Strafrecht overig
Curaçao. vrijspraak vuurwapenbezit; niet voldaan aan bewijsminimum; behoedzaam omgaan met door de verdachte…
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, 19 januari 2024
ECLI:NL:OGEAC:2024:320 · Gerecht in eerste aanleg van Curaçao · 19 januari 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerecht-in-eerste-aanleg-van-curacao/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-ogeac-2024-320
Zaakgegevens
Op 19 januari 2024 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
- Datum uitspraak
- 19 januari 2024
- Datum publicatie
- 22 juni 2026
- Zaaknummer
- 500.00232/23
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:OGEAC:2024:320
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Curaçao. vrijspraak vuurwapenbezit; niet voldaan aan bewijsminimum; behoedzaam omgaan met door de verdachte jegens zichzelf afgelegde belastende verklaringen.
Uitspraak
Parketnummer: 500.00232/23
Uitspraak : 19 januari 2024 Tegenspraak
Vonnis van dit Gerecht
in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats],
wonende in [woonplaats],
thans gedetineerd in het huis van bewaring in Curaçao.
Onderzoek van de zaak
Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2023 en 10 januari 2024. De verdachte is telkens verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. A. Tromp, advocaat in Curaçao.
De officier van justitie, mr. V. Girigoria-Hernandez, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van voorarrest.
Haar vordering behelst voorts de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen voorwerpen.
De raadsvrouw refereert zich ten aanzien van het ten laste gelegde aan het oordeel van het Gerecht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 14 augustus 2023, althans in of omstreeks de maand augustus 2023 in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, voorhanden heeft gehad een semi-automatisch aanvalsgeweer van het merk/model [nummer], kaliber 223/5.56mm in elk geval een vuurwapen, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, en/of munitie, althans een aantal scherpe patronen, 40 scherpe patronen kaliber .223, in elk geval munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930;
(artikel 3 jo 11 van de Vuurwapenverordening 1930)
Formele voorvragen
Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
Vrijspraak
Het Gerecht heeft uit het onderzoek op de terechtzitting niet door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. Het Gerecht overweegt daartoe als volgt.
De vraag die allereerst door het Gerecht dient te worden beantwoord is of aan het wettelijk bewijsminimum is voldaan. Het Gerecht zal die vraag ontkennend beantwoorden.
Daartoe wordt als volgt overwogen.
merk/model [nummer], kaliber 223/5.56mm in elk geval een vuurwapen, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, en/of munitie, althans een aantal scherpe patronen, 40 scherpe patronen kaliber .223, in elk geval munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930;
(artikel 3 jo 11 van de Vuurwapenverordening 1930)
Hij verklaart dat het vuurwapen niet van hem is; hij heeft tegen de politie gezegd om hem mee te nemen teneinde zijn moeder, zoon en partner te beschermen, nu de politie had gezegd iedereen die zich op dat moment in de woning bevond mee te zullen nemen. Hij verklaart dat hij het zich kan voorstellen dat zijn broer (op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt het Gerecht vast dat met de broer van de verdachte wordt bedoeld: {medeverdachte 2} (hierna:{medeverdachte 2})) ook wist waar het vuurwapen lag. Hij verklaart ook dat een vriend van zijn broer, een zekere “[medeverdachte 3]”, de verdachte, toegang heeft tot de woning te [adres].
Tijdens diens eerste verhoor op 22 augustus 2023 verklaart [medeverdachte 1] dat de eigenaar van het vuurwapen zich moet komen melden om zijn verantwoordelijkheid te nemen en dat zijn broer [medeverdachte 2] wel weet van wie het vuurwapen is. Hij verklaart dat [medeverdachte 3] een vriend van zijn broer [medeverdachte 2] is. Hij weet niet of [medeverdachte 2] iets te maken heeft met, of de eigenaar is van, het vuurwapen; daar kan zijn broer meer details over geven, aldus [medeverdachte 1].
Op 31 augustus 2023 heeft de verdachte zich bij de politie gemeld en zich in de positie gebracht dat hij als verdachte werd aangemerkt, werd aangehouden en in verzekering gesteld en dat tot op heden het dwangmiddel van voorlopige hechtenis jegens hem is toegepast. Verder schreeuwt de verdachte bij wijze van spreken om een veroordeling. Een en ander betekent echter niet dat het Gerecht de door de verdachte jegens zichzelf afgelegde belastende verklaringen automatisch tegen hem als bewijs heeft te bezigen. De verklaringen en de proceshouding van de verdachte roepen reeds op het eerste gezicht veel meer vragen op dan dat die afdoende antwoorden geven.
Ook in dit geval dient behoedzaam te worden omgegaan met de door de verdachte jegens zichzelf afgelegde belastende verklaringen en dient te worden bezien of deze verklaringen betrouwbaar en geloofwaardig zijn en of deze als bewijs tegen de verdachte kunnen worden gebezigd.
In dit verband overweegt het Gerecht als volgt.
Op 31 augustus 2023 heeft de verdachte zich gemeld bij de politie. Blijkens het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van bevinding bij voorgeleiding heeft de verdachte toen verklaard dat hij die ochtend werd gebeld door [medeverdachte 2]. [medeverdachte 2] wordt door justitie gezocht in verband met een vuurwapen dat de politie enkele dagen geleden in zijn woning te [adres] had aangetroffen. [Medeverdachte2] bood de verdachte een deal aan om zich tegen betaling op te gaan geven bij de politie, als zijnde de eigenaar van het desbetreffende inbeslaggenomen vuurwapen. De verdachte is vader van drie kinderen. Hij weet dat hij fout is, maar door geldnood had hij deze deal aangenomen. Hij is bang voor represailles en wenst bescherming voor zichzelf en voor zijn kinderen.
Het Gerecht heeft geen enkele aanleiding te twijfelen aan de inhoud, betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van deze verklaring en houdt de verdachte aan die verklaring. Dit geldt te meer nu, zoals hierna zal blijken, aan de verklaringen die de verdachte nadien bij de politie, bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting heeft afgelegd, geen peil valt op te trekken.
Tijdens diens eerste zaaksgericht verhoor op 31 augustus 2023 verklaart de verdachte in aanwezigheid van diens raadsvrouw dat hij ‘afgelopen zaterdag’ voor het laatst bij de familie [naam] is geweest. Hij verklaart dat hij de verantwoordelijkheid voor het vuurwapen op zich neemt naar aanleiding van een telefoontje dat hij had gekregen; hij werd door iemand opgebeld. Op de vraag door wie hij werd opgebeld, doet hij een beroep op zijn zwijgrecht. Gevraagd naar de inhoud van het desbetreffende gesprek verklaart hij dat men tegen hem heeft gezegd dat hij de verantwoordelijkheid voor het vuurwapen op zich dient te nemen en dat hij dat heeft gedaan uit geldnood. De persoon had tegen hem gezegd dat na zijn veroordeling het een en ander geregeld zou worden als tegenprestatie voor het op zich nemen van de verantwoordelijkheid voor het vuurwapen.
Ter gelegenheid van het horen op de vordering bevel bewaring op 8 september 2023 verklaart de verdachte dat hij in augustus 2022 werd beschoten. Een zekere {medeverdachte4} heeft hem het vuurwapen gegeven om daarmee de schutter af te schrikken. [medeverdachte 4] is eigenlijk de eigenaar van het vuurwapen en wil ook zijn verantwoordelijkheid nemen, aldus de verdachte.
Tijdens het onderzoek ter terechtzitting op 20 december 2023 heeft de verdachte verklaard dat hij het vuurwapen uiteindelijk heeft aangeschaft en dat hij meent dat dat ‘in augustus’ was. Hij heeft het vuurwapen van een kennis gekregen, te weten: [medeverdachte 4] of [medeverdachte 4].
Op 4 januari 2024 verklaart de verdachte bij de politie dat [medeverdachte 2] hem heeft opgebeld. Voor het eerst sinds zijn aanhouding op 31 augustus 2023 verklaart hij dan dat [medeverdachte2] hem had gevraagd of hij had gehoord wat er was gebeurd. [medeverdachte 2] zei tegen hem dat zijn broer werd aangehouden voor het vuurwapen waarvoor [medeverdachte2] hem al een keer had aangesproken dat hij het vuurwapen daar in de woning had achtergelaten. Hij zei toen ‘sorry’ tegen [medeverdachte 2] en dat hij het niet meer zou doen. Destijds had de verdachte het vuurwapen uit de woning van de familie [naam] gehaald. Nadien ging hij nog een keer naar de woning van [medeverdachte 2] om auto’s te wassen en had hij het vuurwapen toen weer achtergelaten. Dat is de reden waarom het vuurwapen tijdens de huiszoeking op 14 augustus 2023 werd aangetroffen. [Medeverdachte 2] had hem dus er al een keer over aangesproken dat hij het vuurwapen moest ophalen. [Medeverdachte 2] zei tegen de verdachte dat zijn broer nu door de schuld van de verdachte is aangehouden ter zake van het vuurwapen. Daarop heeft hij zich direct bij de politie gemeld, want hij voelde zich niet goed dat iemand anders door zijn schuld opgesloten zat.
Dat de verdachte het wapen een keer eerder had opgehaald en daarna weer in de woning van de familie [naam] heeft achtergelaten is nieuw. Hij legt deze verklaring af ruim vier maanden na zijn aanhouding. Verder vermag het Gerecht niet in te zien waarom een dergelijk gesprek met {medeverdachte 2} eerst in de ochtend van 31 augustus 2023 heeft plaatsgevonden, maar liefst 17 dagen na de huiszoeking, inbeslagname van het vuurwapen en de munitie en de aanhouding van de andere verdachte [medeverdachte 1], terwijl [medeverdachte 2] op 14 augustus 2023 tijdens deze politieactie in de woning te [adres] aanwezig was en terwijl de verdachte in zijn eerste verhoor op 31 augustus 2023 nog heeft verklaard ‘afgelopen zaterdag’ voor het laatst bij de woning van de familie [naam] is geweest.
In het desbetreffende verhoor van 4 januari 2024 verklaart de verdachte verder dat hij [medeverdachte4] in februari 2023 tegenkwam en dat hij het vuurwapen in februari 2023 of maart 2023 voor een bedrag van NAf 7.000,00 van [medeverdachte 4] had gekocht. [Medeverdachte 4] had hem het vuurwapen te koop aangeboden. Ongeveer een week voor de huiszoeking, derhalve op 5 of 6 augustus 2023, had hij het vuurwapen voor de tweede keer in de woning van de familie [naam] gelegd. Hij had het vuurwapen een keer eerder daar achtergelaten. Toen werd hij aangesproken door [medeverdachte 2] om het vuurwapen op te halen. Dat was ongeveer twee maanden voor de huiszoeking. De eerste keer had het wapen een dag in de woning van de familie [naam] gelegen en de tweede keer een week.
Op zijn beurt verklaart [medeverdachte 4] dat hij op 3 september 2023 is aangehouden. Drie of vier weken voor zijn aanhouding kwam hij de verdachte tegen. Hij vertelde de verdachte dat hij de verdachte in contact kon brengen met iemand met een vuurwapen. Hij heeft toen het telefoonnummer van {medeverdachte5} aan de verdachte gegeven. De verdachte heeft het vuurwapen van [medeverdachte 5] gekocht. [Medeverdachte 4] zelf heeft geen vuurwapen aan de verdachte verkocht.
Nadat de verdachte aanvankelijk verklaarde dat hij op verzoek van [medeverdachte 2] zich uit geldnood bij de politie kwam melden om de verantwoordelijkheid voor het vuurwapen op zich te nemen, heeft hij zeer inconsistente verklaringen afgelegd, met name over hoe en wanneer hij aan het wapen zou zijn gekomen. Op belangrijke details legt hij vele maanden na zijn aanhouding een verklaring af. Daarbij springt in het oog dat de verdachte op 4 januari 2024 heeft verklaard dat hij het vuurwapen eerder na door [medeverdachte 2] te zijn aangesproken over de aanwezigheid van het vuurwapen in de woning dat vuurwapen heeft opgehaald en het nadien nog een keer in de woning heeft achtergelaten. Die verklaring wordt gedaan nadat de andere verdachte [medeverdachte 1] op 29 december 2023 dienovereenkomstig heeft verklaard. Gelet op de vele twijfels die het Gerecht al heeft, de spijtbetuigingen en verontschuldigingen aan de familie [naam], en zijn schreeuw om te worden veroordeeld, valt evenmin uit te sluiten dat de verdachte zijn op 4 januari 2024 afgelegde verklaring in zoverre heeft afgestemd op wat [medeverdachte1] op 29 december 2023 heeft verklaard.
Het Gerecht concludeert dat de verklaringen van de verdachte weinig consistent zijn, wat in bijzondere mate afbreuk doet aan de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid ervan. De verdachte dient tegen zichzelf in bescherming te worden genomen. Het Gerecht zal zijn jegens zichzelf afgelegde belastende verklaringen daarom niet voor het bewijs gebruiken.
De omstandigheid dat de verdachte tijdens diens eerste verhoor op 31 augustus 2023 specifieke kenmerken van het vuurwapen, de patroonhouders, de munitie en de vindplaats daarvan wist te noemen, is meer dan logisch tegen de achtergrond dat hij zich verantwoordelijk moest stellen voor het vuurwapen. Hij kan zich immers niet bij de politie melden en vervolgens niet aan kunnen geven wat de specifieke kenmerken van het vuurwapen zijn. Het kan niet anders zijn dan dat dat is afgestemd met degene op wiens verzoek hij zich bij de politie is gaan melden. De omstandigheid dat de verdachte de desbetreffende specifieke kenmerken wist te noemen acht het Gerecht derhalve van onvoldoende gewicht om met overtuiging tot de conclusie te geraken dat de verdachte zich op 14 augustus 2023 schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie.
Waar de andere verdachte [Medeverdachte 1] tijdens diens verhoor op 22 augustus 2023 verklaart niet te weten of [medeverdachte 4], de verdachte, iets te maken heeft met het vuurwapen, verklaart hij in elk geval op 29 december 2023 voor het eerst bij de politie, na ruim 4,5 maanden in detentie te hebben doorgebracht, dat toen hij het vuurwapen voor het eerst in de woning zag, hij meteen zijn broer [medeverdachte 2] daarop had aangesproken en dat [medeverdachte 2} contact zou opnemen met [medeverdachte 4]. Daarna had [medeverdachte 1], aldus zijn op 29 december 2023 afgelegde verklaring, het vuurwapen tot de dag van de huiszoeking niet meer in de woning gezien.
Het Gerecht vermag niet in te zien waarom [medeverdachte 1] die verklaart onschuldig te zijn, in eerste instantie verklaart niet te weten of de verdachte iets met het vuurwapen te maken heeft en dan ineens met stelligheid de verdachte in verband brengt met het vuurwapen, waarna zoals gezegd, de verdachte zelf opvallend genoeg op 4 januari 2024 in zoverre in lijn met Lak verklaart. Het Gerecht zal daarom de door [Medeverdachte 1] op 29 december 2023 jegens de verdachte afgelegde belastende verklaring niet tot het bewijs jegens de verdachte bezigen.
Blijft over de inbeslagname op 14 augustus 2023 van het vuurwapen en de munitie, hetgeen onvoldoende is om daarom een veroordeling van de verdachte ter zake van het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie te baseren.
De slotsom van hetgeen hiervoor is overwogen, is dat de verdachte dient te worden vrijgesproken. Het Gerecht zal dienovereenkomstig beslissen.
BESLISSING
Het Gerecht:
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. S.A. Carmelia, bijgestaan door mr. O.H.M. Leito, zittingsgriffier, en op 19 januari 2024 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Curaçao.