Civiel recht overig

SKG In eerder kort geding is vordering ter beschikking stelling van woonruimte aan vereniging van…

Gerechtshof Amsterdam, 23 juli 2013

Zaakgegevens

Op 23 juli 2013 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
23 juli 2013
Datum publicatie
24 oktober 2013
Zaaknummer
200.124.813-01
Procedure
Hoger beroep
Advocaat
<emphasis role="underline">mr. E Swart</emphasis> te Amsterdam, <emphasis role="underline">mr. C.Y.M. Moons</emphasis> te Amsterdam
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2013:3484
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

SKG In eerder kort geding is vordering ter beschikking stelling van woonruimte aan vereniging van (oud-)krakers toegewezen. Nu onzeker is of wederpartij wel kan nakomen onvoldoende grond om daaraan een dwangsom te verbinden.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer gerechtshof : 200.124.813/01 SKG

zaak-/rolnummer rechtbank : C/13/524351 / KG ZA 12-1168

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 23 juli 2013

inzake

de vereniging

[APPELLANTE],

gevestigd te Amsterdam,

appellante,

advocaat: mr. E. Swart te Amsterdam,

tegen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[GEÏNTIMEERDE SUB 1].,

gevestigd te Amsterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[GEÏNTIMEERDE SUB 2].,

gevestigd te Rotterdam,

geïntimeerden,

advocaat: mr. C.Y.M. Moons te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

De partijen worden hierna [appellante], [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] genoemd.

1.1

[appellante] is bij dagvaarding van 26 maart 2013 in hoger beroep gekomen van het vonnis met opgemeld nummer van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 14 maart 2013, gewezen tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerde sub 1] als gedaagde (hierna: het vonnis). De appeldagvaarding bevat de grieven.

1.2

[appellante] heeft bij memorie negen grieven geformuleerd met conclusie, kort gezegd, dat het hof het vonnis zal vernietigen en, alsnog de door [appellante] gevorderde voorzieningen zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde sub 1] in de kosten.

1.3

Daarop heeft [geïntimeerde sub 1] geantwoord met conclusie, kort gezegd, dat het hof het vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellante] in de kosten.

1.4

De partijen hebben de zaak ter zitting van 25 juni 2013 doen bepleiten door hun advocaten, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Beide partijen hebben nog producties in het geding gebracht.

1.5

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Beoordeling

2.1

Met grief IX betoogt [appellante] dat de voorzieningenrechter het vonnis ten onrechte niet tegen zowel [geïntimeerde sub 1] als [geïntimeerde sub 2] heeft gewezen.

[appellante] heeft op 6 september 2012 alleen [geïntimeerde sub 1] gedagvaard. Op , dus hangende de procedure is die vennootschap gesplitst in die zin . Dat betekent dat naast [geïntimeerde sub 1] een anders rechtspersoon tot stand is gekomen. Die was niet gedagvaard en ook niet alsnog in de procedure opgeroepen. De voorzieningenrechter heeft dus op goede grond alleen tegen [geïntimeerde sub 1] vonnis gewezen. [appellante] kan daarom niet worden ontvangen in haar beroep tegen [geïntimeerde sub 2].

2.2

Grief I houdt in dat de voorzieningenrechter in rechtsoverweging 1.2 niet juist heeft weergegeven wie van de zijde van [appellante] op de zitting van 27 februari 2013 aanwezig. Volgens [appellante] waren dat [W], [X], [Y] en [Z] (hierna: [W], [X], [Y] en [Z]). [geïntimeerde sub 1] heeft dat niet bestreden, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.

2.3

De voorzieningenrechter heeft in het vonnis onder 2.1 tot en met 2.18 de feiten opgesomd die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Volgens grief II is die opsomming niet correct, althans niet volledig en suggestief. Het hof zal hierna de feiten opsommen voor zover het die voor de beoordeling van deze zaak van belang acht. De grief behoeft dan verdere geen bespreking.

2.3.1

[X], [A], [B], [C] en [D] hebben jaren geleden het pand gelegen aan de [adres 1] te Amsterdam (hierna: het [adres 1]) gekraakt. Op 12 april 2002 hebben de krakers een gesprek gehad met [E] van [bedrijf 1], de rechtsvoorganger van [geïntimeerde sub 1].

De krakers hebben op 27 mei 2002 [appellante] opgericht. Een brief van 9 augustus 2002, ondertekend door[E] en de krakers, (hierna: de overeenkomst) houdt in onder meer in:

“(…) Wij spraken met elkaar op 12 april 2002 af dat jullie de thans door jullie gekraakte ruimten in het [adres 1] zullen verlaten en wel op 12 september 2002 (…). Gelijktijdig met jullie vertrek uit het [adres 1] zullen jullie je intrek nemen in mijn pand aan de [adres 2] (…) Jullie zullen deze ruimtes door bewoning in bewaring nemen (…) De huisvesting heeft (…) een tijdelijk karakter. Zodra ons project “tabac 2” (…) gereed gekomen is, zal aan (…) [appellante] een officiële huurovereenkomst voor een G5 woning in dit complex aanbieden tegen een huurprijs van ongeveer ƒ 350,-- tot ƒ 450,-- per persoon per maand, exclusief servicekosten (…) “

In de periode 2006 tot en met 2008 hebben partijen met elkaar gecorrespondeerd over de verplichtingen die uit deze brief voortvloeien.

2.3.2

Bij vonnis van 27 november 2009 heeft de kantonrechter te Amsterdam op vordering van [appellante] in een bodemprocedure, zakelijke samengevat, voor recht verklaard dat (een rechtsvoorganger van) [geïntimeerde sub 1] gebonden is aan de overeenkomst en haar veroordeeld om aan [appellante] een woning aan te bieden vergelijkbaar met de in de overeenkomst genoemde G5 woning (hierna: het bodemvonnis).

[geïntimeerde sub 1] heeft hoger beroep ingesteld van het bodemvonnis. De zaak staat voor memorie van antwoord te nemen ter rolle van 23 juli 2013.

2.3.3

Omdat [appellante] meende dat [geïntimeerde sub 1] zich te weinig inspande om het bodemvonnis na te komen, heeft zij een kort geding aangespannen (hierna: kortgedingvonnis I). De voorzieningenrechter heeft in kortgedingvonnis I gepreciseerd aan welke voor waard een aanbod van [geïntimeerde sub 1] moet voldoen om redelijk te zijn en [geïntimeerde sub 1] veroordeeld één of meer woningen aan te bieden. De vordering om aan die veroordeling een dwangsom te verbinden heeft hij afgewezen.

3 Beslissing

Het hof:

verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in haar beroep tegen [geïntimeerde sub 2];

bekrachtigt het vonnis;

veroordeelt aaa in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van ggg begroot op € *** aan verschotten en € *** voor salaris en [indien gevorderd] op € 131,- [of, in geval van conventie én reconventie: € 205,-] voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,- voor nasalaris en met de kosten van het betekeningsexploit, ingeval niet binnen veertien dagen is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordeling(en) en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

Dit arrest is gewezen door mr. O, mr. P en mr. Q, en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op ***.