Civiel recht overig
Herstelarrest. Zie ECLI:NL:GHAMS:2020:754.
Gerechtshof Amsterdam, 17 maart 2020
ECLI:NL:GHAMS:2020:867 · Gerechtshof Amsterdam · 17 maart 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/civiel-recht/civiel-recht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2020-867
Zaakgegevens
Op 17 maart 2020 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 17 maart 2020
- Datum publicatie
- 18 maart 2020
- Zaaknummer
- 200.254.531/01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. M.H.S Verhoeven te Rotterdam, mr. J.F. Garvelink te Amsterdam
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2020:867
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Herstelarrest.
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.254.531/01
zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/228492 / HA ZA 15-441
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 17 maart 2020
1 Holland Lift International B.V.,
2. SMP International B.V.,
beide gevestigd te Hoorn,
appellanten,
eiseressen in het incident,
advocaat: mr. M.H.S. Verhoeven te Rotterdam,
tegen
JAN©Accountants en Belastingadviseurs B.V.,
gevestigd te Purmerend,
geïntimeerde,
gedaagde in het incident,
advocaat: mr. J.F. Garvelink te Amsterdam.
1 Het geding in hoger beroep
Partijen worden hierna Holland Lift c.s. en JAN genoemd.
Het hof heeft in deze zaak op 10 maart 2020 een arrest uitgesproken. Bij rolbericht (formulier H16) van 11 maart 2020 heeft mr. D.B. Zieren, advocaat te Rotterdam, zich namens Holland Lift c.s. op het standpunt gesteld dat het arrest een kennelijke fout bevat en herstel daarvan verzocht. Bij rolbericht (formulier H16) van 11 maart 2020 heeft mr. Garvelink op dit verzoek gereageerd.
2 Beoordeling
In het arrest heeft het hof onder 3.12 het volgende overwogen:
‘Slotsom is dat de primaire vordering voor toewijzing in aanmerking komt, behoudens voor zover deze betrekking heeft op de voorzieningen, lang- en kortlopende schulden. Het hof ziet aanleiding om de termijn voor veroordeling te stellen op vier weken na betekening van dit arrest. De hoogte van de gevorderde dwangsom zal worden gemaximeerd op € 100.000.’
De in die overweging vermelde termijn van vier weken berust op een kennelijke verschrijving; het hof verwijst naar het dictum onder 4.1 waarin de juiste termijn van zes weken is vermeld. Het gaat hier om een kennelijke verschrijving die zich leent voor eenvoudig herstel.
Het hof zal deze kennelijke fout daarom verbeteren als in het dictum vermeld.
3 Beslissing
Het hof:
verbetert het in deze zaak op 10 maart 2020 uitgesproken arrest aldus dat het woord ‘vier’ in de tweede volzin van overweging 3.12 wordt verbeterd door ‘zes’, zodat deze overweging 3.12 luidt als volgt:
‘Slotsom is dat de primaire vordering voor toewijzing in aanmerking komt, behoudens voor zover deze betrekking heeft op de voorzieningen, lang- en kortlopende schulden. Het hof ziet aanleiding om de termijn voor veroordeling te stellen op zes weken na betekening van dit arrest. De hoogte van de gevorderde dwangsom zal worden gemaximeerd op € 100.000.’
stelt de verbetering op de minuut van dat arrest.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. de Jongh, A.L.M. Keirse en M.E.M.G. Peletier en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2020.