Civiel recht overig

Verzekeringsrecht; begrip arbeidsongeschiktheid in polis; verzekeraar weigert tot uitkering onder de polis…

Gerechtshof Amsterdam, 29 september 2026

Zaakgegevens

Op 29 september 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
29 september 2026
Datum publicatie
29 september 2026
Zaaknummer
200.303.007/01
Procedure
Hoger beroep
Advocaat
mr. E.J. Wervelman te Utrecht, mr. A. [naam 7] te Rotterdam
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:2779
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzekeringsrecht; begrip arbeidsongeschiktheid in polis; verzekeraar weigert tot uitkering onder de polis over te gaan omdat niet kan worden vastgesteld de verzekerde “als gevolg van ziekte of een ongeval medisch vast te stellen stoornissen heeft”.

Een door partijen gezamenlijke benoemde deskundige oordeelde dat geen diagnose [x] kon worden vastgesteld. Het hof oordeelt op basis van die bevindingen dat niet is voldaan aan het arbeidsongeschiktheidsbegrip. Het standpunt van verzekerde dat enkel op basis van een subjectief klachtenpatroon dat zou kunnen passen bij de diagnose [x] zou kunnen worden geconcludeerd dat is voldaan aan dat arbeidsongeschiktheidsbegrip omdat daarin het woord ‘objectief’ ontbreekt, miskent dat dat begrip wel een relatie met een ziekte vereist. Die relatie met een ziekte (specifiek x) is nu juist blijkens het rapport van de deskundige medisch niet vast te stellen. Volgt vernietigingen vonnissen Rb (ECLI:NL:RBAMS:2019:1882; ECLI:NL:RBAMS: 2019:3453; ECLI:NL:RBAMS:2020:3074; ECLI:NL:RBAMS:2021:2540)

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

team I (handel)

zaaknummer : 200.303.007/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/645597/HA ZA 18/319

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 29 september 2026

in de zaak van

NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

appellante,

advocaat: mr. E.J. Wervelman te Utrecht,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend in [plaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. A. [naam 7] te Rotterdam.

Appellante wordt hierna NN of (waar destijds van toepassing) Delta Lloyd genoemd, en geïntimeerde wordt [geïntimeerde] genoemd.

1 De zaak in het kort

[geïntimeerde] heeft jarenlang gewerkt als een zelfstandig fysiotherapeut. Hij heeft een arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten bij de rechtsvoorganger van NN, Delta Lloyd. Als gevolg van toenemende spierpijnklachten, vermoeidheid in armen en benen, en krachtsverlies heeft hij zich arbeidsongeschikt gemeld. Nadat [geïntimeerde] door zijn huisarts is verwezen naar de neuroloog in Lievensberg Ziekenhuis te [plaats] , is [geïntimeerde] nog onderzocht in het Erasmus Medisch Centrum te Rotterdam en de afdeling neuromusculaire ziekten in het UMC St. Radboud te Nijmegen. Ondanks uitgebreide onderzoeken kon geen diagnose worden gesteld. [geïntimeerde] is daarop voor een second opinion naar een neuroloog in het Universitair Ziekenhuis in Leuven gegaan, alwaar de diagnose metabole myopathie werd gesteld. Nader DNA-onderzoek leverde geen bevestiging op van deze diagnose.

NN heeft zich op het standpunt gesteld dat niet is voldaan aan het arbeidsongeschiktheidsbegrip in de polisvoorwaarden, waarvoor vereist is dat de verzekerde als gevolg van ziekte of een ongeval medisch vast te stellen stoornissen heeft. [geïntimeerde] heeft - kort samengevat - gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat zijn klachten en beperkingen als gevolg van metabole myopathie onder de dekking vallen en dat NN tot uitkering moet overgaan.

De rechtbank heeft zijn vorderingen toegewezen. Daartegen richt zich het hoger beroep van NN. Het hof komt, anders dan de rechtbank, tot het oordeel dat niet is voldaan aan het arbeidsongeschiktheidsbegrip volgens de polis.

2. Het geding in hoger beroep

NN is bij dagvaarding van 12 mei 2021 in hoger beroep gekomen van vonnissen van de rechtbank Amsterdam van 20 maart 2019, 15 mei 2019, 15 april 2020 en 28 april 2021, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en Delta Lloyd als gedaagde.

In afwachting van de behandeling van het parallelle verzoek van [geïntimeerde] om een voorlopig deskundigenbericht, is de zaak ambtshalve geroyeerd. Nadat dat verzoek bij beschikking van 28 juni 2022 van dit hof is afgewezen, is de onderhavige zaak door [geïntimeerde] opnieuw opgebracht.

Daarna hebben partijen de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven met producties;

- memorie van antwoord met producties.

Op 15 april 2024 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden.

De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd. Namens NN zijn nog de producties A-7 en A-8 in het geding gebracht. De zaak is aangehouden voor schikkingsonderhandelingen.

Op 25 juni 2024 heeft een voortgezette mondelinge behandeling plaatsgevonden. Van deze mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

Daarna hebben partijen de volgende stukken ingediend:

- memorie na deskundigenbericht met producties van de zijde van [geïntimeerde] ;

- memorie na deskundigenbericht met productie van de zijde van NN.

Ten slotte is arrest gevraagd.

3 Feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten.

3.1.

[geïntimeerde] is zelfstandig fysiotherapeut.

3.2.

Tussen partijen is sinds 6 juni 2012 een arbeidsongeschiktheidsverzekering van kracht. In de daarop van toepassing zijnde polisvoorwaarden staat, voor zover van belang, het volgende:

“Artikel 3.1

BEGRIP ARBEIDSONGESCHIKTHEID

Van arbeidsongeschiktheid is uitsluitend sprake indien verzekerde als gevolg van ziekte of een ongeval medisch vast te stellen stoornissen heeft. En verzekerde daardoor beperkt is in zijn handelen en werken. Arbeidsongeschiktheid wordt voor deze verzekering aanwezig geacht indien verzekerde als gevolg van de stoornissen tenminste 25% arbeidsongeschikt is tot het verrichten van de werkzaamheden die horen bij zijn verzekerde beroep. Zoals dat verrichten van werkzaamheden voor de beroepsbezigheden in de regel redelijkerwijs kan worden verlangd. (…)”

(…)

Artikel 6.2

VASTSTELLING VAN DE UITKERING

De mate van arbeidsongeschiktheid, de omvang van de uitkering en de periode waarvoor deze zal gelden, worden vastgesteld door Delta Lloyd aan de hand van gegevens van door Delta Lloyd aan te wijzen medische en andere deskundigen. Van deze vaststelling zal ten spoedigste na ontvangst van alle voor de beoordeling noodzakelijke gegevens aan verzekeringnemer mededeling worden gedaan.

Indien de verzekeringnemer niet binnen 30 dagen zijn bezwaren heeft kenbaar gemaakt, wordt hij geacht het standpunt van Delta Lloyd te aanvaarden.”

3.3.

[geïntimeerde] heeft zich op 30 september 2014 gedeeltelijk en per 1 juni 2015 volledig arbeidsongeschikt gemeld bij Delta Lloyd in verband met - in toenemende mate - spierpijnklachten, vermoeidheid in armen en benen, en minder kracht. Delta Lloyd is in eerste instantie tot uitkering onder de verzekering overgegaan.

3.4.

[geïntimeerde] werd door zijn huisarts doorverwezen naar een neuroloog [naam 1] van het Lievensberg Ziekenhuis te [plaats] . [naam 1] verwees [geïntimeerde] op 3 juli 2014 door naar prof. [naam 2] , verbonden aan het Erasmus MC te Rotterdam. Blijkens diens medisch verslag van 23 september 2014 werd als werkdiagnose “Myopathie, verdenking McArdle” gesteld. [naam 2] verwees [geïntimeerde] door naar UMC St. Radboud, poli neuromusculaire ziekten te Nijmegen. De ziekten van Pompe en McArdle werden uitgesloten. Een diagnose kon niet worden gesteld.

3.5.

[geïntimeerde] heeft daarop op eigen initiatief een second opinion gevraagd aan het Universitair Ziekenhuis te Leuven, polikliniek voor neuromusculaire ziekten. Hij heeft neurologen van deze polikliniek geconsulteerd op 9 en 15 februari, 31 maart, 5 april, 3 juni, 19 juli en 28 september 2016.

In een verslag van het consult van 9 februari 2016 staat:

“Anamnese

Sinds een 3-tal jaren zijn er klachten van spierpijnen. Hij heeft altijd gevoetbald, frequent gesport. Van kinds af aan merkt hij dat er minder uithoudingsvermogen was: hij moest na inspanningen stoppen na 10 minuten. Laatste jaren dat hij voetbalde op korte tijd verschillende spierscheuren. Een 3-tal jaren geleden is dit sneller achteruit gegaan: voetballen ging niet meer, heel veel spierpijnen en krampen. Hij had dan 2-3 dagen herstel nodig. Tijdens werken merkte hij dan sneller vermoeidheid in de armen. Er is dan geen verminderde kracht. Hij merkt dat de spieren sneller verzuren. Er was op een aantal maanden snel achteruit, nu blijft het op een slecht niveau. Er is spierpijn die continu aanwezig is. Onmiddellijk bij begin van de inspanning (minuten) moeilijk. (…) Bij koude heeft hij sneller last dan bij warmte. (…) Wel soms spierpijn wanneer hij in bed ligt.

Soms wat tintelingen gehad in de vingertoppen. De urine is donker (bruine kleur) het laatste jaar, bij inspanning neemt dit toe. Geen andere urinaire klachten. Geen obstipatie. De klachten zijn erg invaliderend.”

In een verslag van het consult van 5 april 2016 staat:

“Bespreking en besluit”

(…) Verder bepaalden we (…) opnieuw CK’s (normaal). De man heeft af en toe donkere urine, we adviseerden hem om tijdens dergelijke episodes CK’s te laten controleren bij u.”

In een verslag van het consult van 19 juli 2016 staat:

“Bespreking en besluit

(…) We stellen voor om CK waarde te laten bepalen als hij veel spierpijn heeft en/of er donkere urine is. Indien deze CK waarden fors verhoogd zijn, zullen we verder genetische diagnostiek uitvoeren voor metabole myopathieën.”

In een verslag van het consult van 28 september 2016 staat:

“Intervalanamnese:

De klinische toestand bij patiënt is stabiel. Er werd een serum-CX-waarde bij huisarts gecontroleerd, zonder voorafgaandelijke inspanningen, die tot 341 U/l verhoogd was. De patiënt heeft regelmatig donkere urine.

‘s Ochtends bij het wakker worden ervaart de patiënt het slechtste moment. De klachten waren reeds als kind aanwezig. Zo moest hij tijdens het voetballen wegens optreden van krampen stoppen. Daarna ging het terug beter, maar elke paar minuten moest hij de inspanning onderbreken. De delay tussen inspanningen werd in de loop der jaren steeds korter. Onder een behandeling met Tegretol 200 mg 2x/dag had de patiënt duidelijk minder pijn, maar hij ontwikkelde een allergische huidreactie. Tegretol werd daaropvolgend gestopt. (…)

Bespreking en besluit

(…) Wij volgen uw patiënt (…) omwille van inspanningsafhankelijke krampen en myalgiën, evenals myoglobinurieën.

We vermoeden een metabole myopathie. (…) Wij vragen een Whole-Exome Sequencing (WES) onderzoek naar metabole myopathieën aan. (…) Wij legden de patiënt uit dat WES op dit ogenblik het meest gesofisticeerde genetisch onderzoek is dat we in diagnostische setting kunnen aanbieden, echter zonder garantie dat een resultaat bekomen wordt.”

3.6.

In opdracht van Delta Lloyd is vervolgens op 14 december 2016 een neurologische expertise verricht door dr. [naam 3] , neuroloog te Veldhoven. In diens rapport van 16 december 2016 (hierna: het rapport [naam 3] ) staat, voor zover van belang:

“3.6.1. Samenvatting ziektegeschiedenis uit het medisch dossier (pagina 10)

(..) De behandelend neuroloog heeft wel het vermoeden op het bestaan van een myopathie maar kan dit nog niet objectiveren. Gezien dit vermoeden dien ik redelijkerwijs uit te gaan van het bestaan van een myopathie, hoewel er geen afwijkingen zijn vastgesteld. (…)

3.7.2

Differentiaaldiagnostische overwegingen

Het medisch dossier geeft voldoende aanwijzingen dat er door deskundigen wordt gedacht aan een metabole myopathie. Zeer uitvoerig onderzoek in drie academische ziekenhuizen kan echter geen oorzaak aantonen, noch een diagnose stellen. Een dergelijke aandoening met zekerheid uitsluiten is echter onmogelijk. Derhalve is het ten aanzien van een bepaling van de AO essentieel te bepalen of er consistentie bestaat ten aanzien van anamnese en de onderzoeksbevindingen. In deze casus is dit moeilijk te bepalen. Onderzochte maakt een betrouwbare indruk. Anderzijds is er enige relativering op zijn plaats ten aanzien van de klachten en de prestaties die onderzochte kan leveren, zeker in relatie tot zijn arbeid als fysiotherapeut. Mijn onderzoek was geheel zonder afwijkingen ten aanzien van een relevante neuromusculaire aandoening. (…)

3.8.

Diagnose

(…) Onderzochte, fysiotherapeut van beroep, vermeldt klachten die duiden op myopathie (spierziekte). (…) De anamnese wijst op een spierziekte, doch vertoont inconsistenties en relativeert de ernst van de beperkingen. Bij onderzoek worden geen objectiveerbare afwijkingen vastgesteld. Ik kan derhalve ten aanzien van de gepresenteerde klachten op dit moment geen neurologische diagnose stellen.

4. Zakelijk rapport

(…) Ad vraag 2: Wat zijn uw bevindingen bij het onderzoek en welke objectief medisch vast te stellen stoornissen heeft betrokkene in relatie tot ziekte of ongeval?

(…) Uitgebreid onderzoek gericht op het aantonen van een myopathie leverde tot op heden geen overtuigende afwijkingen op. Desalniettemin spreekt de behandelend neuroloog van een vermoeden op een myopathie.

Ad vraag 3: Welke diagnose stelt u?

Ten aanzien van de overige klachten kom ik niet verder dan dat deze duiden op de aanwezigheid van een metabole myopathie, doch dat er tot op heden, ondanks zeer uitgebreid aanvullend onderzoek, geen afwijkingen zijn geobjectiveerd.

Ad vraag 7: Wat is uw differentiaal diagnose?

(..) een metabole myopathie, danwel een myopathie door andere (onbekende) oorzaak, of functionele klachten door een psychogene oorzaak.”

3.7.

Op basis van het rapport [naam 3] heeft Delta Lloyd [geïntimeerde] bij brief van 1 februari 2017 meegedeeld dat de uitkering onder de verzekering (stapsgewijs) per 1 mei 2017 zou worden stopgezet omdat er volgens Delta Lloyd geen sprake is van een gedekt evenement wegens het ontbreken van “een medisch aantoonbare stoornis door ziekte of een ongeval.”

3.8.

[geïntimeerde] heeft aanvullende informatie ingewonnen bij voornoemde polikliniek in Leuven op 7 april 2017. In een ongedateerde brief van prof. [naam 4] (hierna: [naam 4] ), verantwoordelijk staflid, staat, voor zover van belang:

“Wij volgen deze patiënt omwille van een metabole myopathie met myalgiën, spierkrampen en CT-stijging uitgelokt door spierinspanningen. Een exome sequencing is lopende in de hoop het onderliggend genetisch defect op te sporen. Reeds sinds de eerste visite bij ons (…) was metabole myopathie de werkdiagnose.”

In een verslag van (o.a.) [naam 4] van 16 april 2017 van het consult van 7 april 2017 staat, voor zover van belang:

“Technische onderzoeken

(…) Resultaten inspanningstest [plaats] : Na minimale inspanning CK verhoging van 341 U/L. (…)

Bespreking en besluit:

Wij zagen uw patiënt (…) op de raadpleging neurologie op 07-04-2017. We volgen hem omwille van inspanningsafhankelijke krampen en myalgieën, evenals myoglobinurieën. Clinico-anamnestisch vernemen we een stabiele, slechte toestand. Zelfs bij kleine inspanningen excacerberen de krampen en myalgieën. Daarna kleurt zijn urine ook donkerder. Uitgebreide investigaties (incl. extern twee maal spierbiopsie en MRI whole body spieren) hebben tot op heden bij patiënt geen genetische oorzaak aan het licht gebracht. Een inspanningstest in [plaats] toonde aan dat zelfs na een minimale inspanning de CE waardes reeds verdubbelen, wat ook pleit voor een metabole myopathie. (…) We stellen op klinische en biochemische basis de diagnose van een metabole myopathie bij deze patiënt. Verdere bepaling van het causatieve gen is aangevraagd onder de vorm van een WES (…)”

3.9.

[geïntimeerde] heeft voornoemd verslag aan Delta Lloyd verstrekt, die dit op haar beurt heeft voorgelegd aan [naam 3] . [naam 3] heeft daarop aanvullend gerapporteerd op 19 juli 2017:

“(…)

Beschouwing: De recente informatie van Prof. [naam 4] wijst op basis van de anamnese en een lichte niet significante stijging van het CK op een verdenking op een metabole myopathie. Tot op heden kon geen objectiveerbare diagnose worden gesteld. Het verschil tussen een objectiveerbaar ziektebeeld en functionele klachten betreft het vaststellen van een gendefect waarbij een dergelijk ziektebeeld beschreven is. Tot heden is dit niet het geval. Er bestaan geen objectiveerbare afwijkingen bij uitvoerig verricht neurologisch en aanvullend onderzoek (…).

Conclusie: Klachten die wijzen op een inspanningsgebonden metabole myopathie die (nog) niet objectief kan worden aangetoond. Vooralsnog kan dus geen diagnose worden gesteld en ontbreken objectiveerbare afwijkingen.”

Delta Lloyd heeft [geïntimeerde] daarop op 25 augustus 2017 bericht dat zij haar afwijzende standpunt handhaaft.

3.10.

Vervolgens heeft [naam 4] op verzoek van [geïntimeerde] de volgende nadere toelichting op zijn verslag van 16 april 2017 gegeven:

e-mail van 27 september 2017: “De kliniek van patiënt wijst op een metabole myopathie. Een zekerheidsdiagnose kan enkel met gentesting, die ook niet 100% sluitend is. Binnen neuromusculaire ziekten zijn er vele patiënten bij wie nooit een gendefect gevonden wordt en toch een diagnose gesteld wordt op klinische basis.”

e-mail van 24 oktober 2017: “Een klinische diagnose van metabole myopathie, of werkdiagnose van metabole myopathie kan dus gesteld worden. Er is vanuit medisch standpunt geen verschil tussen beide begrippen. Een zekerheidsdiagnose kan enkel met gentesting, die ook niet 100% sluitend is.”

3.11.

Delta Lloyd heeft [geïntimeerde] daarop bij e-mail van 17 november 2017 bericht dat zij blijft bij haar afwijzende standpunt.

3.12.

Delta Lloyd heeft [naam 3] vervolgens bij brief van 27 maart 2018 de volgende vraag voorgelegd:

“Bedoelt u nu te stellen dat u redelijkerwijs wel uitgaat van het bestaan van myopathie of niet? Dat schrijft u immers op pagina 10 van uw expertiserapport.”

3.13.

[naam 3] heeft op 7 april 2018 hierop gereageerd met een tweede aanvullend rapport. Hierin staat, voor zover van belang (pagina 15/16):

“Bovenstaande casus rechtvaardigt de overweging of er sprake is van een myopathie en de klinische verdenking hierop is groot. Uit het ontbreken van geobjectiveerde beperkingen (FIS-tabel) leid ik af dat ik momenteel geen neurologische diagnose kan stellen, omdat deze ook in de behandelende sector niet is gesteld. Het ontbreken van geobjectiveerde beperkingen, betekent dat er geen neurologische diagnose is die deze beperkingen rechtvaardigt. Ik ga hierbij af op de gegevens die aanwezig zijn in het medisch dossier.

Op pagina 10 schrijf ik dat ik redelijkerwijs dien uit te gaan van de diagnose myopathie, omdat de behandelaar hiervan uitgaat. Tot heden is deze diagnose echter niet definitief gesteld ondanks zeer uitgebreid aanvullend onderzoek en kan ik subjectief ervaren beperkingen niet onderbouwen met een neurologische diagnose. Zonder een neurologische diagnose, mag ik geen beperkingen aannemen. De door betrokkene aangegeven klachten kunnen duiden op een myopathie, maar deze klachten worden niet onderbouwd met een neurologische diagnose. In mijn rapport ga ik ervan uit dat er geen diagnose is gesteld die de klachten van betrokkene kan onderbouwen, hoewel er op grond van deze klachten een sterk vermoeden bestaat op de aanwezigheid van een myopathie.”

3.14.

Blijkens een verslag van (o.a.) [naam 4] van 26 april 2018 zijn op 10 april 2018 de resultaten van de genetische screening (WES) met [geïntimeerde] besproken, te weten dat er geen gendefect kon worden vastgesteld. In dit verslag staat onder “Bespreking en besluit” ter aanvulling op de weergave van 16 april 2017 (2.8):

“(…) Een mendelioom-screening kon geen pathogene mutaties aantonen. Dit resultaat werd vandaag ook aan patiënt meegedeeld. We stellen op klinische en biochemische basis de diagnose van een metabole myopathie bij deze patiënt. Er zijn geen bijkomende onderzoeken aangewezen op dit moment. (…)”

4 Procedure bij de rechtbank

4.1.

Samengevat heeft [geïntimeerde] bij de rechtbank gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, (i) voor recht te verklaren dat de klachten en beperkingen van [geïntimeerde] ten gevolge van de metabole myopathie, zoals thans genoemd door prof. [naam 4] , onder de dekking van de verzekering vallen en Delta Lloyd gehouden is dekking te verlenen voor de arbeidsongeschiktheid die voortvloeit uit deze klachten en beperkingen; (ii) Delta Lloyd te veroordelen om vanaf heden, lopende het traject tot het bepalen van de arbeidsongeschiktheid, bij wijze van voorschot tot uitkering over te gaan op basis van 100% arbeidsongeschiktheid; (iii) Delta Lloyd te veroordelen (met terugwerkende kracht) tot uitkering over te gaan onder de verzekering en premievrijstelling te verlenen, voor de klachten van [geïntimeerde] ten gevolge waarvan hij arbeidsongeschikt is, te vermeerderen met rente en (buitengerechtelijke) kosten.

4.2.

De rechtbank heeft – voor zover in hoger beroep van belang - in het bestreden tussenvonnis van 20 maart 2019 overwogen dat (arbeidsongeschiktheid in) de polis zo moet worden begrepen dat sprake is van een medisch vast te stellen stoornis voor zover sprake is van een herkenbaar en benoembaar ziektebeeld en voorts dat uit het door [naam 4] genoemde klinisch en biochemisch onderzoek kan volgen dat sprake is van metabole myopathie als herkenbaar en benoembaar ziektebeeld. Vervolgens zijn een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige benoemd ten einde de mate van arbeidsongeschiktheid te bepalen. Bij het bestreden eindvonnis heeft de rechtbank voor recht verklaard dat de klachten en beperkingen van [geïntimeerde] ten gevolge van metabole myopathie onder de dekking van de verzekering vallen en dat Delta Lloyd gehouden is dekking te verlenen voor de arbeidsongeschiktheid die voortvloeit uit deze klachten en beperkingen. Zij heeft Delta Lloyd voorts veroordeeld om tot uitkering over te gaan, zoals door [geïntimeerde] was gevorderd.

5 Vordering in hoger beroep

5.1.

NN vordert – zoals geformuleerd bij memorie na deskundigenbericht - vernietiging van de bestreden vonnissen en, opnieuw rechtdoende, alsnog de vorderingen van [geïntimeerde] af te wijzen met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling aan NN van al hetgeen zij uit hoofde van de bestreden vonnissen aan [geïntimeerde] heeft voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van betaling tot de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties, waaronder de kosten van het deskundigenbericht van dr. [naam 5] , met nakosten en rente, een en ander met inachtneming van hetgeen partijen met elkaar zijn overeengekomen zoals blijkt uit het proces-verbaal van de zitting van 25 juni 2024 bij dit hof.

5.2.

Volgens [geïntimeerde] moet het hof de vorderingen van NN afwijzen en het vonnis bekrachtigen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van NN in de kosten van het geding in hoger beroep inclusief de kosten van het deskundigenbericht van dr. [naam 5] , te vermeerderen met de wettelijke rente.

6 Beoordeling

6.1.

NN is met vier grieven opgekomen tegen de bestreden vonnissen. Met haar eerste grief bestrijdt zij het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde] lijdt aan metabole myopathie als herkenbaar en benoembaar ziektebeeld en dat dus sprake is van een medisch vast te stellen stoornis als gevolg van ziekte, zoals bedoeld in de polisvoorwaarden. Zij voert aan dat voor een medisch vast te stellen stoornis sprake moet zijn van lichamelijke klachten die kunnen worden herleid tot een ziektebeeld. Daarvan is volgens NN geen sprake. Zij baseert zich op het deskundig oordeel van de door haar aangewezen deskundige neuroloog [naam 3] .

6.2.

[geïntimeerde] stelt zich op het standpunt dat, nu in de polisvoorwaarden niet is vermeld dat sprake moet zijn van een objectief medisch vast te stellen stoornis, hij er redelijkerwijs vanuit mag gaan dat hij ook uitkering zal ontvangen als hij zijn werk niet meer kan verrichten door een herkenbaar en benoembaar ziektebeeld, ook als daarvoor geen medisch te objectiveren afwijkingen of symptomen kunnen worden vastgesteld. Een redelijke uitleg brengt volgens [geïntimeerde] mee dat ook ingeval geen objectief medische diagnose dan wel geen eenduidige medische oorzaak voor de klachten is vast te stellen, maar wel sprake is van een herkenbaar en benoembaar ziektebeeld, sprake kan zijn van arbeidsongeschiktheid. [geïntimeerde] meent dat dit het geval is, en baseert zich op de rapportages van zowel [naam 3] als [naam 4] .

6.3.

Het gaat in dit dekkingsgeschil over de vraag of en in hoeverre NN dekking dient te verlenen aan [geïntimeerde] . Waartoe NN als verzekeraar is gehouden, dient door uitleg van de verzekeringsovereenkomst te worden vastgesteld. Bij de uitleg van een schriftelijk contract zijn telkens van beslissende betekenis alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen (HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2687). Tot de verzekering behoren verzekeringsvoorwaarden volgens een bepaald model. Over de tekst van dergelijke voorwaarden wordt in de regel niet onderhandeld. Daarom geldt als uitgangspunt voor de uitleg van de verzekeringen dat deze met name afhankelijk is van objectieve factoren zoals de bewoordingen waarin de relevante bepalingen zijn gesteld, gelezen in het licht van de verzekeringsvoorwaarden als geheel. (HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:601 en HR 16 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2793). Niet beslissend zijn de bedoelingen van partijen voor zover deze niet uit de in de verzekeringen opgenomen bepalingen kenbaar zijn, maar de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen daarvan en de aard van de verzekering in kwestie. Dit uitgangspunt zou uitzondering kunnen lijden als de verzekeraar en de verzekeringnemer over concrete, voor het geschil relevante onderdelen van de tekst van de verzekering wel overleg hebben gehad en/of als daarover onderhandelingen hebben plaatsgevonden. Niet is gesteld of gebleken dat dit het geval is geweest.

6.4.

De vraag of is voldaan aan de voorwaarden voor een uitkering op grond van de polis wordt volgens de polisvoorwaarden beantwoord op basis van door de verzekeraar aan te wijzen deskundigen. NN heeft voor die beoordeling neuroloog [naam 3] ingeschakeld, die op basis van zijn eigen onderzoek en de hem ter beschikking gestelde informatie uit de behandelende sector, tot de conclusie is gekomen dat de diagnose metabole myopathie niet kan worden gesteld. De vordering van [geïntimeerde] komt erop neer dat deze conclusie moet worden verworpen.

6.5.

Bij gelegenheid van de (voortgezette) mondelinge behandeling van 25 juni 2024 hebben partijen overeenstemming bereikt over het volgende:

Partijen hebben met elkaar afgesproken dat de betalingen (en de premievrijstelling) die thans aan [geïntimeerde] worden betaald uit hoofde van het vonnis van de rechtbank bij wijze van voorschot worden gedaan vanaf 15 april 2024. Partijen gaan met elkaar in onderhandeling over een te benoemen neuroloog en de aan deze te stellen vragen. Na afronding van het gezamenlijk expertiserapport zullen zij dit in handen stellen van het hof met het verzoek om arrest te wijzen De betalingen voor 15 april 2024 zullen niet teruggevorderd worden. De kosten van het neurologisch onderzoek zullen voorlopig worden gedragen door Nationale Nederlanden. Het hof zal daar bij arrest definitief over beslissen. De deskundige krijgt het volledige procesdossier in handen.

Partijen zijn het vervolgens eens geworden over de persoon van de rapporterend neuroloog en de aan hem te stellen vragen. Daarop is neuroloog dr. [naam 5] tot deskundige benoemd.

6.6.

[naam 5] heeft ter uitvoering van de opdracht de anamnese afgenomen bij [geïntimeerde] , lichamelijk onderzoek verricht, en een samenvatting gegeven van het medisch dossier, de stukken uit deze rechtszaak en de nader met toestemming van [geïntimeerde] opgevraagde informatie uit het Radboud UMC. Vervolgens heeft hij een samenvatting en beschouwing opgenomen.

Dit leidt tot de volgende conclusie:

“(…)

De differentiaaldiagnostische overwegingen zijn als volgt:

De belangrijkste klachten van betrokkene zijn spierpijn en spierkrampen vanaf de puberleeftijd. De spierkracht is altijd goed gebleven maar het uithoudingsvermogen van spieren [is] verminderd. De klachten zijn anamnestisch progressief.

In de neuromusculaire anamnese is er:

- Geen aanwijzing voor middelenmisbruik of intoxicaties welke kunnen leiden tot spierklachten

- Geen aanwijzing voor klachten van andere organen als onderdeel van een systeemaandoening welke gepaard kan gaan me spierklachten (bijvoorbeeld longklachten in het kader van een sacoïdose of myositis, rheumatologische ziekten)

- Geen hoog verdachte aanwijzing voor een neuromusculaire aandoening in de familie.

Bij het neurologische/neuromusculaire onderzoek is er:

- Geen sprake van een abnormale spiertonus

- Geen sprake van een specifiek neuromusculair patroon van spieratrofie

- Geen sprake van verminderde spierkracht

- Geen sprake van abnormale bewegingen of contracties van de spier

- Geen sprake van contracturen

- Geen sprake van huidafwijkingen.

Bij in het verleden verricht[-]e aanvullende neurologische/neuromusculaire onderzoek (Rotterdam, Nijmegen, Leuven) is er:

- Geen sprake van een significante verhoging van he serum creatine kinase

- Geen sprake van een orgaanafwijking welke kan leiden tot spierklachten (bijvoorbeeld een afwijking van de schildklierfunctie)

- Geen sprake van een aangetoond myoglobinurie

- Geen sprake van typische naaldmyografische afwijkingen welke kunnen passen bij een myopathie

- Geen sprake van een specifieke, tot een diagnose te herleiden, afwijking in het spierbiopt

- Geen sprake van enzymatische afwijkingen welke diagnostisch zijn voor een specifieke myopathie

- Geen sprake van een pathogene mutatie bij een exome sequencing welke past bij een specifieke myopathie.

Derhalve luidt de eindconclusie: klachten van spierpijn en spierkrampen vanaf de puberleeftijd alsmede een verminderd uithoudingsvermogen van de spieren zonder aanwijzingen voor een neurologisch substraat.”

[naam 5] heeft vervolgens de aan hem gestelde vragen – voor zover relevant - als volgt beantwoord:

“(…)

Vraag 2

Wat zijn uw bevindingen bij het onderzoek en welke objectief medisch vast te stellen stoornissen heeft betrokkene in relatie tot ziekte of ongeval?

Antwoord:

Mijn bevindingen van het lichamelijk onderzoek staan beschreven in paragraaf II. Hulponderzoek is door mij niet aangevraagd. Op het vakgebied van de neurologie is er geen sprake van objectief medisch vast te stellen stoornissen. Voor de onderbouwing wordt verwezen naar de beschouwing.

Vraag 3

Welke diagnose(n) stelt u?

Antwoord:

De diagnose op het gebied van de neurologie luidt: Klachten van spierpijn en spierkrampen vanaf de puberleeftijd alsmede een verminderd uithoudingsvermogen van de spieren zonder aanwijzingen voor een neurologisch substraat. In andere woorden: Op het vakgebied van de neurologie is er geen sprake van een diagnose, er is geen sprake van objectief medisch vast te stellen stoornissen. Voor de onderbouwing wordt verwezen naar de beschouwing.

Vraag 4

Welke beperkingen heeft betrokkene op grond van de door u gevonden objectief medisch vast te stellen stoornissen in relatie tot ziekte of ongeval? Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk omschrijven en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in de toekomst te verrichten arbeidsdeskundig onderzoek?

Antwoord:

Op het vakgebied van de neurologie kunnen er bij betrokkene geen beperkingen worden aangenomen.

(…)”

Naar aanleiding van de reacties van partijen op het conceptrapport heeft [naam 5] in een addendum - voor zover relevant - het volgende opgenomen in antwoord op de namens [geïntimeerde] gestelde vragen (waarbij voor de duidelijkheid de antwoorden van [naam 5] vetgedrukt zijn):

“Reactie mr. [naam 6] , advocaat, namens mr. [naam 7] , advocaat, datum 5 december 2025:

(…)

Op basis van de (spier)klachten van [geïntimeerde] is in het UZ Leuven, door prof. [naam 4] , op ‘klinische en biochemische basis de diagnose van de metabole myopathie gesteld (vgl. productie 9 bij dagvaarding).

We stellen op klinische en biochemische basis de diagnose van de metabole myopathie bij deze patiënt. Verdere bepaling van het causatieve gen is aangevraagd onder de vorm van een WES (whole exome sequencing). De resultaten hiervan zijn niet te verwachten voor het einde van het kalenderjaar. Aanvullend bepaalden we ook nog een acylcarnitine profiel.

[naam 4] onderbouwt zijn conclusies onder meer met objectieve gegevens die door onderzoeken zijn verkregen (anamnestische gegevens, neurologische onderzoeksbevindingen en biochemisch, waaronder een verhoogde CK (Creatine Kinase) waarde, waarbij waardes bij een inspanningstest, zelf na minimale inspanning, verdubbelden. In dat kader wordt ook verwezen naar producties 8, 1 en 17 bij dagvaarding.

Reactie: De onderbouwing van de conclusie van [naam 4] is ondeugdelijk. In de eerste plaats: een anamnese levert geen objectieve gegevens op. Het is een subjectief (gekleurde) weergave van klachten en verschijnselen die interindividueel sterk verschillend worden meegedeeld. De interpretatie van anamnestisch geuite klachten en verschijnselen kan wel objectief zijn en een te objectiveren diagnose opleveren. Echter voor de bevestiging van een diagnose metabole myopathie is altijd aanvullend onderzoek vereist, anders is deze diagnose niet te stellen.

In de tweede plaats is nimmer sprake geweest van een objectieve afwijkende bevinding bij het neurologische en technisch aanvullende onderzoek. Ik heb dit getracht weer te geven in mijn beschouwing. In de brief van [naam 4] naar aanleiding van het consult op 7 april 2017 staan onder andere de resultaten van de inspanningstest in [plaats] vermeld: Na minimale inspanning CK verhoging van 341 U/L (< 170 U/L referentie). Dat is weliswaar verhoogd maar de interpretatie had moeten zijn: niet pathologisch verhoogd, geen indicatie voor verder aanvullend onderzoek.

Onderstaand is een tabel weergegeven met waarden waarboven gesproken wordt van een verhoogd serum creatinekinase. Bij betrokkene zou er pas sprake zijn van een verhoogd serum CK hoger dan 504 U/L.

(…)

Ook [naam 3] stelt de diagnose metabole myopathie (prod. 6 bij de dagvaarding). “Bij onderzoek is er radiculaire prikkeling als gevolg van een HNP L4-L5 links. De HNP L5-S1 links beschouw ik al asymptomatisch. Ten aanzien van de overige klachten kom ik niet verder dan dat deze duiden op de aanwezigheid van een metabole myopathie, doch dat er heden, ondanks zeer aanvullend onderzoek, geen afwijkingen zijn geobjectiveerd”. Hierover zegt u in uw conceptrapportage niets.”

Reactie Ik heb het oordeel van [naam 3] weergegeven in mijn rapport, verwijzend naar blz 31. De context van de tekst van [naam 3] is belangrijk. Hij zegt namelijk het volgende (cursivering van ondergetekende): Het gaat om een werkdiagnose , zoals eerder gesteld. De recente informatie van Prof. [naam 4] wijst op basis van de anamnese en een lichte niet significante stijging van het CK op een verdenking op een metabole myopathie. Tot op heden kon geen objectiveerbare diagnose worden gesteld. Het verschil tussen een objectiveerbaar ziektebeeld en functionele klachten betreft het vaststellen van een gendefect waarbij een dergelijk ziektebeeld is beschreven. Tot op heden is dit niet het geval . Er bestaan geen objectiveerbare afwijkingen bij uitvoerig verricht neurologisch en aanvullend onderzoek : EMG was normaal, DNA-onderzoek was normaal, spierbiopten waren normaal, 5 neurologen hebben geen diagnose kunnen vaststellen. Indien bij de genoom sequencing een duidelijke bekende afwijking wordt vastgesteld, is ondergetekende bereid zijn oordeel te heroverwegen. Conclusie: klachten die wijzen op een inspanningsgebonden metabole myopathie die (nog) niet objectief kan worden aangetoond . Vooralsnog kan dus geen diagnose worden gesteld en ontbreken objectiveerbare afwijkingen.

Dat roept bij [geïntimeerde] allereerst de volgende vragen op:

o Is metabole myopathie volgens u een herkenbaar en benoembaar ziektebeeld?

Reactie : Ja, in het algemeen wel

o Mag de diagnose metabole myopathie op de wijze zoals in het UZ Leuven volgens u gesteld worden

Reactie: Nee, op deze wijze zoals bij betrokkene zeker niet. Voor de argumentatie verwijs ik u naar de bovenstaande uiteenzetting.

o Hoort de diagnose metabole myopathie volgens u bij een ander vakgebied (dan neurologie) thuis?

Reactie: De diagnose metabole myopathie dient bij voorkeur te worden gesteld door een ervaren neuroloog gespecialiseerd in neuromusculaire aandoeningen (een neuromyoloog)

(…)

U draagt (op pagina 33) verschillende argumenten aan die wijzen op het ontbreken van een neurologisch substraat voor de klachten van [geïntimeerde] , maar gaat ook dáár niet in op de gestelde diagnose metabole myopathie. Een afweging aangaande de diagnose metabole myopathie hebt u in uw conceptrapportage evenwel niet gemaakt, terwijl in de inleiding van uw conceptrapport hebt beschreven dat dit de kernvraag in het kader van de rechtszaak betreft.

[geïntimeerde] heeft u[w] conceptrapportage voorgehouden aan medisch adviseur [naam 8] , werkzaam bij Triage. Zijn advies treft u hierbij separaat aan. [naam 8] geeft aan dat het – gelet op de in het UZ Leuven gestelde diagnose – voor de hand had gelegen dat u op basis van het klachtenpatroon van [geïntimeerde] een inzichtelijke afweging zou hebben gemaakt wáárom de klachten van [geïntimeerde] al dan niet diagnostisch zouden kunnen passen bij metabole myopathie in plaats van alleen maar tegenargumenten aandragen voor de aanwezigheid van een neurologisch substraat voor de klachten. Ik verzoek u de hiervoor genoemde afweging te laten meewegen in de beantwoording van vraag 3 van uw conceptrapport.

Reactie : De term tegenargumenten is niet juist. Medisch specialisten werken doorgaans op een deducerende wijze. Het is een proces van verwerpen van differentiaaldiagnostische overwegingen op grond van anamnestische en onderzoeksbevindingen, waarbij de conclusie logisch onvermijdelijk is als de premissen waar zijn. De conclusie luidt derhalve dat er op basis van de door mij genoemde feiten bij anamnese, neurologisch onderzoek en het verrichte aanvullende technische onderzoek bij betrokkene geen sprake is van een metabole myopathie.

U beantwoordt vraag 3 als volgt: “De diagnose op het gebied van de neurologie luidt: Klachten van spierpijn en spierkrampen vanaf de puberleeftijd alsmede een verminderd uithoudingsvermogen van de spieren zonder aanwijzingen voor een neurologisch substraat.”

Het lijkt er op dat u daarbij – ten onrechte – louter uitgaat van objectieve bevindingen in de vorm van een neurologisch substraat, zoals de uitkomsten van gentesting en een spierbiopt. Als die uitkomsten er niet zijn, dan kan, begrijp ik u juist, de diagnose metabole myopathie op basis van alleen objectieve bevindingen volgens u niet worden gesteld. Kan de diagnose metabole myopathie zónder louter uit te gaan van objectieve bevindingen, maar óók uit te gaan van het geschetste klachtenbeeld, wèl worden gesteld? Met andere woorden: als iemand met de klachten, zoals [geïntimeerde] die ervaart, zich bij u zou melden, zou u de diagnose dan (als behandelend neuroloog) wel stellen? Ik verzoek u voornoemde vragen en de beantwoording van deze vragen mee te wegen in de beantwoording van vraag 3 van uw conceptrapport.

Reactie: Nee, ik zou als ervaren neuromyoloog indien iemand met de klachten zoals betrokkene die ervaart zich bij mij zou melden deze diagnose niet op grond van het geschetste klachtenbeeld stellen. Het is dan hoogstens een werkdiagnose met differentiaaldiagnostische overwegingen welke uitgewerkt dienen te worden middels een neurologisch onderzoek en technisch aanvullend onderzoek. Vervolgens kan, afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek, de werkdiagnose worden verworpen of omgezet in een zekere specifieke diagnose.”

6.7.

Het rapport van [naam 5] , dat in gezamenlijke opdracht tot stand is gekomen, dient partijen en het hof tot uitgangspunt. Er zullen zwaarwegende en steekhoudende bezwaren tegen de rapportage moeten bestaan om de (conclusies in de) desbetreffende rapportage terzijde te schuiven. Van zwaarwegende bezwaren is onder andere sprake indien het rapport niet voldoet aan daaraan te stellen eisen van onpartijdigheid, consistentie, inzichtelijkheid en logica. [geïntimeerde] heeft dergelijke zwaarwegende bezwaren niet naar voren gebracht en die zijn ook anderszins niet gebleken. De conclusies van [naam 5] en de motivering daarvan komen het hof overtuigend voor.

De door [geïntimeerde] in de memorie na deskundigenbericht geuite bezwaren komen er in de kern op neer dat hij het niet eens is met de inhoud van het rapport. Daartoe heeft hij echter niet meer aangevoerd dan dat [naam 4] , als behandelend neuroloog, de diagnose wel heeft gesteld. Dit kan [geïntimeerde] niet baten. [naam 5] heeft immers uitvoerig toegelicht waarom de wijze waarop [naam 4] die diagnose heeft gesteld niet deugdelijk is. [geïntimeerde] heeft tegen dat oordeel geen, laat staan onderbouwde argumenten aangevoerd.

6.8.

Het hof is van oordeel dat, met inachtneming van het rapport van [naam 5] , niet kan worden vastgesteld dat [geïntimeerde] als gevolg van ziekte (in het bijzonder metabole myopathie) medisch vast te stellen stoornissen heeft. Uit dat rapport volgt dat op basis van alle bekende medische gegevens neurologisch niet de diagnose metabole myopathie kan worden gesteld.

6.9.

[geïntimeerde] bepleit dat voor het stellen van die diagnose niet is vereist dat dit objectief wordt vastgesteld, maar dat die diagnose ook zou kunnen worden gebaseerd op het subjectieve klachtenpatroon van [geïntimeerde] . Dat wordt evenwel niet bevestigd door het rapport van [naam 5] . In antwoord op dienaangaande gestelde vragen heeft [naam 5] uiteengezet dat het subjectieve klachtenpatroon hooguit aanleiding kan geven voor een werkdiagnose die middels nader onderzoek kan worden geobjectiveerd. In het geval van [geïntimeerde] heeft uitvoerig aanvullend neurologisch en technisch onderzoek plaatsgevonden, waarvan de uitkomsten de diagnose niet ondersteunen. Vanuit medisch oogpunt kan dan naar het deskundig oordeel van [naam 5] de diagnose niet worden gesteld.

6.10.

Het standpunt van [geïntimeerde] dat enkel op basis van een klachtenpatroon dat zou kunnen passen bij de diagnose metabole myopathie zou kunnen worden geconcludeerd dat is voldaan aan het arbeidsongeschiktheidsbegrip in de polisvoorwaarden omdat daarin het woord ‘objectief’ ontbreekt, miskent dat dat begrip wel een relatie met een ziekte vereist. Die relatie met een ziekte (specifiek metabole myopathie) is nu juist blijkens het rapport van [naam 5] medisch niet vast te stellen.

Bewijsaanbod

6.11.

Het hof verwerpt het bewijsaanbod van [geïntimeerde] , aangezien het rapport van de gezamenlijk aangezochte deskundige geen verdere vragen oproept en [geïntimeerde] verder ook geen concrete feiten te bewijzen heeft aangeboden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.

Conclusie

6.12.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat grief 1 slaagt. NN heeft terecht het standpunt ingenomen dat niet is voldaan aan het arbeidsongeschiktheidsbegrip volgens de polisvoorwaarden. Er doet zich daarmee geen verzekerd evenement voor, zodat [geïntimeerde] geen aanspraak kan maken op uitkering onder de polis. De bestreden vonnissen zullen daarom worden vernietigd, en de vorderingen van [geïntimeerde] zullen alsnog worden afgewezen. De overige grieven hoeven bij deze stand van zaken geen bespreking meer.

6.13.

Met inachtneming van de hiervoor onder 6.4 geciteerde afspraak zal [geïntimeerde] tevens worden veroordeeld tot terugbetaling van hetgeen NN uit hoofde van het bestreden eindvonnis aan hem heeft voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit betekent dat de bedragen die tot 15 april 2024 zijn voldaan, niet terugbetaald hoeven te worden.

6.14.

[geïntimeerde] zal voorts als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in beide instanties, daaronder begrepen de kosten van de verschillende deskundigenberichten. Het hof stelt de proceskosten als volgt vast:

Kosten eerste aanleg

- griffierecht € 1.950,00

- kosten deskundigenberichten € 5.898,75

- salaris advocaat € 1.900,50 (tarief II, 3,5 punten)

Totaal € 9.749,25

Kosten hoger beroep

- explootkosten € 87,61

- griffierecht € 772,00

- kosten deskundigenbericht € 5.445,61

- salaris advocaat € 4.515,00 (tarief II, 3,5 punten)

Totaal € 10.820,22

7 Beslissing

Het hof:

7.1.

vernietigt de bestreden vonnissen en doet opnieuw recht:

7.2.

wijst af de vorderingen van [geïntimeerde] ;

7.3.

veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling aan NN van al hetgeen zij uit hoofde van de bestreden vonnissen heeft voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van de betaling tot die der algehele voldoening, een en ander met

inachtneming van hetgeen partijen met elkaar zijn overeengekomen zoals blijkt uit het

proces-verbaal van de zitting van 25 juni 2024 bij dit hof;

7.4.

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties, in eerste aanleg vastgesteld op € 9.749,25 en in hoger beroep vastgesteld op € 10.820,22, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de proceskostenveroordeling is voldaan;

7.5.

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

7.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.M. de Stigter, J.F. Aalders en M. Spanjaart en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026.