Civiel recht overig
Hoger beroep tegen ongegrond verklaard verzet. Niet-ontvankelijk.
Gerechtshof Amsterdam, 27 juni 2017
ECLI:NL:GHAMS:2017:2609 · Gerechtshof Amsterdam · 27 juni 2017
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/civiel-recht/civiel-recht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2017-2609
Zaakgegevens
Op 27 juni 2017 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 27 juni 2017
- Datum publicatie
- 4 juli 2017
- Zaaknummer
- 200.199.514/01 GDW
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2017:2609
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Hoger beroep tegen ongegrond verklaard verzet. Niet-ontvankelijk.
Procesgang
Uitspraak · 2016
ECLI:NL:TGDKG:2016:98Gerechtshof Amsterdam · 27 juni 2017deze uitspraak
ECLI:NL:GHAMS:2017:2609
Uitspraak
beslissing
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.199.514/01 GDW
nummer eerste aanleg : 274.2015
beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 27 juni 2017
inzake
[naam] ,
wonend te [plaats] ,
appellante,
tegen
[naam] ,
gerechtsdeurwaarder te [plaats] ,
geïntimeerde.
1 Het geding in hoger beroep
Appellante (hierna: klaagster) heeft op 18 september 2016 een beroepschrift met bijlagen bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) van 2 september 2016 (ECLI:NL:TGDKG:2016:98).
De kamer heeft in de bestreden beslissing het verzet van klaagster tegen de beschikking van de plaatsvervangend voorzitter van de kamer van 10 maart 2015, waarbij de klacht van klaagster tegen geïntimeerde (hierna: de gerechtsdeurwaarder) als kennelijk ongegrond was afgewezen, ongegrond verklaard.
De gerechtsdeurwaarder heeft op 21 december 2016 een verweerschrift bij het hof ingediend.
De zaak is, voor zover het betreft de ontvankelijkheid van klaagster in het hoger beroep, behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 8 juni 2016. Klaagster is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De gerechtsdeurwaarder is - met berichtgeving vooraf - evenmin verschenen.
2 Stukken van het geding
Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken
3 De ontvankelijkheid van klaagster in het hoger beroep
Klaagster heeft een klacht ingediend tegen de gerechtsdeurwaarder. De gerechtsdeurwaarder heeft verweer gevoerd. De plaatsvervangend voorzitter van de kamer heeft vervolgens bij beschikking van 10 maart 2015 de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Deze beschikking is op 25 maart 2015 aan klaagster toegezonden, waarna klaagster bij e-mail van 26 maart 2015 verzet heeft ingesteld tegen deze beschikking. Het verzetschrift is behandeld op de terechtzitting van 24 juni 2016. De kamer heeft bij beslissing van 2 september 2016 het verzet ongegrond verklaard.
Artikel 39, lid 4 gerechtsdeurwaarderswet (Gdw) bepaalt dat tegen de beslissing van de kamer op het verzet voor de klager geen rechtsmiddel openstaat. Dat is ook vermeld onder de beslissing waarvan beroep. Van het in voormeld wetsartikel opgenomen rechtsmiddelenverbod kan slechts worden afgeweken, indien bij de totstandkoming van de beslissing een zo fundamenteel rechtsbeginsel is veronachtzaamd, dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken. Dit laatste is gesteld noch gebleken.
Het voorgaande leidt ertoe dat klaagster niet kan worden ontvangen in haar hoger beroep.
4 Beslissing
Het hof verklaart klaagster niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen de beslissing van de kamer van 2 september 2016.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, L.J. Saarloos en A.W. Jongbloed en in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2017 door de rolraadsheer.