Civiel recht overig
Appellante heeft het hoger beroep tegen het vonnis, gewezen op verzet tegen haar faillietverklaring…
Gerechtshof Amsterdam, 14 juli 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:2097 · Gerechtshof Amsterdam · 14 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/civiel-recht/civiel-recht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-2097
Zaakgegevens
Op 14 juli 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 14 juli 2026
- Datum publicatie
- 28 juli 2026
- Zaaknummer
- 200.370.319
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. B.M König te Apeldoorn, mr. J.M.J. van der Grinten te Amsterdam
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2097
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Appellante heeft het hoger beroep tegen het vonnis, gewezen op verzet tegen haar faillietverklaring, ingetrokken. Het hof verklaart appellante daarom niet-ontvankelijk in haar hoger beroep en veroordeelt haar in de proceskosten die aan de zijde van geïntimeerde worden begroot op nihil.
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team 1
zaaknummer : 200.370.319/01
faillissementsnummer rechtbank : C/13/26/54-F
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 14 juli 2026
in de zaak van
[appellant] ,
gevestigd te [plaats 1] ,
appellante,
advocaat: mr. B.M. König te Apeldoorn,
tegen
[geïntimeerde] ,
gevestigd te [plaats 1] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. J.M.J. van der Grinten te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.
1 Het geding in hoger beroep
[appellant] is bij per e-mail op 17 juni 2026 ter griffie van het hof ingekomen beroepschrift in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 juni 2026, waarbij het door [appellant] ingestelde verzet tegen het verstekvonnis van 27 februari 2026 ongegrond is verklaard. Bij laatstgenoemd vonnis, gewezen onder faillissementsnummer C/13/26/54, is [appellant] in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. G.M. Drenth, lid van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, tot rechter-commissaris en met aanstelling van
mr. B. Keybeck, advocaat te Urmond, als curator.
Bij V4-formulier van 6 juli 2026 heeft mr. König voornoemd namens [appellant] het hoger beroep ingetrokken.
Bij e-mailbericht van 6 juli 2026 heeft mr. Van der Grinten, namens [geïntimeerde] , in reactie hierop verklaard dat hoewel de bepaalde zitting van 7 juli 2026 geen doorgang meer zal vinden [geïntimeerde] kosten heeft gemaakt in verband met het voorbereiden van de zaak en het hof daarom verzocht [appellant] in de proceskosten te veroordelen.
2 Beoordeling
Nu [appellant] het hoger beroep heeft ingetrokken, kan zij niet in haar hoger beroep worden ontvangen. Met betrekking tot het verzoek van [geïntimeerde] om [appellant] te veroordelen in de proceskosten overweegt het hof dat voor een dergelijke veroordeling in beginsel slechts plaats is wanneer [geïntimeerde] aantoonbaar kosten heeft gemaakt in verband met het geding, bijvoorbeeld in het geval griffierecht is betaald, een verweerschrift is ingediend en/of een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden waarbij [geïntimeerde] is bijgestaan door een advocaat. Van dit alles is geen sprake geweest. Evenmin is gebleken van concrete kosten aan de zijde van [geïntimeerde] in verband met de voorbereiding van de zaak, die op grond van artikel 237 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor vergoeding in aanmerking komen. Dit leidt ertoe dat [appellant] weliswaar als de in het ongelijk gestelde partij zal worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde] maar dat die proceskosten worden begroot op nihil.
3 Beslissing
Het hof:
-
verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in haar hoger beroep;
-
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.L.D. Akkaya, K.A.J. Bisschop en M.A.J.G. Janssen en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.