Civiel recht overig

Gerechtshof Amsterdam · Hoger beroep · Civiel recht overig

Gerechtshof Amsterdam, 20 juli 2000

Zaakgegevens

Op 20 juli 2000 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
20 juli 2000
Datum publicatie
4 april 2013
Zaaknummer
1188-98 KG
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2000:AH8197
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Voor deze uitspraak is nog geen samenvatting beschikbaar.

Uitspraak

20 juli 2000 Bij vervroeging

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

VIERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

UNITED STAR PROMOTION B.V.,

gevestigd te Eindhoven,

APPELLANTE,

procureur: mr. E.V. Brunings,

t e g e n

de gemeente ALKMAAR,

waarvan de zetel is gevestigd te Alkmaar, GEÏNTIMEERDE,

procureur: mr. C. Ch. Mout.

1. Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna USP, respectievelijk de Gemeente genoemd.

1.2.

Bij exploit van 12 oktober 1998 is USP in hoger beroep gekomen van het vonnis van de president van de Arrondissementsrechtbank te Alkmaar, dat onder rolnummer 34874 KG 321/98 is gewezen tussen USP als eiseres en de Gemeente als gedaagde en is uitgesproken op 1 oktober 1998.

1.3.

Bij memorie heeft USP twee grieven tegen het vonnis waarvan beroep aangevoerd, haar eis gewijzigd, bewijs aangeboden en geconcludeerd, dat het hof het vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de Gemeente zal veroordelen:

I. aan USP opgave te doen van de dagen in het lopende alsmede in het komende seizoen, waarop zij haar theaterruimte in het kultureel centrum De Vest nog niet voor haarzelf of ten behoeve van anderen heeft gereserveerd;

II. met betrekking tot de door USP gewenste nog niet ten behoeve van de Gemeente of anderen gereserveerde dagen aan USP een zaal te verhuren c.q. ter beschikking te stellen onder de gebruikelijke voorwaarden, zulks onder verbeurte van een dwangsom van f 50.000,-- voor het geval de Gemeente daarmee in gebreke blijft binnen 48 uur na betekening van het arrest;

III. in de kosten van het geding in beide instanties.

1.4.

Daarop heeft de Gemeente bij memorie van antwoord, met produkties, zich verzet tegen de gevorderde eiswijziging, de juistheid van de grieven bestreden, bewijs aangeboden en geconcludeerd tot

1.5.

bekrachtiging van het vonnis en tot afwijzing van de

(ten onrechte) gewijzigde

vorderingen,

met

veroordeling van USP in de kosten van het hoger beroep.

1.6.

Beide partijen hebben

vervolgens

haar

standpunten doen bepleiten ter terechtzitting van het hof van 26 april 2000, USP door haar procureur, de Gemeente door mr. H.R.M. Jenné, advocaat te Alkmaar, beiden aan de hand van nadien overgelegde pleitnotities. Vertegenwoordigers van partijen, onder wie de directeur van De Vest en [naam 1] , hebben bij die gelegenheid vragen van het hof beantwoord. Voorts is van de zijde van de Gemeente een akte genomen waarbij het Bedrijfsplan De Vest 1998-2002 en het desbetreffende Managementstatuut in het geding zijn gebracht.

1.7.

Op verzoek van het hof heeft de Gemeente bij brief van 19 mei 2000 nadere inlichtingen verstrekt omtrent verhuur van zalen in De Vest vanaf 1997.

1.8.

Daarop heeft USP bij gereageerd.

brief van 8 juni 2000

1.9.

Beide partijen hebben de stukken van het geding in beide instanties aan het hof overgelegd voor het wijzen van arrest. De inhoud van deze stukken geldt als hier ingevoegd.

2. Grieven

Voor de inhoud van de twee grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

3. Feiten

De president heeft in rechtsoverweging 1. van het vonnis onder 1.1. tot en met 1.3. een aantal feiten als tussen partijen vaststaand aangenomen. Tegen die vaststelling zijn geen grieven gericht, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

4. [afbeelding niet beschikbaar]Verzet wijziging eis

4.1.

De Gemeente heeft zich verzet tegen de in hoger beroep gewijzigde eis met het argument dat USP dusdoende de grondslag van de inleidende dagvaarding heeft verlaten.

4.2.

Het verzet is ongegrond. Niet aannemelijk is dat deze verandering van eis de verdediging onredelijk bemoeilijkt of het geding onredelijk vertraagt.

5. [afbeelding niet beschikbaar]Waar het in dit geding om gaat

5.1.

Het hof neemt, als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd betwist, alsmede op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde bescheiden, de volgende feiten tot uitgangspunt.

a. De Gemeente heeft het te Alkmaar gelegen cultureel centrum De Vest in beheer. Zij heeft de beslissingsbevoegdheid met betrekking tot de programmering overgelaten aan de door haar aangestelde directie. In het 'Beleidsplan "de Vest" 1993-1997' van februari 1993 (produktie 5 van de zijde van de Gemeente in eerste aanleg, p. 22) heeft

b.

de Gemeente dit als volgt samengevat: "Het artistieke

beleid van "de verantwoordelijkheid

Vest" van de

is een directeur

autonome van het

cultureel centrum. Wij onderstrepen de uitgangspunten diversiteit, kwaliteit en actualiteit."

c. In het 'Managementstatuut Gemeentelijke

d.

Cultuurbedrijven' 1999, p. 3 en 5)

meer vermeld:

(definitieve versie van januari is met betrekking tot De Vest onder

"I. Voorstellingen Theater De Vest

1. Neemt de Directie dé inspanningsverplichting op zich om 240 professionele podiumkunsten-

2.

voorstellingen te programmeren in waarbij een minimum geldt

De Vest,

van 210

voorstellingen.

Grondslag

voor deze

programmering wordt gevormd door de in het bedrijfsplan van De Vest gehanteerde opsomming van product-markt-combinaties (...) .

3. De professionele podiumkunsten programmering biedt een kwalitatieve en representatieve staalkaart van het op de Nederlandse markt

4.

verkrijgbare aanbod (...).

professionele

podiumkunsten-

5. Bij de programmering geldt de volgende

onderverdeling in genres, waarbij ook hier een inspanningsverplichting en· een minimumniveau van toepassing is.

Inspanningsverplichting

Minimumniveau

Theater

28%

24%

Muziek

23%

20%

Cabaret

19%

16%

Muziektheater

22%

19%

Dans

(...)

8%

6%

VI.

Verhuur van ruimten

Theater

De

Vest

13. Ten aanzien van de culturele verhuur van De Vest in dagdelen geldt het volgende:

14.

Inspannings-

. verplichting

Grote zaal 55

(...)

Minimum-niveau 46

15. Ten aanzien van de commerciële verhuringen, ook die een besloten ,karakter dragen, in De Vest geldt dat hetgeen in de zalen plaatsvindt niet indruist tegen de goede zeden en in overeenstemming is met de doelstellingen van het Theater, een en ander ter beoordeling van

de directeur van Theater De Vest.

(...)

IX. Financiële relatie

24. Het college (van burgemeester en Wethouders, hof) stelt jaarlijks middelen ter beschikking conform de door de gemeenteraad vastgestelde jaarbegroting.

Uitgangspunt daarbij is dat uitsluitend de basisvoorzieningen, die benodigd zijn voor het uitvoeren van genoemde activiteiten, zullen worden gefinancierd.

Onder basisvoorzieningen wordt in dit kader verstaan:

de salariskosten van het personeel vermeerderd met een toeslag (...)

de kosten van gebouw en inventaris

(...)

de kosten van toegerekende overhead, die gefinancierd wordt in de vorm van een genormeerd bedrag per formatieplaats

Voor het uitvoeren van de activiteiten genoemd in de punten 1 t/m 23 (...) [dient] Theater De Vest (...) zelf de inkomsten te verwerven (...)"

De culturele verhuur als bedoeld onder punt 13 betreft verhuur aan amateurgezelschappen op basis van uitkoop en partage.

e. Het 'Bedrijfsplan De Vest 1998-2002' (definitieve versie januari 1999, p. 10 onder 3.1.) houdt onder meer in als doelstelling van De Vest: "Het verzorgen van een breed, gevarieerd en actueel kwaliteitsaanbod op het gebied van de professionele podiumkunsten voor een breed publiek" .

In dit Bedrijfsplan is voorts vermeld (p. 15):

"Amusement

Er blijft een overvraag bestaan naar amusements-producties, mede veroorzaakt door het relatief beperkte aantal stoelen in de grote zaal. Meer amusement gaat in de huidige situatie echter ten koste van het overige aanbod, ook vanwege de overloop door de capaciteits-problemen van de Hooge Huys Zaal."

f. .USP is een zogenaamde vrije theaterproducent, die namens en in overleg met [naam 1] , die optreedt onder de artiestennaam [naam 2] , diens optredens voorbereidt en daartoe onder meer zalen huurt. USP heeft aan de directie van De Vest verzocht de theaterzaal (grote zaal) van het complex in 1998 (voor één avond) tegen de gebruikelijke tarieven ter beschikking te stellen ten behoeve van een door [naam 2] te verzorgen hypnose-show.

g. Bij brief van 3 juli 1998 heeft de directeur van De Vest dit verzoek afgewezen. Deze brief houdt onder meer in:

"Wat betreft mogelijk beschikbare vrije dagen in het seizoen 1998-1999 heb ik in het telefoongesprek van 5 juni jl. opgemerkt dat het mijns inziens weinig zin heeft naar mogelijk vrije dagen te zoeken, omdat de discussie

niet over vrije dagen gaat maar over de programmeer- en contracteervrijheid van de directie van Theater De Vest.

In de Alkmaarse situatie vindt deze vrijheid z'n grondslag in het door de gemeenteraad van Alkmaar vastgestelde beleidsplan van De Vest {februari 1993}. In dit beleidsplan wordt de beslissingsbevoegdheid ten aanzien van de programmering en daarmee de contractering nadrukkelijk overgelaten aan de directie van De Vest.

Ik zal mijn weigering om de [naam 2] Show het komende theaterseizoen in De Vest te plaatsen nader toelichten:

Al eerder, in mijn brief van 10 juli 1997, maakte ik melding van het feit dat de bezoekers van De Vest geen onderscheid kunnen maken tussen de eigen programmering van De Vest en een verhuring. Dit zou tot het misverstand kunnen leiden dat het publiek denkt dat ook verhuuravonden door ons geprogrammeerd worden. Vandaar dat ik mijn artistieke beleidsvrijheid ook van toepassing laat zijn op verhuringen.

Een en ander zal ik nader motiveren:

De Vest heeft tot opdracht een breed kwaliteitsaanbod op de planken te zetten. Het is aan de directie van De Vest te bepalen wat 'kwaliteitsaanbod' is in deze.

Een van de kenmerken van het aanbod van De Vest is de uitgekiende mix van genres. De laatste tijd en zeker de komende jaren proberen wij in toenemende mate het culturele gehalte van onze programmering en ons imago te verhogen door accenten te leggen op voorstellingen als moderne dans en toneel.

Alles wikkend en wegend kom ik voor het seizoen 1998-1999 tot de conclusie dat de [naam 2] Show als

�entertainment/familievoorstelling niet past in het inmiddels gepubliceerde, totale aanbod van De Vest.

Het enkele feit dat u in het verleden wel in De Vest heeft opgetreden, biedt u geen garanties voor de toekomst.

Dat geldt voor u, dat geldt voor alle aanbieders op de theatermarkt.

Het samenstellen van een cultureel seizoen is een complexe aangelegenheid, er moeten vele keuzes gemaakt worden. Ik streef naar een uitgebalanceerd aanbod aan het publiek. Voor het seizoen 1998-1999 valt daarbij de keuze niet op de [naam 2] Show, op welke contractbasis dan ook.

Mag ik u tenslotte verzoeken uw aanbod met betrekking tot het seizoen 1999-2000 tijdig aan ons toe te sturen?

Globaal genomen programmeren wij in de maanden januari

t/m maart voor het seizoen daaropvolgend."

h. Sinds oktober 1999 is het cultureel centrum De Vest gesloten wegens een zeer ingrijpende verbouwing, welke tot in ieder geval november 2000 zal

i.

voortduren. De programmering voor het november 2000 tot zomer 2001 is voltooid.

seizoen

5.2.

USP heeft aan haar vorderingen het volgende ten grondslag gelegd. De directie van De Vest vindt de [naam 2] Show niet passend. Daarmee heeft zij een oordeel uitgesproken over de inhoud van de show. Het staat de Gemeente, als de instantie die De Vest controleert, niet vrij verhuur te weigeren, omdat dit inhoudelijke oordeel neerkomt op een toetsing door de overheid van het openbaren van bepaalde gedachten. Zodanige toetsing is in strijd_ met de Grondwet en levert een inbreuk op het grondrecht van vrijheid van meningsuiting van [naam 2] . De Gemeente handelt tevens in strijd met beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder met het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur. Op deze gronden heeft USP in eerste aanleg gevorderd, kort gezegd, de Gemeente te veroordelen om aan USP in het najaar van

5.3.

1998 de theaterzaal van De Vest te verhuren, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

5.4.

De Gemeente heeft de vorderingen en de juistheid van de grondslag daarvan bestreden.

5.5.

De president heeft de vorderingen afgewezen. Daartegen komt USP met twee grieven op. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Zij beogen het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen.

5.6.

USP heeft in hoger beroep bij op 4 maart 1999 genomen memorie haar vorderingen gewijzigd als onder

1.3.

is weergegeven. De gewijzigde vorderingen

strekken ertoe te bereiken dat een voorstelling van de [naam 2] Show in het lopende of in het komende seizoen (dat is derhalve: het seizoen 1999-2000 of het seizoen 2000-2001} in De Vest kan plaatsvinden.

6. Beoordeling

6 .1. De vorderingen in eerste aanleg betreffen een reeds verstreken periode waarin verhuur zou moeten plaatsvinden. USP heeft thans in ieder geval geen belang meer bij een voorlopige voorziening die op net

7

seizoen 1998-1999 betrekking oorspronkelijke vorderingen zijn

heeft. niet

De· meer

toewijsbaar. In zoverre kunnen de grieven niet tot vernietiging van het vonnis leiden.

7.2.

Ten aanzien van de in hoger beroep gewijzigde

I

vorderingen, die betrekking hebben op het lopende en

het komende seizoen ontbreekt een voldoende spoedeisend belang. Vaststaat dat De Vest thans is gesloten en eerst vanaf november 2000 weer voor het publiek open gaat. Niet is gesteld of gebleken dat USP voor het seizoen 2000-2001 een verzoek tot verhuur van de zaal heeft ingediend. De directeur van De Vest heeft ter terechtzitting van het hof medegedeeld dat iedere aanvraag opnieuw en op de eigen merites wordt beoordeeld, hetgeen, mede gelet op hetgeen is vermeld aan het slot van de brief van 3 juli 1998 (vermeld in rechtsoverweging 5.1. onder e.) aannemelijk is. In deze omstandigheden is er geen grond voor een onverwijlde voorlopige voorziening. Ook de gewijzigde vorderingen zijn niet toewijsbaar.

7.3.

USP heeft belang behouden bij een beoordeling van de grieven in verband met de proceskosten. Omtrent die beoordeling van het geschil geldt het volgende.

7.4.

Voorop staat dat, zoals de president met juistheid heeft overwogen, USP een eigen belang heeft in rechte op te komen tegen het besluit van de directeur van De Vest de zaal niet te verhuren ten behoeve van de [naam 2] Show. Niets verzet zich ertegen dat USP daarbij een beroep doet op aantasting van de vrijheid van meningsuiting van [naam 2] . Het verweer van de Gemeente dat USP niet kan opkomen voor de vrijheid van meningsuiting van [naam 2] gaat niet op.

7.5.

Niet in discussie is dat de directeur ten aanzien van de eigen programmering de artistieke vrijheid heeft op kwalitatief-inhoudelijke gronden

7.6.

een keuze te maken uit de aangeboden voorstellingen. Evenmin is in geschil dat USP ten behoeve van de [naam 2] Show geen verzoek heeft gedaan of wenst te doen om in de programmering van De Vest te worden opgenomen.

7.7.

Het gaat bij commerciële verhuur van een zaal in De Vest voor openbare of bi-sloten voorstellingen om verhuur op zogenaamde 'vrije dagen', dat zijn dagen die voor verhuur beschikbaar zijn, omdat zij niet worden gevuld met de eigen geprogrammeerde voorstellingen en voorstellingen van amateurgenootschappen (culturele verhuur).

7.8.

[afbeelding niet beschikbaar]De weigering van de directeur van De Vest om een zaal op een vrije dag aan USP te verhuren ten behoeve van de [naam 2] Show is uitdrukkelijk niet gebaseerd op een oordeel over de aard, de inhoud of de kwaliteit van de voorstelling. Dat blijkt uit de desbetreffende brief van de directeur aan USP (rechtsoverweging 5.1. onder e.) en is namens de Gemeente in de procedure een en ander maal gesteld en ook door de directeur ter terechtzitting van het hof verklaard. Het hof heeft, mede gelet op de beantwoording door de vertegenwoordigers van partijen van vragen van de kant van het hof, geen reden daaraan te twijfelen. Het is dan ook niet aannemelijk geworden dat inhoudelijke bezwaren tegen de hypnose-

7.9.

show van [naam 2] het motief voor

de weigering

.

vormden en evenmin dat het besluit tot weigering enige vorm van censuur beoogde.

7.10.

De vrijheid die de directeur van De Vest heeft om op vrije dagen de theaterzaal op andere gronden

7.11.

dan die te maken hebben met de inhoud en kwaliteit van de voorstelling niet te verhuren aan vrije producenten als USP is niet onbeperkt. Mede in

verband met de functie van De Vest als gemeentelijk

\

cultureel centrum en de omstandigheid dat het gebouw met theater-outillage door de gemeente wordt gefinancierd behoort het besluit tot weigering een zaal te verhuren, waardoor USP niet kan beschikken over • de kennelijk ter plaatse meest geschikte faciliteit, te voldoen aan algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

ö.9. Ter terechtzitting van het hof heeft de directeur verklaard dat in De Vest de zalen in principe niet commercieel worden verhuurd ten behoeve van voorstellingen van vrije producenten, maar gebruikelijk alleen ten behoeve van congressen, bedrijfsfeesten e.d., mede vanwege de financiële aantrekkelijkheid daarvan voor De Vest. Hij heeft gesteld dat op dit beleid in het afgelopen jaar geen uitzondering is gemaakt en dat bijvoorbeeld ook een verzoek tot verhuur van theaterruimte ten behoeve van een kindervoorstelling van een vrije producent is afgewezen. Uit de op verzoek van het hof alsnog overgelegde gegevens over de jaren 1997 tot en met februari 2000, waarvan de juistheid niet door USP is bestreden, blijkt dat deze stelling wordt ondersteund door de feiten. Vooralsnog is dus niet aannemelijk

geworden dat

USP

op willekeurige wijze

wordt

onthouden wat

aan

andere vrije producenten

wordt

toegestaan.

Er

ontbreekt derhalve

enig

aanknopingspunt voor een vermoeden dat De Vest de voorstelling van [naam 2] in feite toch omwille van de inhoud heeft geweigerd.

6.10.

Uit de gemotiveerde schriftelijke weigering bij brief van 3 juli 1998 (rechtsoverweging 5.1. onder e.) blijkt dat de directeur het tot zijn taak rekent bij de invulling van de vrije dagen rekening te houden met het totale aanbod aan het publiek van de geprogrammeerde voorstellingen. Uit die brief, zoals ter terechtzitting door de directeur nog eens toegelicht, moet worden afgeleid dat de als entertainment/familievoorstelling te kwalificeren [naam 2] Show niet in aanmerking kwam, omdat er in het bewuste seizoen al een zodanig aantal amusementsvoorstellingen was geprogrammeerd, dat de uitgekiende mix van genres zou worden verstoord. Volgens de Gemeente kan een 'teveel' aan amusementsvoorstellingen tot gevolg hebben dat andere, door De Vest geprogrammeerde, familievoorstellingen een geringere belangstelling van het publiek trekken, met de financiële consequenties van dien voor De Vest, die blijkens het Managementstatuut (rechtsoverweging 5.1. onder b.) voor het uitvoeren van de activiteiten zelf de inkomsten moet verwerven. Op voorhand kan niet gezegd worden dat de directeur, door vorenstaande overwegingen bij zijn beoordeling van het verzoek te betrekken, onzorgvuldig heeft gehandeld. Dat de [naam 2] Show "uniek is in zijn soort" en "een heel eigen - uniek - publiek" trekt, waardoor de programmering van De Vest wellicht maar in beperkte mate concurrentie ondervindt (pleitnotitie van de zijde van USP in hoger beroep onder 7.), maakt dit niet anders.

6.11.

6.12.

Ook overigens is niet aannemelijk gemaakt dat de weigering in strijd is met andere beginselen van behoorlijk bestuur.

6.13.

In dit kort geding is dan ook niet aannemelijk geworden dat de directeur in redelijkheid de bedoelde beslissing niet heeft kunnen nemen.

6.14.

In de geschetste omstandigheden kan niet worden gezegd dat de Gemeente op ontoelaatbare wijze de uiting van het gedachtengoed van [naam 2] heeft gefrustreerd of dat de Gemeente diens voorstelling alleen in schijn niet omwille van de inhoud heeft geweerd.

6.15.

Hetgeen USP, ook in hoger beroep, nog heeft aangevoerd kan niet tot een andere beslissing leiden. In het bijzonder is niet aannemelijk gemaakt dat de vrees van USP dat haar door De Vest (of in het algemeen door soortgelijke culturele centra) bij voorbaat niet meer de mogelijkheid geboden wordt om een zaal te huren gerechtvaardigd is. Voor (verdere) bewijslevering is in dit kort geding geen plaats.

7. Slotsom

7.1.

De grieven falen. Het vonnis waarvan beroep moet worden bekrachtigd. De in hoger beroep gewijzigde vorderingen moeten worden afgewezen.

7.2.

USP zal, als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van het geding worden veroordeeld.

7.3.

8. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

wijst de in hoger beroep gewijzigde vorderingen af;

veroordeelt USP in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van de Gemeente begroot op f 5.540,--;

verklaart dit arrest, voorzover het vorenstaande kostenveroordeling betreft, uitvoerbaar bij voorraad.

[afbeelding niet beschikbaar]Dit arrest is gewezen door mrs. Van Schendel, Coeterier en Tjittes en in het openbaar uitgesproken pp 20 juli 2000.

1·\ 1..c \, •• )