Civiel recht overig
Op het uitgangspunt dat in het belang van een goede rechtspleging duidelijkheid moet bestaan over het…
Gerechtshof Amsterdam, 24 februari 2015
ECLI:NL:GHAMS:2015:586 · Gerechtshof Amsterdam · 24 februari 2015
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/civiel-recht/civiel-recht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2015-586
Zaakgegevens
Op 24 februari 2015 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 24 februari 2015
- Datum publicatie
- 25 februari 2015
- Zaaknummer
- 200.151.530/01 NOT
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2015:586
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Op het uitgangspunt dat in het belang van een goede rechtspleging duidelijkheid moet bestaan over het tijdstip waarop een termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel aanvangt en eindigt, en dat aan rechtsmiddeltermijnen strikt de hand moet worden gehouden, kan slechts onder bijzondere omstandigheden een uitzondering worden gemaakt. Van zodanige bijzondere omstandigheden is hier niet gebleken.
Klager, die in het buitenland woont, is te laat met het indienen van het beroepschrift en wordt in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Uitspraak
beslissing
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.151.530/01 NOT
nummer eerste aanleg : AL/2013/40
beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 24 februari 2015
inzake
[naam],
wonend te [plaats], [buitenland],
appellant,
tegen
mr. [naam],
notaris te [plaats],
geïntimeerde.
1 Het geding in hoger beroep
Appellant (hierna: klager) heeft op 27 juni 2014 een beroepschrift bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de kamer) van 7 februari 2014 (ECLI:NL:TNORARL:2014:26). De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van klager tegen geïntimeerde (hierna: de notaris) ongegrond verklaard.
Klager heeft op 31 juli 2014 nog aanvullende stukken bij het hof ingediend.
De notaris heeft bij faxbericht van 7 augustus 2014 aan het hof laten weten dat haar eerdere correspondentie als volledig kan worden beschouwd.
Klager en de notaris zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering niet verschenen ter zitting van 22 januari 2015. Tijdens die zitting zou enkel worden behandeld de ontvankelijkheid van klager in zijn hoger beroep.
2 De stukken van het geding
Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.
3 De ontvankelijkheid van klager in het hoger beroep
Aan klager is een afschrift van de beslissing van de kamer van 7 februari 2014 als bijlage bij een aangetekende brief van het secretariaat van de kamer van diezelfde datum toegestuurd. Tevens is bij e-mailbericht van 7 februari 2014 een afschrift van voormelde beslissing verzonden aan klager, die in [buitenland] woont.
Ingevolge artikel 107 lid 1 van de Wet op het notarisambt dient het hoger beroep binnen dertig dagen na de dag van verzending van de onder 3.1. bedoelde brief te zijn ingesteld. De beroepstermijn eindigde dus, mede gelet op artikel 1 lid 1 van de Algemene termijnenwet, op maandag 10 maart 2014. Nu het beroepschrift van klager, waarin hij te kennen geeft zich niet met de uitspraak van de kamer te kunnen verenigen, eerst op 27 juni 2014 bij het hof is ingekomen, is dit niet tijdig geschied.
Op het uitgangspunt dat in het belang van een goede rechtspleging duidelijkheid moet bestaan over het tijdstip waarop een termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel aanvangt en eindigt, en dat aan rechtsmiddeltermijnen strikt de hand moet worden gehouden, kan slechts onder bijzondere omstandigheden een uitzondering worden gemaakt. Het is aan klager om bijzondere omstandigheden aan te voeren op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar is te achten. De enkele stelling van klager dat hij ‘interstate’ was en niet had verwacht dat de kamer zijn klacht ongegrond zou verklaren, is - wat er ook van deze stelling
zij - onvoldoende om vorenbedoelde omstandigheden aan te nemen. Er bestaat dan ook geen aanleiding de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.
Op grond van het bovenstaande moet worden geoordeeld dat klager niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep.
Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.
4 De beslissing
Het hof:
- verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de beslissing van de kamer van 7 februari 2014.
Deze beslissing is gegeven door mrs. A.D.R.M. Boumans, J. Blokland en M. Bijkerk en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2015 door de rolraadsheer.