Civiel recht overig
Klacht tegen een notaris. Hoger beroep tegen ongegrond verklaard verzet. Rechtsmiddelenverbod; artikel 99 lid…
Gerechtshof Amsterdam, 11 augustus 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:2335 · Gerechtshof Amsterdam · 11 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/civiel-recht/civiel-recht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-2335
Zaakgegevens
Op 11 augustus 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 11 augustus 2026
- Datum publicatie
- 21 augustus 2026
- Zaaknummer
- 200.363.640
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2335
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Klacht tegen een notaris. Hoger beroep tegen ongegrond verklaard verzet. Rechtsmiddelenverbod; artikel 99 lid 19 Wet op het notarisambt. Beroepschrift is te laat ingediend. Hoger beroep niet-ontvankelijk.
Uitspraak
beslissing
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.363.640/01 NOT
nummers eerste aanleg : C/05/441682 / KL RK 24-142
C/05/447262 / KL RK 25-15 (verzet)
beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 11 augustus 2026
inzake
[appellant] ,
wonend te [plaats 1] , gemeente Westerveld,
appellante,
gemachtigde: ir. R.G. van Popta,
tegen
[geïntimeerde] ,
notaris te [plaats 2] , gemeente Steenwijkerland,
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. W.H.M. Cnossen, advocaat te Heerenveen.
Partijen worden hierna klaagster en de notaris genoemd.
1 De zaak in het kort
Klaagster komt in hoger beroep van een beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de kamer) waarbij het door klaagster ingediende verzet tegen de beslissing van de voorzitter van de kamer deels gegrond en deels ongegrond is verklaard. Het hoger beroep ziet op de beslissing voor zover het verzet ongegrond is verklaard. Op grond van artikel 99 lid 19 van de Wet op het notarisambt (hierna: Wna) staat tegen het ongegrond verklaarde deel van deze beslissing van de kamer geen hoger beroep open. Klaagster is het niet eens met de beslissing van de kamer en stelt dat het rechtsmiddelenverbod in deze zaak dient te worden doorbroken. De vraag die het hof als eerste moet beantwoorden is of het hoger beroep tijdig bij het hof is ingesteld. Het hof stelt vast dat het hoger beroep niet tijdig is ingesteld en verklaart het hoger beroep van klaagster niet-ontvankelijk.
2 Het geding in hoger beroep
Klaagster heeft op 14 januari 2026 een beroepschrift – met bijlagen – bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer van 14 augustus 2025 tussen partijen gegeven onder nummer C/05/447262 / KL RK 25-15 (ECLI:NL:TNORARL:2025:46) voor zover het verzet ongegrond is verklaard.
De notaris heeft op 10 maart 2026 een verweerschrift over de ontvankelijkheid van het hoger beroep bij het hof ingediend.
Op 16, 17 en 22 mei 2026 heeft klaagster aanvullende producties ingediend bij het hof.
Het hof heeft van de kamer de stukken van de eerste aanleg ontvangen.
De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 27 mei 2026. Het hof heeft partijen vooraf laten weten tijdens deze zitting alleen de ontvankelijkheid van het hoger beroep te zullen behandelen. Klaagster is samen met haar gemachtigde verschenen. De gemachtigde van klaagster heeft het woord gevoerd aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota. De notaris en zijn gemachtigde zijn, met berichtgeving vooraf, niet verschenen.
3 Ontvankelijkheid
Klaagster heeft op 20 september 2024 bij de kamer een klacht ingediend tegen de notaris. De notaris heeft op 21 november 2024 een verweerschrift bij de kamer ingediend. De voorzitter van de kamer heeft bij beslissing van 3 januari 2025 klachtonderdelen 1, 2 en 4 kennelijk niet-ontvankelijk en klachtonderdeel 3 kennelijk ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft klaagster op 9 januari 2025 verzet ingesteld bij de kamer. Bij de bestreden beslissing heeft de kamer het verzet ten aanzien van de klachtonderdelen 1 (ten aanzien van de (her)formulering van de klacht) en 4 gegrond en ten aanzien van de klachtonderdelen 1 (ten aanzien van de klachttermijn), 2 en 3 ongegrond verklaard. Op 28 oktober 2025 heeft klaagster een verzoek tot herziening van de bestreden beslissing bij de kamer ingediend. Bij beslissing van 16 december 2025 heeft de kamer klaagster niet-ontvankelijk verklaard in dit herzieningsverzoek.
Op grond van het bepaalde in artikel 107 lid 1 Wna staat tegen een beslissing van de kamer op een klacht het rechtsmiddel van hoger beroep bij dit hof open, tenzij dit is uitgesloten. Artikel 99 Wna bepaalt in lid 19 dat tegen de beslissing van de kamer waarbij het verzet ongegrond is verklaard, geen rechtsmiddel openstaat. Dit is ook vermeld onder de bestreden beslissing. Dit rechtsmiddelenverbod kan slechts onder zeer bijzondere omstandigheden worden doorbroken, bijvoorbeeld indien bij de totstandkoming van de beslissing van de kamer een zo fundamenteel rechtsbeginsel is veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken.
Klaagster stelt in haar beroepschrift dat de kamer ten opzichte van de voorzitter de argumentatie heeft gewijzigd, terwijl de beslissing in stand is gebleven. Doordat klaagster zich niet heeft kunnen uitlaten over deze nieuwe argumentatie is volgens klaagster sprake van strijd met het fundamentele rechtsbeginsel van hoor en wederhoor. Verder heeft klaagster aangevoerd dat de kamer in strijd heeft gehandeld met het fundamentele rechtzekerheidsbeginsel en motiveringsbeginsel omdat (1) bij de uitzondering op de verjaringstermijn alleen is gekeken naar het handelen van de notaris en niet naar diens nalaten en (2) zowel de voorzitter als de kamer niet hebben geoordeeld over het derde klachtonderdeel.
Voordat het hof aan de beoordeling toekomt of in dit geval het rechtsmiddelenverbod moet worden doorbroken of niet, moet het hof eerst beoordelen of het hoger beroep tijdig is ingesteld door klaagster. Vanwege het rechtsmiddelenverbod is in de wet geen beroepstermijn genoemd. In beginsel geldt dan dat het hoger beroep moet worden ingesteld binnen de termijn die zou hebben gegolden als het rechtsmiddelenverbod zou ontbreken. Op grond van artikel 107 lid 1 Wna dient een hoger beroep binnen dertig dagen na de dag van verzending van de beslissing te worden ingesteld bij het hof. Het hof heeft het beroepschrift van klaagster (gedateerd 13 januari 2026) ontvangen op 14 januari 2026. De bestreden beslissing dateert van 14 augustus 2025. Dit betekent dat het beroepschrift te laat is ingediend. Anders dan klaagster stelt, is de door klaagster op 28 augustus 2025 aan de kamer gestuurde reactie op de bestreden beslissing – waarin samengevat staat dat zij van mening is dat de gehele klacht alsnog door de kamer moet worden behandeld en waarbij zij haar klacht heeft uitgebreid – niet als beroepschrift te beschouwen. Hiervan blijkt bijvoorbeeld uit de slotzin van de reactie van klaagster: “Het leek mij van belang om bovenstaande reeds vooraf aan de zitting aan kamer en notaris te laten weten.” Andere feiten of omstandigheden die de overschrijding van de beroepstermijn verschoonbaar doen zijn, zijn niet gesteld en zijn het hof ook niet gebleken.
Het voorgaande leidt ertoe dat het hoger beroep van klaagster niet-ontvankelijk zal worden verklaard, omdat het hoger beroep niet tijdig is ingesteld.
In het geval het beroepschrift wel tijdig zou zijn ingediend, overweegt het hof ten overvloede dat het vaste jurisprudentie is dat een gebrek in de motivering van een uitspraak niet voldoende is voor doorbreking van een rechtsmiddelenverbod.
4 Beslissing
Het hof:
- verklaart het hoger beroep van klaagster niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.W.M. Tromp, O.J. van Leeuwen en T.W. van Grafhorst en in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2026 door de rolraadsheer.