Materieel strafrecht
Verdachte veroordeeld voor het voorhanden hebben van een geladen vuurwapen met een lange patroonhouder. Het…
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, 11 september 2026
ECLI:NL:OGEAC:2026:201 · Gerecht in eerste aanleg van Curaçao · 11 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerecht-in-eerste-aanleg-van-curacao/strafrecht/materieel-strafrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-ogeac-2026-201
Zaakgegevens
Op 11 september 2026 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over materieel strafrecht.
- Instantie
- Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
- Datum uitspraak
- 11 september 2026
- Datum publicatie
- 29 oktober 2026
- Zaaknummer
- 500.00008/26
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Materieel strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:OGEAC:2026:201
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verdachte veroordeeld voor het voorhanden hebben van een geladen vuurwapen met een lange patroonhouder. Het wapen lag onder de stoel van de auto van verdachte. Verdachte had geen wetenschap dat het vuurwapen was voorzien van een vuurregelaar. Geen sprake van medeplegen. straf: gevangenisstraf van 30 maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Het verzoek tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis wordt afgewezen.
Uitspraak
Parketnummer: 500.00008/26
Uitspraak: 11 september 2026 Tegenspraak
Vonnis van dit Gerecht
in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1991 in [geboorteplaats],
wonende in de [woonplaats], [adres 1].
1 Onderzoek van de zaak
Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2026. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. A.N. Sulvaran, advocaat in Curaçao.
De officieren van justitie, mr. T. Keller en mr. W.J. de Graaf (hierna gezamenlijk aangeduid als de officier van justitie), hebben ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van achtenveertig maanden waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van voorarrest.
Hun vordering behelst voorts:
de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen voorwerpen en de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis bij uitspraak.
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit en dat het verzoek omtrent de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis wordt afgewezen.
2 Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting– ten laste gelegd:
dat hij op of omstreeks 29 januari 2026, althans in de maand januari 2026, in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer vuurwapen(s), in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, te weten een machinegeweer/pistool geschikt om volautomatisch te kunnen vuren (van het merk [vuurwapenmerk 1]) kaliber 9x19 mm, met ene lange patroonhouder, althans (een) soortgelijke voor bedreiging of afdreiging geschikt(e) voorwerp(en) en/of munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, te weten zevenentwintig (27) scherpe patronen en/of twee (2) patroonhouders, waarvan één gevuld met zeventien (17) scherpe patronen van het kaliber 9 mm [merk 2], voorhanden heeft gehad, zulks terwijl hij, verdachte en/of zijn mededaders, ten tijde van dat voorhanden hebben wist(en), althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat voornoemd vuurwapen,
- [vuurwapenmerk 1], kaliber 9x19 mm
een machinegeweer/pistool geschikt om volautomatisch te kunnen vuren betrof;
(artikel 5 jo. artikel 3 jo. 11 van de Vuurwapenverordening)
3 Voorvragen
Geldigheid van de dagvaarding en bevoegdheid van het Gerecht
Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is en dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak.
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
De raadsvrouw heeft bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte.
Aan dit verweer heeft de raadsvrouw ten grondslag gelegd dat het proces-verbaal van aanhouding van verdachte tegenstrijdig is met het proces-verbaal planmatige observatie. Volgens de raadsvrouw blijkt uit laatstgenoemd proces-verbaal dat de verdachte om 02.23 uit de rode [automerk/model 1] is gestapt, terwijl het arrestatieteam in het proces-verbaal van aanhouding relateert dat zij verdachte bij aankomst in de auto zagen zitten. Volgens de raadsvrouw is mogelijk niet slechts sprake van onzorgvuldigheid, maar van het doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte relateren van de feiten. Daarmee zou het recht van de verdachte op een eerlijk proces zijn geschonden.
Het Gerecht constateert dat de verdachte zich volgens het proces-verbaal van planmatige observatie om 02.23 uur achter het stuur van de rode [automerk/model 1] bevond, vervolgens uitstapte en dat om 2.33 uur het arrestatieteam arriveert. Het arrestatieteam zag verdachte in de auto zitten. Tussen het moment waarop verdachte uitstapt en de aankomst van het arrestatieteam ligt dus een tijdspanne van tien minuten. Naar het oordeel van het Gerecht kan niet zonder meer worden geconcludeerd dat sprake is van een tegenstrijdigheid. Het is mogelijk dat verdachte eerst is uitgestapt (gezien bij de observatie) en vervolgens weer is ingestapt (niet gezien bij de observatie). Het Gerecht ziet dan ook onvoldoende grond om zonder meer aan te nemen dat sprake is van een tegenstrijdigheid, laat staan van een bewust onjuist relateren van feiten.
Het verweer van de verdediging wordt dan ook verworpen. Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in de vervolging.
Redenen voor schorsing van de vervolging
Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn er geen redenen voor schorsing van de vervolging gebleken.
4 Bewezenverklaring
Het Gerecht acht - op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande:
dat hij op of omstreeks 29 januari 2026, althans in de maand januari 2026, in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer vuurwapen(s), in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, te weten een machinegeweer/pistool geschikt om volautomatisch te kunnen vuren (van het merk [vuurwapenmerk 1]) kaliber 9x19 mm, met een lange patroonhouder, althans (een) soortgelijke voor bedreiging of afdreiging geschikt(e) voorwerp(en) en/of munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, te weten zevenentwintig (27) vierentwintig (24) scherpe patronen en/of twee (2) patroonhouders, waarvan één gevuld met zeventien (17) scherpe patronen van het kaliber 9 mm [merk 2], voorhanden heeft gehad, zulks terwijl hij, verdachte en/of zijn mededaders, ten tijde van dat voorhanden hebben wist(en), althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat voornoemd vuurwapen,
- [vuurwapenmerk 1], kaliber 9x19 mm
een machinegeweer/pistool geschikt om volautomatisch te kunnen vuren betrof;
Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
5 Bewijsmiddelen
Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hiernavolgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring. De inhoud van de bewijsmiddelen is telkens zakelijk weergegeven.
Voorts wordt opgemerkt dat in de bewijsmiddelen geen expliciete landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn gelegen in Curaçao.
1. Een “proces-verbaal van planmatige observatie”, zakelijk weergegeven:
Op 31 januari 2026 [Gerecht: in het relaas staat vermeld dat hier 29 januari 2029 wordt bedoeld] werd geobserveerd en daarbij werden de navolgende waarnemingen, bevindingen en/of handelingen geëffectueerd.
Om 02.23 uur werd het volgende waargenomen:
Een roodgelakte personenauto van het merk [automerk/model 1] en voorzien van het kenteken [kentekennummer 1] werd bij de brood truck “[bedrijf 1] gelegen aan de [adres 2], tot stilstand gebracht. De [kentekennummer 1] werd gezien geparkeerd met de voorzijde naar de broodtruck toe, waarna [verdachte] die achter het stuur zat, uitstapte.
2. Een “proces-verbaal van bevinding”, zakelijk weergegeven:
Aanleiding
Op 29 januari 2026 werd in het kader van een lopend onderzoek, onder de onderzoeknaam Tijger het arrestatieteam ingeschakeld.
Op het moment dat wij, arrestatieteam, aan kwamen rijden bij “[bedrijf 1]” zag ik verbalisant [arrestatieteamlid 1] hoe een voor mij onbekende manspersoon achter het stuur zat van een rode SUV van het merk [automerk/model 1], terwijl de portier open was. De [automerk/model 1] stond geparkeerd met zijn voorzijde in de westelijke richting/ naar de broodtruck toe.
Toen wij, het arrestatieteam, voornoemde rode [automerk/model 1] naderden deden we het zwaailicht aan, deze teneinde ons kenbaar te maken als zijnde politie. Bij het zien van het zwaailicht zag ik, arrestatieteamlid [arrestatieteamlid 1] hoe voornoemd man in ons richting keek en vervolgens gelijk uit de auto stapte.
Ik, arrestatieteam lid [arrestatieteamlid 1] hield te allen tijde zich op voornoemde man aangezien hij verdacht handelde. Nadat voornoemde man uit de rode [automerk/model 1] stapte trachtte hij met kleine stappen/ongezien van de auto weg te lopen, terwijl hij continu naar achteren keek.
Toen ik, arrestatieteamlid [arrestatieteamlid 2] uit de dienstauto stapte zag ik, arrestatieteamlid [arrestatieteamlid 2] een man met een kale hoofd, hoog gestalte, gekleed in een crème t-shirt en een blauwe spijkerbroek van een rode [automerk/model 1] in de richting van de broodtruck. Ik, arrestatieteamlid [arrestatieteamlid 2] herkende deze man gelijk als de man genaamd [verdachte]. Ik, Arrestatieteamlid [arrestatieteamlid 2] maande hem van een afstand aan, om te blijven staan en zijn handen op zijn hoofd te doen, hetwelk hij geen gehoor aan gaf en in de westelijke richting bleef lopen richting de broodtruck.
Ik, Arrestatieteamlid [arrestatieteamlid 3] kwam vanachter de rode [automerk/model 1] aan en op een gegeven moment zag ik de man die ik gelijk herkende als [verdachte]. Hij heeft een kale hoofd, hoog gestalte, een creme T-shirt en een blauwe spijkerbroek aan. Hij liep in de westelijke richting/ richting de broodtruck. Ik, Arrestatieteamlid [arrestatieteamlid 3] haalde hem in en maande hem op de grond te gaan liggen, hetwelk hij gehoor aan gaf.
Later werd in de rode [automerk/model 1] een controle uitgevoerd op basis van vuurwapenverordening 1930. Tijdens de controle werd er voorin aan de bestuurder zijde een zwart vuistvuurwapen van het merk [vuurwapenmerk/model 1] (serienummer [serienummer 1]) met een automatische vuurregelaar en lange houder op de automat aangetroffen.
3. Een “proces-verbaal van onderzoek vervoersmiddel”, zakelijk weergegeven:
Op 29 januari 2026 kwamen verbalisanten bij [bedrijf 1] station ter plaatse. Door het arrestatieteam werd het volgende vuurwapen en bijbehorende volle lange patroonhouder met munitie op de mat voor de bestuurdersstoel (stuur linkerkant) van het voornoemde voertuig aangetroffen.
De patroonhouder betrof een lange patroonhouder waar 33 patronen in kunnen. Het wapen, patroonhouder en patronen werden in beslag genomen.
4. Een proces-verbaal “Forensisch onderzoek op het vuurwapen”, zakelijk weergegeven:
Het op donderdag 29 januari 2026, op de [adres 2], ter hoogte van [bedrijf 1], in een roodgetakt motorvoertuig van het merk [automerk/model 1] voorzien van het kenteken [kentekennummer 1], in beslag genomen voorwerp is een pistool van het merk [vuurwapemerk 1] van het kaliber 9xl9mm voorzien van het serienummer [serienummer 1], samen met een patroonhouder met vierentwintig (24) scherpe patronen, allen van het kaliber 9mm [merk 2].
Voornoemd pistool is tevens voorzien van een vuur-selecteerapparaat.
Samenvatting van bevindingen:
- Het pistool is een vuurwapen in de zin van het Vuurwapenverordening 1930, zoals gewijzigd;
- Het pistool is deugdelijk tot schieten gereed;
- Het pistool is voor bedreiging of afdreiging geschikt;
- Het pistool kan door het vuur-selecteerapparaat zowel semiautomatisch als volautomatisch schieten;
- De scherpe patronen zijn deugdelijk.
5. Een “proces-verbaal van bevindingen onderzoek [automerk/model 1] en het aangetroffen vuurwapen”, zakelijk weergegeven:
Wij keken naar de wijze waarop het vuurwapen in dit voertuig werd aangetroffen. Hoe dit vuurwapen werd aangetroffen, werd fotografisch vastgelegd:
6 Bewijsoverwegingen
Feiten
Op grond van de bewijsmiddelen en het dossier kunnen de volgende feiten en omstandigheden worden vastgesteld.
In de nacht van 29 januari 2026 wordt een rode [automerk/model 1] door het observatieteam ter hoogte van de broodtruck” [bedrijf 1]” geobserveerd. De bestuurder van deze auto wordt door leden van het arrestatieteam, die op dat moment ter plekke arriveren, gesignaleerd en herkend als [verdachte], hierna de verdachte. Verdachte is samen met andere personen, waaronder medeverdachte [medeverdachte 1]. Bij een controle van de rode [automerk/model 1] wordt door het arrestatieteam, op de voetenmat aan de bestuurderszijde een zwart vuurwapen van het merk [vuurwapenmerk 1] gevuld met 24 patronen, aangetroffen. Verdachte wordt door het arrestatieteam aangehouden.
Vervolgens wordt op 29 januari 2026 een huiszoeking uitgevoerd op het adres [adres 1], de woning van de verdachte. Tijdens deze huiszoeking worden op de eerste verdieping, in de inloopkast, op een plank boven, achter een pettenhoes, twee patroonhouders – waarvan één gevuld-, aangetroffen. Tevens zijn er ook drie patronen van 9mm, in de voorraadruimte op de bovenste plank gevonden. De patroonhouders en munitie zijn door de politie in beslag genomen.
Hierna zullen de bewijsbeslissingen voor elk van de aangetroffen goederen worden toegelicht.
Juridisch kader
Voor een veroordeling wegens het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie geldt op grond van de jurisprudentie van de Hoge Raad het volgende.
Voor een dergelijke veroordeling is vereist dat de verdachte het wapen of de munitie bewust aanwezig had. De in de rechtspraak van de Hoge Raad in dit verband gebruikte aanduiding van “een meerdere of mindere mate” van bewustheid geeft aan dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het wapen of de munitie, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen of de munitie of tot de exacte locatie van dat wapen of die munitie. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad.
Daarnaast vergt het aanwezig hebben van een wapen of munitie dat de verdachte feitelijke macht over het wapen of de munitie kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. Daarvoor hoeft het wapen of de munitie zich niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. In bijzondere gevallen volstaat de enkele mogelijkheid tot het uitoefenen van feitelijke macht over het wapen of de munitie niet voor het oordeel dat de verdachte dat wapen of die munitie voorhanden had in de zin van artikel 3 lid 1 van de Vuurwapenverordening. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer iemand onverhoeds of ongewild kortstondig een wapen of munitie van een ander in handen krijgt of wanneer iemand onverwacht kennis krijgt van de aanwezigheid in zijn nabijheid van een wapen of munitie van een ander, terwijl hij redelijkerwijs daarvan niet direct afstand kan nemen.
Het voorhanden hebben van de [vuurwapenmerk 1]
De raadsvrouw van de verdachte heeft aangevoerd dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat de verdachte het wapen op 29 januari 2026 voorhanden heeft gehad. Volgens verdachte was het vuurwapen van medeverdachte [medeverdachte 1]. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft het wapen daar kennelijk neergelegd, terwijl verdachte daarvan niet op de hoogte was.
Het Gerecht overweegt als volgt.
Uit het proces-verbaal van het arrestatieteam blijkt dat de verdachte achter het stuur van zijn rode [automerk/model 1] zat toen hij door de leden van het arrestatieteam werd gezien. Het vuurwapen is aangetroffen op de mat voor de bestuurdersstoel. Uit de foto’s in het dossier blijkt dat het wapen volledig onbedekt in het zicht lag. Op grond hiervan oordeelt het Gerecht dat het niet anders kan dan dat verdachte op het moment dat hij achter het stuur zat, het vuurwapen heeft opgemerkt. Op dat moment had hij wetenschap van en beschikkingsmacht over het vuurwapen. Daarmee kan het feit bewezen worden. Voor een bewezenverklaring van het voorhanden hebben is immers niet vereist dat wordt vastgesteld wie het wapen daar heeft neergelegd of wie de economische eigenaar was. Het is ook niet gesteld of gebleken dat sprake was van een situatie waarin de verdachte onverhoeds of ongewild kortstondig een wapen of munitie van een ander in of voor handen heeft gekregen, terwijl hij redelijkerwijs daarvan niet direct afstand kon nemen. In dit verband is van belang dat verdachte blijkens het proces-verbaal van het arrestatieteam heeft geprobeerd weg te lopen van de auto en de politie. Daarmee heeft hij er geen blijk van gegeven afstand te willen nemen van het vuurwapen in vorenbedoelde zin.
De verdediging heeft nog aangevoerd dat het proces-verbaal van het arrestatieteam niet voor het bewijs kan worden gebruikt, omdat het tegenstrijdig zou zijn aan het proces-verbaal van observatie. Zoals hierboven reeds overwogen, is het Gerecht van oordeel dat niet zonder meer sprake is van tegenstrijdigheid, zodat dit verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.
Nu het vuurwapen was geladen met 24 patronen, volgt uit het voorgaande tevens dat de verdachte de bij het vuurwapen behorende munitie voorhanden heeft gehad.
Het Gerecht komt dan ook tot een bewezenverklaring van het voorhanden hebben van het vuurwapen dat in de auto is aangetroffen met de bijbehorende munitie.
Wist verdachte dat hij een machinegeweer in bezit had?
Het Gerecht zal de verdachte vrijspreken van de strafverzwarende omstandigheid van wetenschap dat het om een machinegeweer ging.
Vast staat dat het in beslag genomen pistool is voorzien van een vuur-selecteerapparaat en dus als een machinegeweer kan worden aangemerkt. Dat enkele feit is echter onvoldoende om vast te stellen dat verdachte daarvan ten tijde van het voorhanden hebben wetenschap had of redelijkerwijs had moeten hebben. Het Gerecht is van oordeel dat uit het dossier en het verhandelde ter zitting niet blijkt dat de verdachte ten tijde van het voorhanden hebben van het wapen wist dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het wapen was voorzien van een vuurregelaar.
De verdachte zal daarom van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.
Partiële vrijspraak van medeplegen
Verdachte dient ook te worden vrijgesproken van het onderdeel “tezamen en in vereniging”. Voor medeplegen is vereist dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de betrokken personen. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is niet gebleken van een dergelijke samenwerking tussen verdachte en een ander, in het bijzonder medeverdachte [medeverdachte 1]. Het enkele feit dat zij zich kort voordat het wapen werd aangetroffen in dezelfde auto bevonden, is niet voldoende. Zelfs als het wapen toebehoorde aan medeverdachte [medeverdachte 1] en deze het wapen daar had neergelegd, dan nog is niet gebleken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de beide verdachten en evenmin dat verdachte daar opzet op had.
Partiële vrijspraak voor patroonhouders en munitie in [adres 1]
Verdachte zal ook worden vrijgesproken voor de patroonhouders en de munitie die zijn aangetroffen in zijn woning. Het Gerecht is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van deze patronen en patroonhouders in zijn woning.
Daarbij is een aantal omstandigheden van belang. In de eerste plaats komt uit het dossier het beeld naar voren dat de woning van verdachte open stond voor familie, vrienden en buurtgenoten. Verdachte heeft dit verklaard, maar ook medeverdachte [medeverdachte 1] en de vrouw van verdachte verklaren dit. De vrouw van verdachte heeft zelfs verklaard dat ze hier wel eens discussie over heeft met verdachte, omdat zij geen privacy in huis heeft. Deze omstandigheid maakt dat niet kan worden uitgegaan van de algemene ervaringsregel dat een bewoner van een woning geacht wordt te weten wat zich in de woning bevindt.
Voorts is van belang dat de patronen en patroonhouders niet in het directe zicht zijn aangetroffen, maar verscholen. Anders dan bij het vuurwapen in de auto, kan dus niet gezegd worden dat het niet anders kan dan dat verdachte op de hoogte was van de aanwezigheid van deze goederen.
En ten slotte is van belang dat medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij de goederen in de woning van verdachte heeft neergelegd en dat verdachte daar niets van wist. Deze verklaring wordt door de inhoud van het dossier niet weerlegd.
Op grond van het voorgaande moet worden geconcludeerd dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte wetenschap had van en beschikkingsmacht had over de aangetroffen patroonhouders en de munitie. De verdachte zal daarom van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.
7 Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is voorzien bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening 1930 en strafbaar gesteld in artikel 11 van die verordening.
Het wordt als volgt gekwalificeerd:
Overtreding van een verbod gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening 1930.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten.
8 Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
9 Oplegging van straf
Bewezen is verklaard het voorhanden hebben van een vuurwapen gevuld met 24 patronen.
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren.
Het Gerecht overweegt als volgt.
Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
In dit geval heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een geladen vuurwapen. Het wapen beschikte over een lange patroonhouder, er zaten 24 patronen in de houder en het was mogelijk om volautomatisch met dit wapen te vuren. Het wapen lag schietklaar voor het grijpen. Een dergelijk feit veroorzaakt gevoelens van angst, onrust en onveiligheid in de kleinschalige samenleving van Curaçao, waar vuurwapenbezit niet zelden tot schietincidenten leidt met ernstige, soms ook dodelijke, afloop. Mede gelet op de problematiek tussen bendes op Curaçao waarbij het gebruik van wapens de laatste jaren is toegenomen, is dit een ernstig feit, waartegen streng dient te worden opgetreden. Het feit dat uit het onderzoek is gebleken dat het in de auto aangetroffen wapen bij eerdere schietincidenten is gebruikt, onderstreept het reële gevaar dat met het ongecontroleerde bezit van een dergelijk vuurwapen gepaard gaat.
Naar het oordeel van het Gerecht kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
In dat verband kan aansluiting worden gezocht bij de oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid van het Hof en de Gerechten in eerste aanleg zijn neerslag heeft gevonden. Daarin worden voor “vuurwapenbezit” onvoorwaardelijke gevangenisstraffen genoemd, variërend van 12 maanden (“bezit in de auto”) tot 36 maanden (voor een “zwaar vuurwapen”). Alhoewel de strafverzwarende omstandigheid van wetenschap van het feit dat het wapen volautomatisch kon schieten, niet aan de orde is, staat wel vast dat het aangetroffen wapen deze eigenschap bezit.
Ten voordele van de verdachte houdt het Gerecht rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals door de verdediging naar voren zijn gebracht. Verdachte is een bekende en professioneel actieve honkbalspeler die zich heeft ingezet voor de samenleving van Curaçao. Ook houdt het Gerecht rekening met het feit dat niet méér bewezen kan worden dan dat verdachte het vuurwapen kortstondig voorhanden heeft gehad. Alhoewel het dossier aanwijzingen bevat dat verdachte mogelijk een grotere rol speelt en dat hij zich al langer in kringen begeeft waar het gebruik van vuurwapens aan de orde is (zie o.a. politieonderzoek California), is dat in deze zaak niet aan het Gerecht voorgelegd en kan er daarom ook geen rekening mee worden gehouden.
Het feit dat verdachte blijkens de strafkaart op zijn naam van 30 januari 2026 nooit eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld, weegt niet in het voordeel van verdachte mee, omdat het niet plegen van strafbare feiten de norm is.
Alles afwegende, zal het Gerecht aan verdachte een gevangenisstraf opleggen van 30 maanden, waarvan 6 voorwaardelijk. Het voorwaardelijke strafdeel dient ertoe verdachte ervan te weerhouden in de toekomst wederom strafbare feiten te plegen.
Het Gerecht realiseert zich dat deze strafoplegging consequenties kan hebben voor de professionele sportcarrière van verdachte, maar het belang van normhandhaving weegt zwaarder.
10 In beslag genomen voorwerpen
In de auto van de verdachte is een pistool van het merk/model [vuurwapenmerk 1] van het kaliber 9x19mm, samen met een patroonhouder gevuld met vierentwintig patronen, aangetroffen. Daarnaast zijn in de woning van de verdachte twee patroonhouders aangetroffen, waarvan één gevuld, en drie kogels.
Deze voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Het bewezenverklaarde is begaan met de [vuurwapenmerk 1] met een patroonhouder gevuld met vierentwintig patronen. De twee overige patroonhouders en kogels zijn bij de gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte begane feit aangetroffen en kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke feiten.
Deze voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet. Het Gerecht zal deze voorwerpen daarom onttrekken aan het verkeer.
11 Voorlopige hechtenis
De officier van justitie heeft verzocht om bij uitspraak de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen.
De verdediging heeft verzocht dit verzoek af te wijzen.
Bij beschikking van 24 februari 2026 heeft het Hof de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte, onder het stellen van voorwaarden, geschorst. Het hof was daarbij van oordeel dat de ernstige bezwaren en gronden, waaronder de zes-jaarsfeit en de geschokte rechtsorde, met uitzondering van de recidivegrond, nog steeds aanwezig waren. Daarnaast heeft het hof geoordeeld dat na afweging van het strafvorderlijke belang tegen de persoonlijke belangen van de verdachte, dat de persoonlijke belangen in dit geval zwaarder moeten wegen.
Bij de beslissing of tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis wordt overgegaan, gaat het om een afweging van de belangen van strafvordering en de belangen van de verdachte. Bij het maken van die afweging staat voorop dat voorlopige hechtenis als ingrijpend dwangmiddel terughoudend moet worden toegepast. Verder moet tot uitgangspunt worden genomen dat de voorlopige hechtenis wordt geschorst als het doel dat – gelet op de grond of de gronden die aan het bevel tot voorlopige hechtenis ten grondslag ligt of liggen – in het concrete geval met de voorlopige hechtenis wordt nagestreefd, ook kan worden gerealiseerd door het stellen van voorwaarden in het kader van zo’n schorsing. Dat betekent dat de rechter pas tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis mag overgaan, als die opheffing noodzakelijk is gelet op het genoemde doel (ECLI:NL:HR:2025:987).
In het licht van het voorgaande ziet het Gerecht in dit geval geen aanleiding om de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen. Verdachte zat in voorlopige hechtenis op de zogenoemde ‘6-jaarsgrond’: er was sprake van een stevige verdenking van een feit waarvoor een gevangenisstraf van 6 jaar of meer kan worden opgelegd en de rechtsorde was daardoor geschokt. Inmiddels is verdachte sinds 24 februari 2026 geschorst. Daarbij is niet gebleken van grote weerstand binnen de samenleving van Curaçao, zodat niet gezegd kan worden dat die omstandigheid zou moeten leiden tot een opheffing van de schorsing. Daar komt bij dat niet is gebleken van omstandigheden die erop wijzen dat de verdachte zich niet aan de schorsingsvoorwaarden heeft gehouden. Verdachte is ter terechtzitting verschenen en heeft zich aldus beschikbaar gehouden voor politie en justitie. Het verzoek tot opheffing van de schorsing zal daarom worden afgewezen.
12 Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:19, 1:20, 1:21, 1:75, 1:76 en 1:224 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het Gerecht:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor bewezen geacht, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor omschreven;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de dertig [30] maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van deze straf een gedeelte, groot zes [6] maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, van drie [3] jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
-
een pistool van het merk/model [vuurwapenmerk 1] van het kaliber 9x19mm en een patroonhouder gevuld met vierentwintig patronen;
-
twee patroonhouders, waarvan één gevuld met zeventien patronen;
-
drie kogels;
wijst af het verzoek tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. I.L. Gerrits, bijgestaan door mw. L.H. Hoogenbergen, (zittingsgriffier), en op 11 september 2026 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Curaçao met een directe beeld- en geluidsverbinding met het gerechtsgebouw in Aruba.