Civiel recht overig
Beroepsaansprakelijkheid advocaat. HR 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1406, NJ 2015/267. Dient advocaat in zijn…
Gerechtshof Amsterdam, 2 april 2019
ECLI:NL:GHAMS:2019:1105 · Gerechtshof Amsterdam · 2 april 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/civiel-recht/civiel-recht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2019-1105
Zaakgegevens
Op 2 april 2019 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 2 april 2019
- Datum publicatie
- 3 april 2019
- Zaaknummer
- 200.207.867/01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. G Boot te Bilthoven, mr. J.G. Geertsma te Amsterdam
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2019:1105
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beroepsaansprakelijkheid advocaat. HR 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1406, NJ 2015/267. Dient advocaat in zijn algemeenheid zijn advies aan de cliënt te onderbouwen aan de hand van concrete jurisprudentie? Causaal verband en schade.
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.207.867/01
zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : 4253104 \ CV EXPL 15-16369
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 2 april 2019
[appellant] ,
wonend te [woonplaats] ,
appellant,
advocaat: mr. G. Boot te Bilthoven,
tegen
MR. [X] ADVOCATUUR B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. J.G. Geertsma te Amsterdam.
1 Het geding in hoger beroep
Partijen worden hierna [appellant] en Advocatenkantoor [X] genoemd.
[appellant] is bij dagvaarding van 18 oktober 2016 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 22 juli 2016, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen [appellant] als eiser en Advocatenkantoor [X] als gedaagde.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties;
- memorie van antwoord;
- nadere akte;
- antwoordakte.
Ten slotte is arrest gevraagd.
[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen met bepaling – uitvoerbaar bij voorraad – van het bedrag waarop door [appellant] aanspraak kan worden gemaakt, met beslissing over de proceskosten.
Advocatenkantoor [X] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling – uitvoerbaar bij voorraad – van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep.
Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.
2 Feiten
De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1.1 tot en met 1.4 de feiten weergegeven die zij als vaststaand heeft aangenomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, zal van de volgende feiten worden uitgegaan.
Advocatenkantoor [X] is de praktijkvennootschap van advocaat mr. [X] (hierna: [X] ). Tot maart 2015 heeft mr. drs. [Y] (hierna: [Y] ) als advocaat(-stagiaire) bij Advocatenkantoor [X] gewerkt.
Begin oktober 2010 heeft [appellant] aan Advocatenkantoor [X] opdracht gegeven om hem bij te staan in een strafzaak die verband hield met een vermoeden dat [appellant] heimelijk opnames had gemaakt tijdens een hoorzitting van de klachtencommissie van de politie en zich vervolgens had verzet tegen zijn aanhouding. De strafzaak werd medio november 2010 geseponeerd. [appellant] heeft vervolgens in november 2010 een nieuwe opdracht aan Advocatenkantoor [X] verstrekt. Deze opdracht betrof het verzoek van [appellant] om de Regiopolitie Gelderland Zuid, een ambtenaar van de politie en de voorzitter van de klachtencommissie aansprakelijk te stellen voor de door [appellant] geleden schade als gevolg van onrechtmatig (politie)optreden bij zijn aanhouding. De werkzaamheden in dit civiele dossier werden net name verricht [Y] , alsmede door [X] .
In verband met dit verzoek heeft [X] bij brief van 3 december 2010 aan [appellant] onder meer het volgende geschreven:
‘Ik deel uw opvatting dat een advocaat zijn cliënt dient bij te staan. Dit is echter geen absoluut gegeven. Een advocaat heeft een eigen verantwoordelijkheid en bepaalt zelf welke zaken hij aanneemt en op welke wijze de opdracht wordt uitgevoerd, mits dit de goedkeuring van de cliënt heeft.
Tot de taak van de advocaat behoort ook het adviseren van zijn cliënt over de juridische haalbaarheid van een zaak. Uw opvatting, dat mijn weigering [A] [voorzitter van de klachtencommissie – hof] civielrechtelijk aan te pakken niets met juridische haalbaarheid te maken heeft, bestrijd ik. Ik maak a priori geen enkel voorbehoud ten aanzien van de hoedanigheid van de wederpartij. Wel dien ik, zoals elke advocaat dat behoort te doen, kansloze van kansrijke zaken te schiften. Ik meen dat mijn advies u onnodige kosten bespaart.’
Op 13 mei 2011 heeft [Y] aan [appellant] een concept-dagvaarding toegezonden die, na commentaar van [appellant] is aangepast. Bij brief van 30 juni 2011 heeft [X] onder meer het volgende aan [appellant] geschreven:
‘Op het punt van de hoogte van het bedrag van de door u gewenste schadevergoeding, een bedrag van € 60.000,-, meen ik uw verwachtingen daaromtrent te moeten temperen. Niet voor niets stelde ik in het concept van de dagvaarding een ‘symbolische’ schadevergoeding voor van € 1000,-, hetgeen overigens slechts als een wenk bedoeld was, zodat het uw goed recht is om een ander bedrag voor te stellen.
Ik wil u echter goed voor ogen houden dat u immateriële schadevergoeding vordert die in direct causaal verband dient te staan met de onterechte en met teveel geweld gepaard gaande aanhouding. De nasleep van die aanhouding, de dagvaarding etc. zijn redelijkerwijs niet aan de politie c.s. toe te rekenen, maar komen voor rekening van justitie. Dat u 2,5 jaar full-time met de zaak bezig bent geweest kan ik mij voorstellen, maar dat u dat wilt toerekenen aan de gebeurtenis op 16 december 2008 lijkt mij juridisch niet haalbaar. Dat zal dus worden afgewezen.
Als alternatief stel ik voor een bedrag van € 25.000,- te vorderen, waarvan ik ook opmerk dat ik dit bedrag aan de hoge kant vind. Niet dat ik gezien hetgeen is voorgevallen u dit bedrag, of eender welk bedrag, niet gun, maar de jurisprudentie van zaken waarbij immateriële schadevergoeding aan de orde is leert dat Nederlandse rechters buitengewoon terughoudend zijn met het toekennen van hoge(re) bedragen. Ik zeg dit om u te behoeden voor (te) hooggespannen verwachtingen.’
Bij fax van 15 september 2011 heeft [X] namens [appellant] zowel politieambtenaar [B] als Politie Gelderland-Zuid aansprakelijk gesteld en daarin onder meer geschreven dat cliënt meent dat een bedrag van € 60.000 billijk is. Bij brief van 2 maart 2012 heeft Onderlinge Verzekeringen Overheid u.a. (hierna: OVO), aan wie de faxbrief was doorgestuurd, de schadevordering van de hand gewezen.
Op 27 juni 2012 heeft [appellant] bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland een klacht ingediend tegen mrs. [X] en [Y] . Bij beslissingen van 6 juni 2014 heeft het Hof van Discipline verschillende klachten over mrs. [X] en [Y] gegrond verklaard. Mr. [X] is de maatregel van berisping opgelegd en mr. [Y] de maatregel van een waarschuwing voor – in essentie – het verwijtbaar traag optreden bij de behartiging van de belangen van [appellant] in het civiele dossier.
[appellant] heeft een voorschot van in totaal € 9.226,08 aan Advocatenkantoor [X] betaald, waarvan € 2.428,98 aan [appellant] is teruggestort. [appellant] heeft Advocatenkantoor [X] meermalen verzocht om het verschil (een bedrag van € 6.797,10) aan hem terug te betalen. Tot op vandaag is dat niet gebeurd.
3 Beoordeling
[appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd – samengevat – dat Advocatenkantoor [X] zou worden veroordeeld tot betaling van (in hoofdsom) € 6.797,10 en dat de kantonrechter een schadevergoeding vaststelt die redelijk is voor de door [appellant] geleden schade. De kantonrechter heeft deze vorderingen afgewezen. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met twee grieven op.
Met zijn grieven verwijt [appellant] – samengevat – dat Advocatenkantoor [X] niet de zorg van een redelijk handelend advocaat heeft betracht. [appellant] stelt onvoldoende te zijn geïnformeerd over de haalbaarheid van de door hem voorgestane vordering. Volgens [appellant] is hem ten onrechte niet voorgehouden dat de vordering die hij wilde instellen een mission impossible was. De schade die [appellant] als gevolg van deze tekortkoming stelt te hebben geleden, bestaat eruit dat onnodig veel tijd aan zijn zaak is besteed. Naar [appellant] betoogt, dienen de kosten van mr. [X] te worden bepaald en gemaximeerd tot datgene wat redelijkerwijs noodzakelijk was ter opstelling van een negatief procesadvies.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
In deze zaak staat centraal of Advocatenkantoor [X] is tekortgeschoten in de nakoming van de door hem met [appellant] gesloten overeenkomst van opdracht. In dat kader moet worden beoordeeld of [X] en [Y] de zorgvuldigheid hebben betracht die van redelijk handelende en redelijk bekwame advocaten mag worden verwacht. Zij dienden [appellant] daarbij niet onnodig bloot te stellen aan voorzienbare en vermijdbare risico’s en dienden hem zodanig te informeren, dat hij een goed geïnformeerde beslissing kon nemen. De vraag of [appellant] voldoende is geïnformeerd kan slechts worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. (vgl. HR 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1406, NJ 2015/267) Het ligt daarbij op de weg van [appellant] om voldoende feiten en omstandigheden te stellen die het oordeel kunnen dragen dat [X] en/of [Y] zijn tekortgeschoten in hun zorgvuldigheidsplicht.
[appellant] heeft aangevoerd dat [X] en [Y] zijn eigen niet realistische verwachtingen om een vordering tot vergoeding van immateriële schade van € 60.000 te laten slagen, hadden moeten temperen. Volgens [appellant] had dit moeten gebeuren in een advies dat steunde op concrete jurisprudentie. [appellant] betoogt verder dat uit de afwijzing van de schadevordering door OVO genoegzaam blijkt dat de schade op geen enkele wijze is onderbouwd. Volgens de raadsman van [appellant] zouden 99 van de 100 vakgenoten geen positief advies hebben afgegeven.
Naar het oordeel van het hof kan op basis van de stellingen van [appellant] niet worden geoordeeld dat [X] en/of [Y] als raadsman zijn tekortgeschoten in hun zorgvuldigheidsplicht jegens [appellant] . Zo is [appellant] ontraden de voorzitter van de klachtencommissie aan te spreken (zie onder 2.3). Uit de brief van 30 juni 2011 blijkt bovendien dat [X] [appellant] heeft ontraden een vordering tot vergoeding van immateriële schade van € 60.000 in te stellen. In plaats daarvan heeft hij voorgesteld dat [appellant] zich zou beperken tot een ‘symbolische’ schadevergoeding van € 1000 (zie onder 2.4). In zoverre kan daarom niet worden geoordeeld dat [X] en/of [Y] niet aan hun informatieplicht hebben voldaan. Voor zover [appellant] betoogt dat de adviezen aan hem hadden moeten zijn opgesteld aan de hand van concrete jurisprudentie, is het hof van oordeel dat deze omstandigheid evenmin voert tot het oordeel dat [appellant] onvoldoende is geïnformeerd. In zijn algemeenheid kan niet worden geoordeeld dat de zorgvuldigheidsplicht van een advocaat meebrengt dat deze zijn advies aan zijn cliënt expliciet moet onderbouwen aan de hand van concrete jurisprudentie. De enkele (gemotiveerde) afwijzing door OVO voert evenmin tot de slotsom dat sprake was van een mission impossible, zoals [appellant] op p. 7 van zijn memorie van grieven betoogt. De stelling dat 99 van de 100 vakgenoten geen positief advies zouden hebben afgegeven (zie memorie van grieven, p. 8), mist iedere verdere onderbouwing. Dat het door [appellant] gewenste onderste uit de kan niet haalbaar bleek, wil nog niet zeggen dat er op voorhand geen enkele kans van slagen was op enige genoegdoening voor [appellant] . Ook overigens zijn de verwijten aan [X] en/of [Y] , en daarmee aan Advocatenkantoor [X] , onvoldoende concreet toegelicht.
Ten overvloede overweegt het hof dat [X] ten aanzien van de door hem gestelde schade bovendien onvoldoende onderbouwd dat hij, indien hem zou zijn afgeraden een vordering tegen politieagent [B] en Politie Gelderland-Zuid in te stellen, het advies van zijn advocaat zou hebben opgevolgd. Uit de onder 2.4 aangehaalde brief blijkt dat [X] een schadevordering van € 60.000 wilde instellen, dat [appellant] deze wilde beperken tot een symbolische € 1.000 en dat [appellant] vervolgens, toen bleek dat [X] hem hierin niet wilde volgen, een bedrag van € 25.000 heeft voorgesteld. Getuige de fax van 15 september 2011 is [appellant] ook hiermee niet akkoord gegaan, nu [appellant] daarin schrijft dat cliënt meent dat een bedrag van € 60.000 billijk is.
Op het vorenstaande stuiten beide grieven af. De bewijsaanbiedingen hebben geen betrekking op feiten en omstandigheden die, indien bewezen, tot een andere beslissing in deze zaak kunnen leiden en worden daarom als niet ter zake dienend gepasseerd.
Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in appel.
4 Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Advocatenkantoor [X] begroot op € 718 aan verschotten en € 759 voor salaris;
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.F. Aalders, J.M. de Jongh en C.A.H.M. ten Dam en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 2 april 2019.