is dan aan de verzekerde om aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken dat de rapportage niet aan de genoemde eisen voldoet of dat de medische beoordeling onjuist is. Voor het aannemelijk maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in beginsel een rapportage van een medicus noodzakelijk.
Het Gerecht is van oordeel dat wat eiser aanvoert onvoldoende is om te twijfelen aan de medische beoordeling van de SVB-arts en de controlerend geneeskundige.
Eiser heeft in zijn betoog over zijn medische voorgeschiedenis niet concreet gemaakt wat het verband is met de vraag die nu voorligt of het causaal verband nog langer kan worden aangenomen of niet. Bovendien is het onduidelijk welke stelling eiser nu inneemt omdat hij enerzijds zegt dat hij zich nooit eerder met rugklachten heeft ziekgemeld en anderzijds dat hij in 2009 wel een keer ziek was wegens rugklachten. Overigens is eiser niet volledig in het duiden van zijn medisch verleden, omdat de SVB over meerdere arbeidsongeschiktheidsmeldingen wegens rugklachten beschikt, niet alleen van 2009 maar ook van 2005.
De twee rapporten waarop eiser wijst bieden geen ondersteuning voor het al dan niet bestaan van causaal verband tussen het bedrijfsongeval en de rugklachten. Voor zover eiser wijst op het rapport van [naam arts 2] van 12 april 2025 waarin een oude fractuur wordt geconstateerd, volgt het Gerecht de weerlegging van de SVB dat [naam arts 2] zijn vermoeden baseert op een door eiser zelf meegebracht en niet nader geduid MRI-verslag en dat zijn vermoeden niet wordt bevestigd op de MRI van 13 april 2025. Verder vormt het schrijven van [naam arts 1] van 6 februari 2026 slechts een bevestiging dat eiser vanaf het bedrijfsongeval van 29 maart 2023 rugklachten heeft, maar [naam arts 1] laat zich niet uit over een causaal verband.
Tot slot heeft eiser zijn stelling dat het feit dat eerder geen kanaalstenose zichtbaar was op een MRI niet uitsluit dat die stenose reeds aanwezig was en wél is veroorzaakt door het bedrijfsongeval, in het geheel niet onderbouwd.
Naar het oordeel van het Gerecht heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de (medische) beoordeling van de SVB over het wegvallen van een causaal verband tussen het bedrijfsongeval en de arbeidsongeschiktheid onjuist of ondeugdelijk is. De SVB heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het ongevallengeld van eiser wordt beëindigd vanwege het niet langer aanwezig zijn van een causaal verband tussen het bedrijfsongeval en de rugpijnklachten van eiser.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep tegen het uitblijven van een beslissing van de SVB op het bezwaar van eiser tegen de beschikking van 7 mei 2025 waarbij het ongevallengeld is beëindigd is niet-ontvankelijk (CUR202600956).
9. Het beroep tegen de beslissing op bezwaar van de SVB van 13 november 2025 is ongegrond (CUR202600956). Dat betekent dat de beschikking van de SVB van 7 mei 2025 om het ongevallengeld van eiser te beëindigen in stand blijft. Dat leidt ertoe dat ook het beroep tegen toekenning van ziekengeld aan eiser ongegrond is (CUR202503897). Eiser heeft ook geen (andere) gronden tegen deze beschikking aangevoerd. De SVB hoeft voor deze beroepen geen proceskosten te vergoeden.
10. Omdat het beroep tegen het uitblijven van een beslissing van de SVB op het bezwaar terecht was ingesteld (CUR202600956), zal het Gerecht de SVB veroordelen in de proceskosten die eiser daarvoor heeft gemaakt. Het Gerecht begroot die kosten op Cg 175,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, waarde per punt
Cg 700,-, wegingsfactor 0,25 in verband met de relatieve eenvoud van de zaak). Het Gerecht zal verder bepalen dat de SVB het door eiser betaalde griffierecht van Cg 50,- aan hem moet vergoeden.
Beslissing
Het Gerecht:
CUR202600956:
-
verklaart het beroep van eiser tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk;
-
verklaart het beroep van eiser tegen de beschikking op bezwaar van 13 november 2025 ongegrond;
-
veroordeelt de SVB tot betaling aan eiser van zijn proceskosten tot een bedrag van Cg 175,-;
-
bepaalt dat de SVB het door eiser betaalde griffierecht van Cg 50,- aan hem vergoedt;
CUR202503897:
- verklaart het beroep van eiser tegen de beschikking tot toekenning van ziekengeld aan eiser ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. drs. S. Lanshage, voorzitter, mr. J. Sybesma en
mr. M.A. Evertsz, leden, en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026, in tegenwoordigheid van mr. C. Anselma-Bernsen, griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Het hoger beroep moet worden ingediend bij het Gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
-
het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
-
een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
-
vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend.
Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd.