Civiel recht overig

Hoger beroep in kort geding; 6:248 BW, 3:10 Wft. 5 Wwft; Kan de bank in verband met verdenking van…

Gerechtshof Amsterdam, 26 juli 2017

Zaakgegevens

Op 26 juli 2017 heeft het Gerechtshof Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
26 juli 2017
Datum publicatie
28 juli 2017
Zaaknummer
200.199.174/01
Procedure
Hoger beroep kort geding
Advocaat
onttrokken, mr. W. Heemskerk
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2017:3060
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Hoger beroep in kort geding; 6:248 BW, 3:10 Wft. 5 Wwft; Kan de bank in verband met verdenking van betrokkenheid bij witwassen de bankrelaties beëindigen? Maatstaf 6:248 lid 2; afweging van belangen tussen reputatie- en integriteitsrisico van de bank en de (on)mogelijkheid elders een bankrekening te openen en de dreigende gevolgen daarvan voor de voortzetting van de onderneming.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.199.174/01

zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : 5144199 KK EXPL 16-756

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 25 juli 2017

inzake

[appellant],

wonend te [woonplaats],

appellant,

advocaat: onttrokken

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te Den Haag,

geïntimeerde,

advocaat: mr. W. Heemskerk.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en de Staat genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 30 augustus 2016 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam, sector kanton (hierna: de kantonrechter), van 9 augustus 2016 onder bovengenoemd zaak- en rolnummer gewezen tussen de Staat als opposant en [appellant] als geopposeerde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven;

- memorie van antwoord, tevens houdende vordering tot restitutie.

[appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden (verzet)vonnis van 9 augustus 2016 (hierna: het bestreden vonnis) en bekrachtiging van het (verstek)vonnis van 29 december 2015 (hierna: het verstekvonnis), met – uitvoerbaar bij voorraad – beslissing over de proceskosten. De Staat heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis en - uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellant] tot (terug)betaling van het ingevolge het verstekvonnis door de Staat aan [appellant] betaalde bedrag van € 5.074,43, vermeerderd met rente, met beslissing over de proceskosten met rente en nakosten.

2 Feiten

2.1.

De kantonrechter heeft in het vonnis onder rechtsoverweging 1 de feiten opgesomd die zij bij de beoordeling van de zaak tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. De feiten komen neer op het volgende.

2.2.

Op 9 juli 2014 heeft een doorzoeking van de woonruimte van [appellant] plaats­ gevonden. Daarbij is strafrechtelijk beslag gelegd op zeventien paar schoenen voor een (geschatte) waarde van € 5.254,95 en een geldbedrag van € 899,41 (hierna: de goederen en het geldbedrag).

2.3.

[appellant] heeft op 23 juli 2014 op grond van artikel 552a Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) een klaagschrift ingediend, teneinde de goederen en het geldbedrag terug te ontvangen. De rechtbank Amsterdam heeft het klaagschrift ongegrond verklaard, met dien verstande dat het beklag met ingang van 1 mei 2015 gegrond diende te worden verklaard, indien [appellant] niet vóór 1 mei 2015 ter zake van de verdenking, waarvoor de huiszoeking had plaatsgevonden (handel in softdrugs vanuit de woonruimte), zou zijn gedagvaard.

2.4.

Op 30 april 2015 is [appellant] gedagvaard voor overtreding van de Opiumwet. Bij vonnis van 1 juni 2015 heeft de politierechter te Amsterdam de dagvaarding nietig verklaard. [appellant] is opnieuw gedagvaard voor de zitting van de politierechter te Amsterdam van 19 april 2016.

2.5.

Bij dagvaarding van 2 december 2015 heeft [appellant] bij voorziening gevorderd - kort gezegd - veroordeling van de Staat tot teruggave van de in beslag genomen goederen en het geldbedrag, op straffe van een dwangsom. De dagvaarding van [appellant] is betekend aan de Staat (Openbaar Ministerie) per exploot aan het parket van de Hoofdofficier van Justitie bij de rechtbank Amsterdam (hierna: de Hoofdofficier van Jusititie) per adres Parnassusweg 220 te Amsterdam.

2.6.

De vordering van [appellant] is door de kantonrechter te Amsterdam mondeling behandeld ter terechtzitting van 21 december 2015. De Staat is niet verschenen, noch heeft anderszins gereageerd. Bij vonnis van 29 december 2015 heeft de kantonrechter de vordering van [appellant] bij verstek toegewezen, waarbij de gevorderde dwangsom (op teruggave van de schoenen) is gemaximeerd op € 5.000,00. De Staat is in de proceskosten veroordeeld.

2.7.

Het verstekvonnis is op 7 januari 2016 door [appellant] aan de Staat betekend aan het parket van de Hoofdofficier van Justitie.

2.8.

Bij vonnis van de politierechter van 19 april 2016 (hierna: het vonnis van de politierechter) is [appellant] veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet en voor (kort gezegd) witwassen, waarbij de in beslag genomen goederen en het geldbedrag verbeurd zijn verklaard. Op 26 april 2016 heeft [appellant] tegen het vonnis van de politierechter van 19 april 2016 beroep ingesteld. Dat beroep loopt nog.

2.9.

Op 29 april 2016 is het verstekvonnis opnieuw aan de Staat betekend, nu bij exploot aan het parket van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden (hierna: het parket van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad) per adres Korte Voorhout 8 te Den Haag.

2.10.

Op 19 mei 2016 heeft de Staat de onderliggende stukken van de zaak van de deurwaarder of [appellant] ontvangen.

2.11.

Op 23 mei 2016 heeft De Staat het maximaal aan dwangsommen te verbeuren bedrag van € 5.000,00 vermeerderd met de explootkosten van € 74,43 via de deurwaarder aan [appellant] voldaan.

3 Beoordeling

3.1.1.

De Staat heeft in eerste aanleg gevorderd dat de kantonrechter het verstekvonnis vernietigt en opnieuw rechtdoende de in dit vonnis toegewezen vordering van [appellant] tot teruggave van de goederen en het geldbedrag alsnog afwijst, met - uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten.

De Staat heeft als grondslag voor zijn vordering aangevoerd dat de vordering van [appellant] moet worden afgewezen, omdat de inbeslaggenomen goederen en het geldbedrag bij vonnis van de politierechter van 19 april 2016 verbeurd zijn verklaard en in strijd met dit vonnis zou worden gehandeld wanneer de goederen en het geldbedrag aan [appellant] zouden worden teruggegeven. De Staat heeft de dwangsommen die hij ingevolge het verstekvonnis zou hebben verbeurd enkel voldaan omdat hij eerst op 29 april 2016 bekend werd met het verstekvonnis en tijd nodig had om uit te zoeken hoe dat vonnis tot stand was gekomen. De betaling kon door [appellant] dan ook niet worden opgevat als een berusting in het verstekvonnis. Nu het verstekvonnis pas op 29 april 2016 voor het eerst rechtsgeldig aan de Staat is betekend, heeft hij op 27 mei 2016 tijdig verzet ingesteld, aldus nog steeds de Staat.

3.1.2.

[appellant] heeft in eerste aanleg het verweer gevoerd dat de Staat niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de betekeningen door [appellant] aan de Staat van de inleidende dagvaarding (van 2 december 2015) en het verstekvonnis aan het parket van de Hoofdofficier van Jusititie als rechtsgeldig moeten worden beschouwd omdat het OM geldt als materiële procespartij van [appellant] in de onderhavige procedure. Nu het verstekvonnis derhalve al op 7 januari 2016 (via het parket van de Hoofdofficier van Justitie) aan de Staat is betekend, is de verzetdagvaarding van 27 mei 2017 te laat uitgebracht. Bovendien heeft [appellant] uit de betaling van de dwangsommen door de Staat mogen afleiden dat hij in het verstekvonnis berustte. Voorts brengt de nietigheid van de door het OM uitgebrachte dagvaarding van 30 april 2015 in de strafrechtelijke procedure (zie rechtsoverweging 2.4) met zich dat de Staat de goederen en het geldbedrag aan [appellant] moet teruggeven. Daarbij heeft [appellant] tegen het vonnis van de politierechter hoger beroep ingesteld, zodat de verbeurdverklaring geen formele rechtskracht heeft gekregen, aldus nog steeds [appellant].

3.1.3.

De kantonrechter heeft het verstekvonnis vernietigd en de vorderingen van [appellant] (tot teruggave van de goederen en het geldbedrag) afgewezen, onder veroordeling van [appellant] in de proceskosten. Daartoe heeft zij overwogen dat het verzet tijdig is ingesteld, nu artikel 48 Rv voorschrijft dat een exploot voor de Staat moet worden betekend aan het parket van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad. Nu een rechtsgeldige betekening eerst heeft plaatsgevonden op 29 april 2016, heeft de Staat op 27 mei 2016 tijdig verzet ingesteld. De betaling door de Staat van de dwangsommen mocht door [appellant] niet worden opgevat als een berusting in het verstekvonnis, omdat het voldoen aan een vonnis niet zonder meer impliceert dat in dit vonnis wordt berust, temeer daar de Staat heeft aangevoerd bij de betaling aan de deurwaarder te hebben aangekondigd in verzet te zullen gaan. Nu de goederen en het geldbedrag ingevolge het vonnis van de politierechter verbeurd zijn verklaard, kan de Staat niet meer aan het vonnis voldoen omdat verbeurdverklaarde goederen niet aan de oorspronkelijke eigenaar mogen worden geretourneerd, aldus nog steeds de kantonrechter.

3.2.

Grief 1 is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de Staat tijdig in verzet is gekomen.

De grief slaagt niet. De leden 2 en 3 van artikel 143 Rv bepalen - voor zover hier van belang - dat verzet moet worden gedaan binnen vier weken ofwel (1) na de betekening van het vonnis aan de veroordeelde in persoon, ofwel (2) na het plegen door de veroordeelde van enige daad waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging hem bekend is, ofwel (3) de dag waarop het vonnis ten uitvoer is gelegd. Uit artikel 48 Rv volgt dat betekening ten aanzien van de Staat in persoon (enkel) kan geschieden door betekening aan het parket van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad, onder afgifte van een afschrift van het voor de Staat bestemde exploot aan de persoon bij het parket die daartoe is aangewezen. Tussen partijen is niet in geschil dat een betekening van het verstekvonnis aan de Staat in persoon als bedoeld in artikel 48 Rv eerst op 29 april 2016 heeft plaatsgevonden. Nu [appellant] niet betoogt dat de verzettermijn in het onderhavige geval is begonnen te lopen op één van de hierboven onder 2 en 3 aangeduide tijdstippen, brengt de datum van betekening van het verstekvonnis op 29 april 2016 derhalve met zich dat de Staat hiertegen bij exploot van 27 mei 2016 tijdig verzet heeft ingesteld. Anders dan [appellant] betoogt kan de betekening door [appellant] van het verstekvonnis aan de Staat op 7 januari 2016 aan het parket van de Hoofdofficier van Justitie, niet worden gelijkgesteld met een betekening aan de Staat in persoon als bedoeld in artikel 48 Rv. Met name volgt dit niet uit het arrest van de Hoge Raad van 1 juli 1976 (NJ 1976, 452) waarop [appellant] zich beroept. In die zaak is weliswaar de Officier van Justitie zelf in rechte betrokken (in een civielrechtelijk kort geding over de rechtmatigheid van een voorlopige hechtenis), maar hieruit volgt nog niet dat de Staat via de Officier van Justitie kan worden gedagvaard of aan de Officier van Justitie een exploot voor de Staat kan worden betekend. De verzettermijn is derhalve niet na de betekening van het verstekvonnis op 7 januari 2016 gaan lopen. Hetgeen [appellant] voor het overige aanvoert maakt dit oordeel niet anders. Het voorgaande heeft tot gevolg dat de kantonrechter de Staat terecht heeft ontvangen in zijn vordering.

3.3.

Grief 2 is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de verbeurdverklaring van de goederen en het geldbedrag met zich brengt dat de Staat niet kan worden veroordeeld tot teruggave hiervan aan [appellant].

De grief slaagt niet. Dat het vonnis van de politierechter nog niet onherroepelijk is, laat - zolang dit vonnis bestaat - onverlet dat de goederen en het geldbedrag thans verbeurd zijn verklaard en de Staat ze dus niet aan [appellant] mag afgeven. Dat hierover in hoger beroep mogelijk anders wordt geoordeeld, maakt dit niet anders. Het oordeel van de kantonrechter is dus juist.

3.4.

Het falen van de grieven brengt met zich dat het bestreden vonnis in beginsel moet worden bekrachtigd.

3.5.

De Staat heeft in zijn memorie van antwoord gevorderd [appellant] te veroordelen tot (terug)betaling van een bedrag van € 5.074,43, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 mei 2016 tot aan de dag der voldoening. Als grondslag voor deze vordering voert de Staat aan dat hij dit bedrag aan [appellant] heeft voldaan ter uitvoering van het verstekvonnis, maar dat door de vernietiging van dit vonnis is komen vast te staan dat dit bedrag onverschuldigd is betaald. Nu de Hoge Raad een dergelijke vordering niet beschouwt als een zelfstandige vordering maar als een sequeel van de vernietiging van het vonnis, wordt de vordering niet getroffen door het verbod voor het eerst in hoger beroep een vordering in reconventie in te stellen, aldus nog steeds de Staat.

Nu [appellant] nog niet op de eerst bij memorie van antwoord ingestelde vordering van de Staat heeft kunnen reageren, wordt hij in de gelegenheid gesteld dit alsnog bij akte te doen. Omdat de Staat de vordering al heeft kunnen toelichten, zal hij niet in de gelegenheid worden gesteld zich vervolgens bij antwoordakte uit te laten.

4 Beslissing

Het hof:

stelt [appellant] in de gelegenheid om ter rolle van 22 augustus 2017 een akte te nemen als hiervoor onder rechtsoverweging 3.5 bedoeld;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.R. van Harinxma thoe Slooten, J.C. Toorman en C.C. Meijer en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2017.