Civiel recht overig
Klaagster is in beroep gekomen tegen een beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de kamer. Tegen…
Gerechtshof Amsterdam, 23 januari 2018
ECLI:NL:GHAMS:2018:173 · Gerechtshof Amsterdam · 23 januari 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/civiel-recht/civiel-recht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2018-173
Zaakgegevens
Op 23 januari 2018 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 23 januari 2018
- Datum publicatie
- 23 januari 2018
- Zaaknummer
- 200.218.791/01 GDW
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2018:173
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Klaagster is in beroep gekomen tegen een beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de kamer. Tegen die beslissing kon verzet worden gedaan bij de kamer. Hiertegen staat geen ander rechtsmiddel open, zodat klaagster niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep.
Uitspraak
beslissing
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.218.791/01 GDW
nummer eerste aanleg : C/13/616863 DW RK 16/1108
beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 23 januari 2018
inzake
[appellante] ,
wonend te [plaats] ,
appellante,
tegen
[geïntimeerde] ,
gerechtsdeurwaarder te [plaats] ,
geïntimeerde.
1 Het geding in hoger beroep
Appellante (hierna: klaagster) heeft op 6 juli 2017 een beroepschrift - met bijlagen - bij het hof ingediend tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) als bedoeld in artikel 39 lid 1 Gerechtsdeurwaarderswet (hierna: Gdw) van 27 juni 2017.
De plaatsvervangend voorzitter van de kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van klaagster tegen geïntimeerde (hierna: de gerechtsdeurwaarder) als kennelijk ongegrond afgewezen.
De gerechtsdeurwaarder heeft op 17 juli 2017 een verweerschrift bij het hof ingediend.
Klaagster en de gerechtsdeurwaarder hebben het hof vooraf laten weten niet te zullen verschijnen. Het hof heeft de zaak, voor wat de ontvankelijkheid van klaagster in het hoger beroep betreft, op 21 december 2017 buiten aanwezigheid van partijen in raadkamer behandeld.
2 Stukken van het geding
Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.
3 De ontvankelijkheid van klaagster in het hoger beroep
Klaagster heeft bij brief van 14 oktober 2016 bij de kamer een klacht ingediend tegen de gerechtsdeurwaarder. De plaatsvervangend voorzitter van de kamer heeft bij beslissing van 27 juni 2017 de klacht van klaagster afgewezen als kennelijk ongegrond. Tegen die beslissing is klaagster nu in hoger beroep gekomen.
Ingevolge artikel 39 lid 2 Gdw kan tegen de beslissing van de voorzitter van de kamer tot afwijzing van een klacht binnen veertien dagen na de dag van verzending van de kennisgeving schriftelijk verzet worden gedaan bij de kamer. Tegen de beslissing van de voorzitter van de kamer staat geen ander rechtsmiddel open.
Op grond van het bovenstaande moet worden geoordeeld dat klaagster niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep.
Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.
4 Beslissing
Het hof verklaart klaagster niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de kamer van 27 juni 2017.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, L.J. Saarloos en A.W. Jongbloed en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2018 door de rolraadsheer.