Civiel recht overig
Verzekeringsrecht. Vervolg op ECLI:NL:GHAMS:2014:910. Richtlijn 93/13 EEG betreffende oneerlijke bedingen in…
Gerechtshof Amsterdam, 26 augustus 2014
ECLI:NL:GHAMS:2014:3579 · Gerechtshof Amsterdam · 26 augustus 2014
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/civiel-recht/civiel-recht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2014-3579
Zaakgegevens
Op 26 augustus 2014 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 26 augustus 2014
- Datum publicatie
- 28 augustus 2014
- Zaaknummer
- 200.098.121-01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. J van Rhijn te Alkmaar, mr. M.A. Schuring te Almelo
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2014:3579
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzekeringsrecht. Vervolg op ECLI:NL:GHAMS:2014:910. Richtlijn 93/13 EEG betreffende
oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. Contractueel rentebeding na
aanvullend partijdebat buiten toepassing gelaten.
Procesgang
Gerechtshof Amsterdam · 25 maart 2014
ECLI:NL:GHAMS:2014:910Gerechtshof Amsterdam · 26 augustus 2014deze uitspraak
ECLI:NL:GHAMS:2014:3579
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.098.121/01
zaaknummer rechtbank Alkmaar : 128366/HA ZA 11-301
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 26 augustus 2014
inzake
de naamloze vennootschap N.V. NOORDHOLLANDSCHE VAN 1816 SCHADEVERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ,
gevestigd te Oudkarspel,
appellante,
advocaat: mr. J. van Rhijn te Alkmaar,
tegen
[geïntimeerde],
wonend te Almelo,
geïntimeerde,
advocaat: mr. M.A. Schuring te Almelo.
1 Het geding in hoger beroep
Partijen worden hierna opnieuw Noordhollandsche en [geïntimeerde] genoemd.
Het hof heeft in deze zaak op 25 maart 2014 een tussenarrest uitgesproken. Voor het verloop van het geding tot die dag verwijst het hof naar dat arrest.
[geïntimeerde] kreeg de gelegenheid om een akte te nemen, Noordhollandsche mocht daarop reageren.
Geen van partijen heeft van de geboden gelegenheid gebruik gemaakt.
In de zaak is wederom arrest gevraagd.
2 Beoordeling
Het hof blijft bij hetgeen het in zijn tussenarrest van 25 maart 2014 heeft overwogen en beslist. In dat arrest zijn de grieven I tot en met III, V en VI verworpen.
De beslissing over de vierde grief heeft het hof uitgesteld in afwachting van een aanvullend
partijdebat over de kwestie die de grief aan de orde stelt. Dat is de vraag of de wettelijke vertragingsrente pas vanaf 12 april 2011 toewijsbaar is, omdat Noordhollandsche de door haar te vergoeden vertragingsschade in artikel 18 van haar algemene polisvoorwaarden heeft beperkt tot de periode vanaf de dag dat zij in rechte wordt betrokken.
2.2 Het beding waarop Noordhollandsche zich beroept tegenover [geïntimeerde], een consument, houdt een beperking in van de schadevergoeding verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, welke schadevergoeding aan [geïntimeerde] toekomt overeenkomstig het bepaalde in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek (BW). Dit beding komt voor in de zogenoemde indicatieve lijst van Richtlijn 93/13 EEG (betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten) onder b.
Artikel 3 lid 3 van de Richtlijn 93/13 EEG houdt in dat de indicatieve lijst bedingen bevat die als oneerlijk kunnen worden aangemerkt.
De stellingen van Noordhollandsche houden niets in op grond waarvan de schadebeperking die is voorzien in artikel 18 van de algemene polisvoorwaarden van Noordhollandsche, niettemin niet oneerlijk zou zijn. Het hof heeft daarom het omstreden beding buiten toepassing te laten.
Grief IV faalt.
De slotsom is dat geen van de grieven van Noordhollandsche doel treft.
Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen. Noordhollandsche is in hoger beroep de in het ongelijk gestelde partij, zij heeft de proceskosten van het hoger beroep te dragen.
3.Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te Alkmaar van 9 november 2011;
veroordeelt Noordhollandsche in de proceskosten van het hoger beroep en begroot deze kosten aan de zijde van [geïntimeerde] op € 284,- voor verschotten en € 1.158,- voor salaris advocaat.
Dit arrest is gewezen door mrs. G.B.C.M. van der Reep, E.E. van Tuyll van Serooskerken- Röell en A.C. van Schaick en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2014.