Civiel recht overig

Vervolg van tussenarrest 1 nov 2016. Verdere afdoening. Alsnog gedeeltelijke toewijzing van de vorderingen.

Gerechtshof Amsterdam, 22 juli 2014

Zaakgegevens

Op 22 juli 2014 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
22 juli 2014
Datum publicatie
13 augustus 2014
Zaaknummer
200.149.305-01
Procedure
Hoger beroep
Advocaat
mr. A.C Herweijer te Amsterdam, mr. T.P. Hoekstra te Amsterdam
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2014:3227
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vervolg van tussenarrest 1 nov 2016.

Verdere afdoening. Alsnog gedeeltelijke toewijzing van de vorderingen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.149.305/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/506624/HA ZA 11-2862

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 22 juli 2014

inzake

1 [appellant] ,

wonend te [woonplaats] , (India),

2. [appellant],

wonend te [woonplaats] (India),

3. [appellant], voorheen [appellant] ,

wonend te [woonplaats] (Verenigde Staten van Amerika)

4. [appellant], voorheen [appellant] ,

wonend te [woonplaats] (India),

appellanten in de hoofdzaak,

verweerders in het incident,

advocaat: mr. A.C. Herweijer te Amsterdam,

tegen

1 [geïntimeerde] ,

kantoorhoudend te [kantoorplaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[geïntimeerde] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerden in de hoofdzaak,

eisers in het incident,

advocaat: mr. T.P. Hoekstra te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Appellanten in de hoofdzaak, verweersters in het incident worden hierna ieder afzonderlijk [appellant] , [appellant] , [appellant] en [appellant] genoemd, en gezamenlijk [appellant] c.s. Geïntimeerden in de hoofdzaak, eisers in het incident worden hierna ieder afzonderlijk [geïntimeerde] en [geïntimeerde] genoemd, en gezamenlijk [geïntimeerde] c.s.

[appellant] c.s. zijn bij dagvaarding van 14 mei 2014 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 26 februari 2014, dat onder bovenvermeld zaaknummer is gewezen tussen [appellant] c.s. als eisers en [geïntimeerde] c.s. als gedaagden.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- incidentele memorie met producties ( [geïntimeerde] c.s.);

- faxbericht d.d. 27 mei 2014 namens [geïntimeerde] c.s. aan het hof;

- memorie van antwoord in het incident met producties ( [appellant] c.s.).

Vervolgens is arrest gevraagd in het incident.

Bij incidentele memorie hebben [geïntimeerde] c.s. op de voet van artikel 224 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) gevorderd dat [appellant] c.s. zekerheid zullen stellen voor de onbetaald gebleven proceskostenveroordeling in eerste aanleg alsmede de - bij een bekrachtiging van het bestreden vonnis - te verwachten proceskostenveroordeling in hoger beroep ten bedrage van € 11.050,-, althans een ander door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, een en ander met veroordeling van [appellant] c.s. in de proceskosten van het incident, uitvoerbaar bij voorraad.

[appellant] c.s. hebben geantwoord in het incident en geconcludeerd dat het hof de gevorderde zekerheidsstelling voor de proceskostenveroordeling in eerste aanleg zal afwijzen, en de gevorderde zekerheidsstelling voor de proceskosten in hoger beroep (primair) zal afwijzen, althans (subsidiair) dat de gevorderde zekerheidsstelling zal worden afgewezen voor zover deze een bedrag van € 2.060,- te boven gaat, met veroordeling van [geïntimeerde] c.s. in de proceskosten.

2 Beoordeling

in het incident

2.1

Het gaat hier, samengevat en voor zover voor het incident van belang, om het

volgende. In eerste aanleg zijn de vorderingen van [appellant] c.s. afgewezen, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellant] c.s. in de proceskosten ten bedrage van € 904,- en de nakosten, met rente.

2.2

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, worden

ingegaan.

2.3

Op grond van artikel 224 lid 1 Rv dient - in beginsel - degene die zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland bij een Nederlandse rechter een vordering instelt, op vordering van de wederpartij zekerheid te stellen voor de proceskosten en de schadevergoeding tot betaling waarvan hij in die procedure veroordeeld zou kunnen worden.

2.4

[appellant] c.s. zijn bij het bestreden vonnis reeds veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg. De gevorderde zekerheidsstelling voor die proceskosten betreffen (derhalve) geen kosten waarin [appellant] c.s. thans nog veroordeeld zouden kunnen worden, zoals bedoeld in artikel 224 lid 1 Rv. De onderhavige incidentele vordering te dien aanzien wordt daarom afgewezen.

2.5

Gesteld noch gebleken is dat ten aanzien van [appellant] c.s. geen verplichting in het stellen van zekerheid bestaat op grond van een verdrag of een EG-verordening als bedoeld in artikel 224 lid 2 sub a. Evenmin is gesteld of gebleken dat tenuitvoerlegging of verhaal van de kosten op de voet van artikel 224 lid 2 sub b en c mogelijk zal zijn.

2.6

Dat door de verplichting tot het stellen van proceskostenzekerheid de effectieve toegang tot de Nederlandse rechter voor [appellant] c.s. wordt belemmerd als bedoeld in artikel 224 lid 2 onder d Rv, zoals [appellant] c.s. hebben betoogd, is op grond van het enkele door [appellant] c.s. overgelegde bankafschrift ten name van [appellant] van 10 mei 2014 en het bankafschrift van [appellant] van 17 juni 2014 niet voldoende aannemelijk geworden. Er is daarom geen aanleiding om [geïntimeerde] c.s. in de gelegenheid te stellen zich over deze producties uit te laten.

2.7

Uit het vorenstaande volgt dat de onderhavige incidentele vordering zal worden toegewezen als na te melden. Het hof zal bepalen dat [appellant] c.s. zekerheid dienen te stellen in de vorm van een depotstorting op de derdengeldrekening van de raadsman van [geïntimeerde] c.s., nu [appellant] c.s. daartegen geen bezwaar hebben gemaakt en bedoelde depotstorting naar het oordeel van het hof voldoende zekerheid aan [geïntimeerde] c.s. zal bieden voor betaling van de gevorderde proceskosten, dan wel in de vorm van een door een Nederlandse bank af te geven bankgarantie.

2.8

Het hof zal de hoogte van de gevorderde zekerheidsstelling bepalen op € 3.386,-, uitgaande van € 704,- aan verschotten en drie salarispunten (het maximale aantal salarispunten in tarief II) op grond van een liquidatietarief van € 894,- per punt.

2.9

De beslissing over de proceskosten van dit incident zal worden aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.

2.10

De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen het nemen van een memorie van grieven door [appellant] c.s.

3 Beslissing

Het hof:

in het incident

beveelt dat [appellant] c.s. aan [geïntimeerde] c.s. zekerheid stellen voor een bedrag van € 3.386,- ter zake van de proceskosten waarin [appellant] c.s. veroordeeld zouden kunnen worden;

bepaalt dat [appellant] c.s. voormelde zekerheid stellen in de vorm van een depotstorting op de derdengeldrekening van de raadsman van [geïntimeerde] c.s., dan wel een door een Nederlandse bank af te geven bankgarantie;

bepaalt dat de zekerheid moet zijn gesteld binnen vier weken na de datum van deze uitspraak, derhalve uiterlijk op 2 september 2014, op straffe van niet-ontvankelijkheid van [appellant] c.s. in de hoofdzaak;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;

wijst het meer of anders gevorderde af;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van 2 september 2014 voor het nemen van een memorie van grieven door [appellant] c.s.;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.C. Toorman, J.H. Huijzer en J.W. Hoekzema en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2014.