Civiel recht overig
In deze zaak ligt voor of appellant moet worden aangemerkt als contractpartij (huurder van het pand) van…
Gerechtshof Amsterdam, 29 september 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:2768 · Gerechtshof Amsterdam · 29 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/civiel-recht/civiel-recht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-2768
Zaakgegevens
Op 29 september 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 29 september 2026
- Datum publicatie
- 29 september 2026
- Zaaknummer
- 200.335.709/01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. H. Beekelaar te Kwadijk, mr. F.J.C. van Altena te Marken
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2768
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
In deze zaak ligt voor of appellant moet worden aangemerkt als contractpartij (huurder van het pand) van geïntimeerde en als gevolg daarvan achterstallige huurpenningen en schadevergoeding moet betalen omdat in het gehuurde een wietplantage is aangetroffen. Het hof is van oordeel dat geïntimeerde onvoldoende heeft onderbouwd dat appellant als huurder moet worden aangemerkt en zal de vorderingen van geïntimeerde alsnog afwijzen.
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)
zaaknummer : 200.335.709/01
zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : 10386151\ CV EXPL 23-790
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 29 september 2026
in de zaak van
[appellant ] ,
wonend in [plaats 1] ,
appellant,
incidenteel geïntimeerde,
advocaat: mr. H. Beekelaar te Kwadijk,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonend in [plaats 2] ,
geïntimeerde,
incidenteel appellant,
advocaat: mr. F.J.C. van Altena te Marken.
Partijen worden hierna [appellant ] en [geïntimeerde] genoemd.
1 De zaak in het kort
In deze zaak ligt voor of [appellant ] moet worden aangemerkt als contractpartij (huurder van het pand) van [geïntimeerde] en als gevolg daarvan achterstallige huurpenningen aan [geïntimeerde] moet betalen en schadevergoeding moet betalen omdat in het gehuurde een wietplantage is aangetroffen. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] onvoldoende heeft onderbouwd dat [appellant ] als huurder moet worden aangemerkt en zal het andersluidend oordeel van de kantonrechter vernietigen en de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog afwijzen. Het hof zal dat hierna toelichten.
2 Het geding in hoger beroep
[appellant ] is bij dagvaarding van 29 november 2023 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 31 augustus 2023 van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, (hierna: de kantonrechter), onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en [appellant ] als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis).
Bij tussenarrest van 16 januari 2024 is een mondelinge behandeling na aanbrengen gelast, die op 25 maart 2024 heeft plaatsgevonden.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven met producties;
- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met wijziging van eis en producties;
- memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep met reactie op de wijziging van eis en een productie.
Op 23 juni 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd. [appellant ] heeft nog producties in het geding gebracht.
Ten slotte is arrest gevraagd.
3 Feiten
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
[geïntimeerde] is eigenaar van een bedrijfsruimte aan de [A-straat] te [plaats 3] (hierna: ‘het gehuurde’).
[geïntimeerde] heeft het gehuurde verhuurd. In een door [geïntimeerde] ingebrachte huurovereenkomst met daarop handtekeningen van huurder en verhuurder staat als huurder vermeld ‘ [appellant ] , gevestigd te [plaats 1] ’ en bij de ondertekening ‘De huurder [appellant ] ’. Aan het eind is de ondertekeningsdatum met de hand aangepast naar ‘juni 2020’. In deze huurovereenkomst is, voor zover van belang, het volgende opgenomen.
“Artikel 2. Huurtermijn
Deze overeenkomst is aangegaan voor een periode van drie jaar, ingaande op 1 februari 2020 en derhalve eindigende op 31 januari 2023 (…)
Artikel 3. Huurprijs, waarborgsom en betaling
De aanvangshuurprijs op jaarbasis bedraagt € 12.644,64 (zegge: twaalfduizendzeshonderdvierenveertig euro en 64 eurocent) exclusief BTW. (€ 1.053,72 per maand exclusief BTW)
3.1a Huurder zal bij ondertekening van deze overeenkomst een waarborgsom hebben gestort ten bedrage van twee maanden huur ofwel € 2.550 (…). (…)
Indien huurder achterstallig is met het betalen van huurpenningen of andere bedragen die hij krachtens deze overeenkomst verschuldigd is of te eniger tijd zal zijn, is hij aan verhuurder een rente verschuldigd van 2% per maand over het achterstallige bedrag, telkens afgerond naar boven op een hele maand met een minimum van € 300,00, onverlet de overige rechten en bevoegdheden van verhuurder dan wel diens beheerder (…)
Artikel 5. Overige en kosten
(…)
Boven de huurprijs zijn voor rekening van huurder de kosten van levering, transport, de meting en het verbruik van water, gas, elektriciteit en warmte ten behoeve van het gehuurde, waaronder begrepen de kosten van het aangaan van de betreffende overeenkomsten en de meterhuur, alsmede eventuele andere kosten en boetes die door de nutsbedrijven in rekening worden gebracht.(…)
Artikel 6. Bestemming en staat van het gehuurde
Het gehuurde zal door of vanwege huurder uitsluitend worden gebruikt overeenkomstig zijn wezenlijke bestemming, zijnde kantoorpand.
Artikel 8. Verbods- en gebruiksbepalingen
(…)
De huurder is verplicht het huurobject zodanig te gebruiken, dat niet in strijd wordt gehandeld met enige wet, verordening, of enig ander overheidsvoorschrift en dat ook niet het gevaar ontstaat dat enige overheidsvergunning zal of kan worden ingetrokken.”
Tussen 7 juli 2020 en 12 januari 2022 heeft [geïntimeerde] met verschillende tussenpozen van soms dagen en soms meerdere maanden elf maal verschillende betalingen, variërend van
€ 450,-- tot € 3.750,--, ontvangen die afkomstig zijn van de bankrekening van [appellant ] onder vermelding van “huur” met daarbij doorgaans vermeld de desbetreffende maand(en) dan wel alleen met aanduiding van de betreffende maand(en).
Op 8 februari 2022 heeft de Nationale Politie in het gehuurde een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen en ontmanteld, waarbij onder andere 334 planten, 16 assimilatielampen, twee ventilatoren en een koolstoffilter zijn aangetroffen. Daarnaast heeft de politie geconstateerd dat er sprake is van het illegaal afnemen van stroom in het gehuurde. Het onderzoek van de politie, waarin eerder gebruikte kweektenten en een laag stof op de afvoerslangen zijn vermeld, wees op zeven eerdere oogsten.
Bij brief van 24 februari 2022 heeft de burgemeester van de gemeente [gemeente] aan [geïntimeerde] zijn besluit om het gehuurde voor negen maanden te sluiten kenbaar gemaakt. [geïntimeerde] heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Naar aanleiding van dit bezwaar heeft de gemeente op 17 juni 2022 besloten dat het besluit in stand blijft. [geïntimeerde] is hiertegen in beroep gegaan en in beroep is geoordeeld dat de duur van de sluiting wordt verkort tot zes maanden.
Bij brief van 2 maart 2022, per deurwaardersexploot van 3 maart 2022 aan [appellant ] betekend, heeft [geïntimeerde] de huurovereenkomst opgezegd tegen 31 januari 2023. Daarnaast heeft [geïntimeerde] [appellant ] aansprakelijk gesteld voor alle schade die is ontstaan doordat een hennepkwekerij in het gehuurde is aangetroffen.
Per 1 oktober 2022 heeft [geïntimeerde] het gehuurde verhuurd aan een derde tegen een huurprijs van € 750,-- exclusief btw, zijnde € 907,50 inclusief btw, per maand.
In januari 2023 heeft [geïntimeerde] conservatoir beslag gelegd op een bankrekening en onroerende zaak van [appellant ] .
4 Procedure bij de kantonrechter
[geïntimeerde] heeft bij de kantonrechter gevorderd dat [appellant ] wordt veroordeeld bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van:
- € 15.000,-- aan onbetaald gelaten huur over de periode februari 2022 tot en met januari 2023, vermeerderd met een boete van € 300,00 per maand wegens het niet tijdig betalen van de huur;
- € 49.405,28 voor een factuur van Liander, vermeerderd met een contractuele boete van 2% per maand vanaf de factuurdatum van 23 februari 2022 tot aan de maand van algehele voldoening;
- € 18.198,40 aan herstelkosten, vermeerderd met een boete van € 300,00 per maand vanaf september 2022;
- € 30.000,-- aan gederfde huuropbrengsten;
- € 6.559,29 aan juridische kosten;
- € 621,58 aan beslagkosten;
- de proces- en nakosten.
De kantonrechter heeft geoordeeld dat [appellant ] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat hij huurder was van het gehuurde en [appellant ] bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis veroordeeld tot betaling van € 83.614,48 (waarvan € 11.370,-- aan onbetaald gelaten huurtermijnen, € 900,-- aan contractuele boetes in verband met het te laat betalen van de huur, € 49.405,28 aan kosten Liander, € 18.198,40 aan herstelkosten en € 3.740,80 aan juridische kosten).
Daarnaast is [appellant ] veroordeeld tot betaling van de beslagkosten en de proceskosten.
5 Vordering in hoger beroep
[appellant ] vordert vernietiging van het bestreden vonnis en afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] , met veroordeling van [geïntimeerde] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest:
- tot betaling van de kosten van de door [appellant ] ingeschakelde deskundige van € 4.738,97 en;
- tot opheffing van het op het salaris van [appellant ] gelegd executoriaal beslag binnen zeven dagen na betekening;
- tot restitutie aan [appellant ] van al hetgeen door [geïntimeerde] dientengevolge werd ontvangen binnen zeven dagen na betekening, verhoogd met de wettelijke rente;
met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten en rente.
Volgens [geïntimeerde] moet het hof de vorderingen van [appellant ] afwijzen en het vonnis bekrachtigen, met veroordeling van [appellant ] in de kosten van het geding in hoger beroep met nakosten en rente bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest.
In incidenteel hoger beroep heeft [geïntimeerde] bij wijze van eisvermeerdering gevorderd om [appellant ] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest te veroordelen tot betaling van samengevat:
-
€ 4.500,-- voor de kosten van het deskundigenrapport in hoger beroep, met rente;
-
de wettelijke rente over de toegekende herstelkosten van € 18.198,40 en kosten van Liander van € 49.405,28;
-
de contractueel verschuldigde boete wegens het niet tijdig betalen van de huur over de periode vanaf februari 2022 tot en met september 2022;
-
€ 4.950,-- aan huurachterstand te vermeerderen met de contractuele boete vanaf de maand waarin de huurachterstand is opgelopen (augustus 2020, oktober 2020, december 2021 en januari 2022) tot de maand van algehele voldoening.
[appellant ] heeft in incidenteel hoger beroep geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.
6 Beoordeling
De grieven I tot en met XII in principaal hoger beroep zijn – samengevat – gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellant ] moet worden aangemerkt als huurder. Voor het geval [appellant ] veroordeeld wordt tot betaling aan [geïntimeerde] van enig bedrag heeft [appellant ] grieven XIII en XIV in principaal hoger beroep gericht tegen het oordeel dat de herstelkosten van € 18.198,40 en kosten van Liander van € 49.405,28 toewijsbaar zijn. Het hof zal hierna de eerste twaalf grieven van [appellant ] gezamenlijk behandelen.
Moet [appellant ] worden aangemerkt als contractpartij (huurder van het pand) van [geïntimeerde] ?
Op [geïntimeerde] rusten de stelplicht en bewijslast van de stelling dat [appellant ] het gehuurde van hem heeft gehuurd. Ter onderbouwing daarvan heeft [geïntimeerde] allereerst een huurovereenkomst overgelegd die volgens [geïntimeerde] is ondertekend door [appellant ] . [appellant ] heeft stellig ontkend dat zijn handtekening op de huurovereenkomst staat. Zowel [appellant ] als [geïntimeerde] hebben een of meer deskundigenrapport(en) ingebracht. Beide deskundigen zijn het erover eens dat de handtekening op de huurovereenkomst is vervalst. Volgens de door [geïntimeerde] ingeschakelde deskundige is er een “predominant probability” (90 procent zeker) dat [appellant ] zelf zijn handtekening heeft vervalst. Volgens de door [appellant ] ingeschakelde deskundige in reactie daarop, is het extreem veel waarschijnlijker dat iemand anders de handtekening van [appellant ] heeft vervalst (de kans op het waarnemen van de onderzoeksresultaten is meer dan 1.000.000 keer groter wanneer de handtekening niet van [appellant ] afkomstig is, dan wanneer de handtekening wel van hem afkomstig is).
Gelet op het feit dat de twee partijdeskundigen tegenstrijdig aan elkaar verklaren, acht het hof niet bewezen dat de handtekening op de huurovereenkomst van [appellant ] afkomstig is. De schriftelijke huurovereenkomst levert daarom geen enkel bewijs op (HR 12 april 2029, ECLI:NL:HR:2019:572).
[geïntimeerde] heeft zijn stelling met [appellant ] een huurovereenkomst te zijn overeengekomen verder als volgt onderbouwd:
-
[appellant ] heeft zijn legitimatiebewijs – voorafgaand aan de totstandkoming van de huurovereenkomst – getoond ter plaatse van het gehuurde, [geïntimeerde] heeft daarvan een foto gemaakt en [appellant ] heeft opgave gedaan van zijn NAW-gegevens;
-
Bij de ondertekening van de huurovereenkomst was naast [geïntimeerde] een getuige, [naam 1] (hierna: [naam 1] ) aanwezig. In het dossier zit een door [naam 1] getekende verklaring dat hij aanwezig was toen het contract in juni 2020 is getekend tussen [geïntimeerde] en [appellant ] ;
-
[appellant ] heeft de verschuldigde huurtermijnen steeds vanaf zijn bankrekening overgemaakt naar [geïntimeerde] (eerste betaling 7 juli 2020 en laatste betaling 12 januari 2022).
[appellant ] heeft betwist [geïntimeerde] of [naam 1] te kennen en ontkend hen ooit te hebben ontmoet of gesproken. Ook ontkent [appellant ] ooit in het gehuurde te zijn geweest. [appellant ] heeft toegelicht slachtoffer te zijn geworden van identiteitsfraude door [naam 2] (hierna: [naam 2] ), met wie [appellant ] had samengewerkt op een klus en die op een gegeven moment zijn identiteitskaart had gevonden toen zij samen in de auto zaten. In ruil voor € 250,-- per keer heeft [appellant ] cash (zwart) geld dat hij ontving van [naam 2] overgemaakt naar [geïntimeerde] om hem te helpen met de huur van een pand. In de aangifte die [appellant ] van de identiteitsfraude heeft gedaan bij de politie, heeft [appellant ] gedetailleerd toegelicht hoe dat volgens hem in zijn werk is gegaan.
[appellant ] heeft een kopie van het identiteitsbewijs van [naam 3] (hierna: [naam 3] ) ingebracht samen met een verklaring van [naam 3] . Daarin staat dat [naam 3] ook heeft samengewerkt als tegelzetter met [naam 2] en [naam 2] ook aan hem had gevraagd of hij een paar maanden de huur van een pand wilde betalen en zijn identiteitsbewijs wilde afgegeven tegen betaling van een vergoeding.
Het hof heeft hiervoor in 6.2. al overwogen dat aan de schriftelijke huurovereenkomst geen bewijskracht toekomt. Met betrekking tot de vraag of uit de overige stellingen van [geïntimeerde] moet worden afgeleid dat (alsnog) een huurovereenkomst tot stand is gekomen, oordeelt het hof als volgt. Het hof constateert dat [geïntimeerde] een aantal aan elkaar tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over de gang van zaken. Zo heeft [geïntimeerde] op de zitting in eerste aanleg verklaard tijdens het eerste bezoek van [appellant ] aan het gehuurde met hem door de loods te zijn gelopen en een foto van zijn ID-kaart te hebben gemaakt, waarna [appellant ] bij een tweede bezoek de schriftelijke huurovereenkomst heeft getekend. In een eerder verhoor bij de politie heeft [geïntimeerde] echter verklaard dat hij erbij was toen [appellant ] de huurovereenkomst ondertekende en dat [appellant ] toen zijn ID-kaart heeft getoond en daarvan een kopie is gemaakt.
[geïntimeerde] heeft desgevraagd op de zitting in hoger beroep geantwoord dat het handschrift waarmee de NAW-gegevens van [appellant ] op een concept van de huurovereenkomst zijn genoteerd afkomstig is van zijn tante. Dit is tegenstrijdig aan zijn verklaring op de zitting in eerste aanleg dat hij zelf deze gegevens heeft genoteerd op het concept van de huurovereenkomst. De door [geïntimeerde] nader gegeven toelichting dat hij die gegevens heeft doorgebeld aan zijn tante valt niet goed te rijmen met zijn stelling dat hij de kopie van de ID-kaart aan zijn tante heeft verstrekt om de definitieve huurovereenkomst op te maken. Het had immers voor de hand gelegen dat dan meteen ook de genoteerde NAW-gegevens waren verstrekt.
Verder heeft [geïntimeerde] op de zitting in eerste aanleg verklaard in september 2021 een melding van [appellant ] te hebben ontvangen over een lekkage, toen in het gehuurde te zijn geweest en dat toen nog geen sprake was van een hennepkwekerij. Dat strookt echter niet met de constatering van de politie begin februari 2022 dat in het gehuurde toen al zeven oogsten hadden plaatsgevonden (op basis van een hennepoogstcyclus van volgens [geïntimeerde] drie maanden dus een periode van 21 maanden) en ook niet met het rapport van Liander waaruit blijkt dat de hoofdstroom in januari 2020 afgesloten is geweest en toen het illegale aftappen van stroom is gestart. Desgevraagd in hoger beroep heeft [geïntimeerde] voor het eerst over een tweede lekkage gerept en toegelicht dat er anderhalve maand tussen de twee lekkages zou hebben gezeten. Dit verklaart echter nog steeds niet dat [geïntimeerde] de hennepplantage niet heeft gezien, terwijl de hennepplantage volgens de constateringen van de politie en van Liander toen al zo’n jaar / anderhalf jaar aanwezig moet zijn geweest.
De tegenstrijdigheden in de verklaringen van [geïntimeerde] over de momenten dat hij [appellant ] zou hebben gezien en gesproken, maken dat deze verklaringen de stelling van [geïntimeerde] dat hij met [appellant ] een huurovereenkomst heeft gesloten, onvoldoende onderbouwen. Dit te meer nu ook de verklaringen van [geïntimeerde] over de aanwezigheid van de hennepplantage tegenstrijdigheden bevatten.
De getuige die aanwezig zou zijn geweest bij de ondertekening van de huurovereenkomst door [appellant ] in juni 2020 is familie van [geïntimeerde] (een zwager) en daarmee niet onpartijdig. Daarbij komt dat [geïntimeerde] eerder bij de politie heeft verklaard dat de ondertekening in februari (en dus niet in juni) 2020 plaatsvond en dat [geïntimeerde] de aanwezigheid van zijn zwager toen helemaal niet heeft genoemd. Tot slot strookt de vermeende ondertekening in juni 2020 niet met het feit dat de hoofdstroom al in januari 2020 afgesloten is geweest en de diefstal van stroom toen is begonnen.
De betalingen vanuit de bankrekening van [appellant ] aan [geïntimeerde] leiden evenmin tot de conclusie dat tussen partijen (alsnog) een huurovereenkomst tot stand is gekomen. Er bestaan meerdere discrepanties tussen hetgeen in de schriftelijke huurovereenkomst staat opgenomen aan betalingsverplichtingen en de betalingen die [geïntimeerde] vanuit de bankrekening van [appellant ] heeft ontvangen. Zo staat in de huurovereenkomst dat bij ondertekening van de overeenkomst een waarborgsom moet worden betaald van € 2.550,-- en dat de kosten voor nutsvoorzieningen voor rekening komen van de huurder.
Niet in geschil is dat geen waarborgsom is betaald en dat ruim anderhalf jaar niet voor nutsvoorzieningen is betaald. Anders dan [geïntimeerde] heeft gesteld, betreffen dit naar het oordeel van het hof geen slordigheden. Het gaat om wezenlijke bedragen en het uitblijven van dergelijke betalingen wordt normaliter niet gedurende tenminste anderhalf jaar over het hoofd gezien. Het hof gaat voorbij aan het betoog van [geïntimeerde] dat deze verplichtingen per abuis in de overeenkomst staan omdat hij die van een concepthuurovereenkomst van internet had overgenomen. [geïntimeerde] heeft niet gesteld of onderbouwd zulks met [appellant ] te hebben besproken. De betalingen die [appellant ] heeft gedaan dekken de door [geïntimeerde] gestelde huurperiode niet, ook niet als zou worden uitgegaan van de gestelde ingangsdatum juni 2020, die niet strookt met de door [geïntimeerde] in de inleidende dagvaarding gestelde ingangsdatum van 1 februari 2020 en evenmin met het feit dat in januari 2020 de diefstal van stroom is gestart. Daarbij gaan de betalingen uit van een andere huurprijs dan (het volgens [geïntimeerde] afgesproken huurbedrag dat) in de schriftelijke huurovereenkomst staat vermeld.
Het hof komt tot de conclusie dat tussen partijen geen huurovereenkomst tot stand is gekomen. Mede in het licht van de gemotiveerde betwisting door [appellant ] , is immers als onvoldoende onderbouwd niet vast komen te staan dat [appellant ] de huurovereenkomst heeft getekend, dat [geïntimeerde] de ID-kaart van [appellant ] zelf heeft ontvangen en daarvan een kopie heeft gemaakt dat [geïntimeerde] de NAW-gegevens van [appellant ] zelf heeft ontvangen, of dat [appellant ] uit hoofde van de huurovereenkomst betalingen heeft gedaan aan [geïntimeerde] . Daarmee heeft [geïntimeerde] onvoldoende onderbouwd gesteld met [appellant ] een huurovereenkomst te hebben gesloten.
Dat [appellant ] niet meteen reageerde op de aansprakelijkstelling van [geïntimeerde] van 3 maart 2022, acht het hof bij de beoordeling of tussen partijen een overeenkomst is gesloten niet relevant, althans dit maakt de uitkomst niet anders. Hetzelfde geldt voor het feit dat [appellant ] – na door [geïntimeerde] als huurder te zijn aangemerkt – door het OM als verdachte is aangemerkt. Het feit dat het OM aan [appellant ] een transactie heeft aangeboden van slechts € 250,-- voor de medeplichtigheid waarvan [appellant ] werd verdacht, en die [appellant ] heeft geaccepteerd, is eerder een indicatie dat [appellant ] niet de daadwerkelijke huurder van het pand is geweest.
Omdat [geïntimeerde] onvoldoende heeft gesteld, komt het hof aan bewijslevering niet toe.
Slotsom en kosten
De slotsom is dat [appellant ] niet als huurder wordt aangemerkt en dus ook niet aansprakelijk is jegens [geïntimeerde] uit hoofde van de huurovereenkomst. De eerste twaalf grieven slagen in zoverre. De laatste twee grieven behoeven daarmee geen behandeling.
[geïntimeerde] heeft in de inleidende dagvaarding nog opgemerkt dat [appellant ] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld, maar deze grondslag feitelijk niet (voldoende) onderbouwd.
Het bestreden vonnis zal worden vernietigd en het hof zal de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog afwijzen. Het hof begrijpt de vordering van [appellant ] “tot restitutie aan [appellant ] van al hetgeen door [geïntimeerde] dientengevolge werd ontvangen” zo dat dientengevolge ook ziet op de vernietiging van het bestreden vonnis. Het hof zal deze vordering, die direct volgt uit de vernietiging van het vonnis, toewijzen. De overige twee vorderingen van [appellant ] (opheffing van het beslag en vergoeding van de deskundigenkosten) zijn zelfstandige vorderingen en het hof zal [appellant ] daarin niet-ontvankelijk verklaren. [appellant ] was in eerste aanleg gedaagde in conventie en heeft geen vordering in reconventie ingediend. [appellant ] kan daartoe niet voor het eerst in hoger beroep overgaan (artikel 353 lid 1 Rv). Ten overvloede geldt dat [appellant ] vergoeding van de deskundigenkosten heeft gevraagd zonder nadere toelichting en zonder daarbij een grondslag te noemen. Voor zover [appellant ] heeft bedoeld een beroep te doen op artikel 6:96 lid 2 onder b BW, geldt dat voornoemd artikel geen zelfstandige grondslag biedt voor vergoeding van kosten. Het is van toepassing als sprake is van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding en de deskundige is ingeschakeld om vast te stellen of een gebeurtenis heeft geleid tot schade en zo ja, of iemand daarvoor aansprakelijk te stellen is. Dat is bij de inschakeling van de deskundige door [appellant ] voor het voeren van verweer niet aan de orde.
[geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in beide instanties. Het hof stelt de proceskosten in eerste aanleg vast op
€ 1.588,-- aan salarisgemachtigde. In principaal hoger beroep bedragen de proceskosten:
- explootkosten € 136,10
- griffierecht € 783,--
- salaris advocaat € 7.056,-- (tarief IV, 3 punten)
- nakosten € 189,--
Totaal € 8.164,10
De eiswijziging in incidenteel hoger beroep is gebaseerd op het uitgangpunt dat een huurovereenkomst met [appellant ] bestaat. Nu deze grondslag niet is vast komen te staan, heeft het incidenteel hoger beroep geen succes. De grieven slagen niet en [geïntimeerde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten. Het hof stelt de proceskosten in incidenteel hoger beroep vast op € 3.528,-- (3 punten maal de helft van tarief IV).
7 Beslissing
Het hof:
verklaart [appellant ] niet-ontvankelijk in zijn vordering tot opheffing van het door [geïntimeerde] gelegde beslag en tot vergoeding van de door [appellant ] gemaakte deskundigenkosten;
vernietigt het bestreden vonnis en opnieuw recht doende:
wijst de vorderingen van [geïntimeerde] af;
veroordeelt [geïntimeerde] tot restitutie aan [appellant ] van al hetgeen ter uitvoering van het bestreden vonnis is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest aan deze veroordeling is voldaan;
veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van de eerste aanleg, aan de zijde van [appellant ] begroot op € 1.588,--, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest aan deze kostenveroordeling is voldaan;
veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten in principaal hoger beroep aan de zijde van [appellant ] tot op heden in begroot op € 8.164,10, te vermeerderen met € 98,-- voor nakosten en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;
verklaart bovenstaande proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten in incidenteel hoger beroep aan de zijde van [appellant ] tot op heden begroot op € 3.528,--;
wijst af het anders of meer gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. Z.D. van Heesen-Laclé, A.L. Bervoets en A.J.M. Lauvenberg en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026.