Belastingrecht
Hoger beroep niet-ontvankelijk. Geen verschoonbare termijnoverschrijding.
Gerechtshof Amsterdam, 12 juni 2014
ECLI:NL:GHAMS:2014:3057 · Gerechtshof Amsterdam · 12 juni 2014
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/bestuursrecht/belastingrecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2014-3057
Zaakgegevens
Op 12 juni 2014 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 12 juni 2014
- Datum publicatie
- 1 augustus 2014
- Zaaknummer
- 13/00252 en 13/00253
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2014:3057
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Hoger beroep niet-ontvankelijk. Geen verschoonbare termijnoverschrijding.
Procesgang
Uitspraak · 2012
ECLI:NL:RBHAA:2012:3955Gerechtshof Amsterdam · 12 juni 2014deze uitspraak
ECLI:NL:GHAMS:2014:3057
Niet ontvankelijkNiet-ontvankelijkDe rechter behandelt de zaak niet inhoudelijk, omdat niet aan een formele eis is voldaan, bijvoorbeeld omdat iemand te laat is.Meer uitleg
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerken 13/00252 en 13/00253
12 juni 2014
uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X], te [Z], belanghebbende,
tegen de uitspraak in de zaken met de kenmerken AWB 12/2260 en 12/2261 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst Amsterdam, de inspecteur.
1 Ontstaan en loop van de gedingen
De inspecteur heeft met dagtekening 10 september 2011 aan belanghebbende voor het jaar 2008 een navorderingsaanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (ib/pvv) berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 47.077.
De inspecteur heeft met dagtekening 20 augustus 2011 aan belanghebbende voor het jaar 2008 een navorderingsaanslag opgelegd in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (zvw) berekend naar een bijdrage-inkomen van € 20.236.
Op het bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij uitspraken, gedagtekend 6 april 2012, de hiervoor vermelde aanslagen gehandhaafd.
Bij uitspraak van 28 november 2012, op dezelfde dag verzonden, heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 22 april 2013, aangevuld bij brief van 21 mei 2013. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
Daartoe door het Hof in de gelegenheid gesteld, heeft belanghebbende een conclusie van repliek ingediend, waarop door de inspecteur is gereageerd bij conclusie van dupliek.
Met dagtekening 25 april 2014 zijn nadere stukken ontvangen van belanghebbende. Deze zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2014. Het hoger beroep is ter zitting gelijktijdig behandeld met het hoger beroep van belanghebbende met kenmerk 13/00021. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2 Geschil in hoger beroep
In geschil is de ontvankelijkheid van het hoger beroep.
Wanneer het hoger beroep ontvankelijk is, is in geschil of het bij de rechtbank tot stand gekomen compromis rechtsgeldig overeen is gekomen, hetgeen belanghebbende bestrijdt. Wanneer het Hof tot het oordeel komt dat sprake is van een rechtsgeldig compromis, is vervolgens in geschil of belanghebbende in hoger beroep de juistheid van de aanslag alsnog kan betwisten.
Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding, alsmede het verhandelde ter zitting.
3 Beoordeling van het geschil
Ingevolge artikel 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in samenhang met artikel 6:24 Awb, is een hoger beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de in artikel 6:7 Awb genoemde termijn van zes weken is ontvangen, dan wel – bij verzending per post – indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd mits het niet later dan een week na het einde van de termijn is ontvangen.
De uitspraak van de rechtbank waartegen het hoger beroep van belanghebbende is gericht, is op 28 november 2012 verzonden. De termijn om hoger beroep in te stellen ving derhalve aan op 29 november 2012. De laatste dag van de hogerberoepstermijn is dan (woensdag) 9 januari 2013.
Het hogerberoepschrift is op 22 april 2013 bij het Hof binnengekomen. Gelet op het voorgaande is dit na het einde van de hogerberoepstermijn. In beginsel is het hoger beroep dan niet-ontvankelijk. Evenwel blijft op grond van artikel 6:11 van de Awb ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend hogerberoepschrift niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
Het Hof is van oordeel dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Belanghebbende heeft, tegenover de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, niet aannemelijk gemaakt dat hij wegens zijn gemoedstoestand niet in staat was het hogerberoepschrift binnen de hogerberoepstermijn in te dienen. Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat belanghebbende in de procedure voor het jaar 2009, waarin de rechtbank tegelijkertijd uitspraak heeft gedaan, wél tijdig een hogerberoepschrift heeft ingediend.
Slotsom
De slotsom is dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is zodat niet wordt toegekomen aan de inhoudelijke grieven van belanghebbende.
4 Kosten
Het Hof ziet, anders dan de inspecteur, geen aanleiding belanghebbende te veroordelen in de proceskosten. Op grond van artikel 8:75, eerste lid, derde volzin, van de Awb, kan een natuurlijk persoon slechts in de kosten worden veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Hiervan is het Hof niet gebleken.
5 Beslissing
Het Hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
De uitspraak is gedaan door mrs. J. den Boer, voorzitter, H.E. Kostense en J.A. van Horzen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. B.J.E. Lodder, als griffier. De beslissing is op 12 juni 2014 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1.. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.