Civiel recht overig
Uitleg overeenkomst (Haviltex): Partijen zijn een vaste looptijd en limitatieve beëindigingsgronden…
Gerechtshof Amsterdam, 6 oktober 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:2855 · Gerechtshof Amsterdam · 6 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/civiel-recht/civiel-recht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-2855
Zaakgegevens
Op 6 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 6 oktober 2026
- Datum publicatie
- 6 oktober 2026
- Zaaknummer
- 200.345.943/01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. R.J. van de Leur te Haarlem.
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2855
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Uitleg overeenkomst (Haviltex): Partijen zijn een vaste looptijd en limitatieve beëindigingsgronden overeengekomen. Zij zijn geen geheimhouding en exclusiviteit overeengekomen met betrekking tot een te ontwikkelen koppeling met een online platform. Geen wijziging of ontbinding op grond van onvoorziene omstandigheden.
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)
zaaknummer : 200.345.943/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/741232 / HA ZA 23-966
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 6 oktober 2026
in de zaak van
COMPAYNET LTD.,
gevestigd te London, Verenigd Koninkrijk,
appellante,
thans zonder advocaat (voorheen: mr. S.M. Pieroelie te Amsterdam),
tegen
WHITELABEL PAYMENTS B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde,
advocaat: mr. R.J. van de Leur te Haarlem.
Appellante wordt hierna CPN genoemd en geïntimeerde wordt hierna WLP genoemd.
1 De zaak in het kort
WLP en CPN hebben in 2021 een overeenkomst gesloten voor drie jaar. Zij zijn onder meer overeengekomen dat CPN tegen betaling het betaalplatform van WLP kon gebruiken en dat WLP een koppeling met een ander platform zou ontwikkelen. Na één jaar heeft CPN de betaling van facturen gestaakt, omdat WLP wegens schending van een geheimhoudingsafspraak en een exclusiviteitsafspraak tekort zou zijn geschoten. Volgens CPN heeft WLP daarmee bovendien onrechtmatig gehandeld. WLP heeft betwist dat zij met CPN exclusiviteit en geheimhouding overeen is gekomen. WLP heeft betaling van de op dat moment openstaande facturen en een verklaring voor recht gevorderd inhoudende dat de overeenkomst voortduurt tot het einde van de overeengekomen looptijd. In hoger beroep heeft WLP verder betaling van de facturen over de resterende looptijd gevorderd. De rechtbank heeft geoordeeld dat WLP niet tekort is geschoten, dat de overeenkomst van kracht is gebleven en dat CPN de facturen moet betalen. Het hof bekrachtigt het bestreden vonnis en veroordeelt CPN daarnaast tot betaling van de facturen over de resterende looptijd van de overeenkomst.
2 Het geding in hoger beroep
CPN is bij dagvaarding van 21 augustus 2024 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 22 mei 2024 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen WLP als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en CPN als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven;
- akte wijziging van eis tevens memorie van antwoord met twee producties;
- antwoordakte.
Op 5 februari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaat van WLP heeft de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die hij heeft overgelegd. CPN is niet verschenen ter zitting.
Ten slotte is arrest gevraagd.
3 Feiten
De rechtbank heeft in rov. 3 van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. In hoger beroep is niet in geschil dat deze feiten juist zijn, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat. Waar nodig aangevuld met andere tussen partijen vaststaande feiten, komen de feiten neer op het volgende.
WLP exploiteert een generiek betaalplatform waarop verschillende betaaldiensten kunnen worden aangesloten (zoals Visa en Mastercard). Klanten kunnen het platform van WLP gebruiken met hun eigen naam en logo.
CPN is een bedrijf dat diensten verleent op het gebied van het verwerken van (online)betalingen, zoals handelskredieten, factoring en debiteurenfinanciering.
Trevipay is een Amerikaanse aanbieder van zakelijke betalingsoplossingen, waaronder het verstrekken van handelskredietfinanciering. Trevipay had interesse om haar handelskredietdiensten op de Italiaanse markt te introduceren. CPN en Trevipay zijn overeengekomen dat CPN door middel van een digitaal platform een koppeling zou maken met het online platform van Trevipay (hierna: de koppeling). Via de koppeling zou CPN de handelskredietdiensten van Trevipay aanbieden aan Italiaanse bedrijven. CPN heeft vervolgens WLP benaderd voor het gebruik van haar platform en voor het ontwikkelen van de koppeling met het platform van Trevipay.
Op 15 juli 2021 hebben CPN en WLP een geheimhoudingsovereenkomst gesloten (hierna: de geheimhoudingsovereenkomst). Hierin is onder meer – in algemene bewoordingen – opgenomen dat informatie die tussen partijen wordt gedeeld geheim moet blijven.
Op 13 oktober 2021 hebben CPN en WLP een overeenkomst gesloten, genaamd Technical Solution Agreement (hierna: de Overeenkomst). Artikel 14.4 van de Overeenkomst bepaalt kort gezegd dat de Overeenkomst alle eerdere overeenkomsten tussen partijen vervangt.
Op 25 januari 2022 heeft WLP via een LinkedIn-post het volgende gepubliceerd:
“We are happy to announce that WLPayments is now integrated with TreviPay. With this integration, WLPayments’ customers can offer the Buy Now Pay Later feature for B2B Commerce. (…)”
WLP heeft CPN (tegen betaling zoals vastgelegd in de Overeenkomst) toegang verleend tot het platform en een koppeling via haar platform met het platform van Trevipay ontwikkeld. WLP heeft CPN hiervoor maandelijks facturen gestuurd. CPN heeft vanaf aanvang van de samenwerking tot en met september 2022 de facturen van WLP betaald. Vanaf oktober 2022 heeft CPN de facturen niet meer betaald.
Bij e-mailbericht van 31 januari 2023 heeft CPN aan WLP bericht dat CPN geen belang meer heeft bij de Overeenkomst, omdat Trevipay heeft besloten (toch) geen activiteiten in Italië te ontplooien. CPN heeft in dit bericht WLP gevraagd om mee te denken over een oplossing.
Op 16 februari 2023 heeft WLP voorgesteld om de koppeling met Trevipay in andere landen dan Italië aan te bieden. Daarnaast heeft WLP CPN verzocht om de openstaande facturen betalen.
Op 16 februari 2023 heeft CPN WLP bericht dat zij in onderhandeling is met andere partijen die de positie van Trevipay in Italië zouden kunnen overnemen, zodat CPN het platform van WLP weer zou kunnen gebruiken.
Vervolgens hebben de gemachtigden van partijen met elkaar gecorrespondeerd. Bij brief van 28 april 2023 heeft de gemachtigde van WLP CPN gesommeerd om de openstaande en toekomstige facturen te betalen, vermeerderd met de wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten.
Hierop heeft de gemachtigde van CPN bij brief van 2 juni 2023 gereageerd en de Overeenkomst ontbonden althans opgezegd per 15 juni 2023.
4 Procedure bij de rechtbank
In conventie heeft WLP bij de rechtbank – uitvoerbaar bij voorraad – gevorderd:
-
veroordeling van CPN tot betaling aan WLP van € 68.252 aan openstaande facturen te vermeerderen met de buitengerechtelijke kosten en de wettelijke handelsrente tot en met 22 juni 2023, in totaal een bedrag van € 71.879,68, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 23 juni 2023;
-
een verklaring voor recht dat de Overeenkomst, behoudens een door WLP geaccepteerde opzegging, op grond van de overeengekomen looptijd voortduurt tot 13 oktober 2024;
-
een verklaring voor recht dat CPN verantwoordelijk en aansprakelijk is voor de betaling van de belasting over de aan CPN gefactureerde bedragen op het moment dat de belastingdienst in Nederland of in het Verenigd Koninkrijk (of een andere instantie in een ander land) aanspraak maakt op betaling;
-
veroordeling van CPN in de kosten van het geding, met nakosten en rente.
In reconventie heeft CPN bij de rechtbank – uitvoerbaar bij voorraad – gevorderd:
-
ontbinding van de Overeenkomst, voor zover die nog bestaat;
-
veroordeling van WLP tot betaling aan CPN van € 72.157;
-
veroordeling van WLP tot betaling aan CPN van € 150.000;
-
veroordeling van WLP in de kosten van het geding.
Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank de conventionele vorderingen van WLP grotendeels toegewezen en CPN veroordeeld om aan WLP te betalen een bedrag van € 68.252,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente met ingang van 23 juni 2023, een bedrag van € 2.170,16 aan wettelijke handelsrente berekend tot en met 22 juni 2023 en een bedrag van € 1.457,52 aan buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank heeft de reconventionele vorderingen van CPN afgewezen en CPN zowel in conventie als in reconventie in de proceskosten veroordeeld met nakosten en (behoudens voor wat betreft de proceskosten in reconventie) rente.
5 Vordering in hoger beroep
CPN vordert vernietiging van het bestreden vonnis en alsnog – uitvoerbaar bij voorraad – afwijzing van de conventionele vorderingen van WLP en toewijzing van haar reconventionele vorderingen, aangevuld met een tweetal verklaringen voor recht, met veroordeling van WLP in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten en rente.
WLP verzoekt het hof de vorderingen van CPN af te wijzen, het bestreden vonnis te bekrachtigen en – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van CPN tot betaling aan WLP van € 136.504 aan openstaande facturen over contractstermijn vanaf juni 2023 tot 13 oktober 2024, te vermeerderen met wettelijke handelsrente (die tot en met 13 februari 2025 € 12.520,92 bedraagt) en veroordeling van CPN in de kosten van het geding in hoger beroep met nakosten en rente.
6 Beoordeling
Bevoegdheid en toepasselijk recht
Het hof stelt vast dat deze zaak een internationaal aspect heeft, aangezien CPN in het Verenigd Koninkrijk is gevestigd. Volgens de tekst van het forumkeuzebeding in artikel 14.8 van de Overeenkomst zijn de gerechten in Amsterdam exclusief bevoegd om kennis te nemen van elk geschil of vordering die voortvloeit uit of in verband staat met de Overeenkomst. Op grond van artikel 5 van het Haags Forumkeuzeverdrag 2005 zijn de rechtbank Amsterdam en dit hof bevoegd kennis te nemen van deze zaak. In artikel 14.8 van de Overeenkomst staat een rechtskeuze voor Nederlands recht. Het staat overigens tussen partijen niet ter discussie dat de Nederlandse rechter bevoegd is en dat Nederlands recht van toepassing is.
Grief 1: Exclusiviteit en geheimhouding
Met grief 1 komt CPN op tegen het oordeel van de rechtbank dat CPN niet het exclusieve (gebruiks)recht op de TreviPay-koppeling had, dat WLP niet verplicht was die koppeling geheim te houden en dat de rechtbank haar bewijsaanbod ten onrechte heeft gepasseerd. CPN onderschrijft dat de Haviltex-maatstaf van toepassing is op de uitleg van de Overeenkomst maar CPN is het niet eens met de wijze waarop de rechtbank deze maatstaf heeft toegepast.
CPN betwist dat de Overeenkomst ziet op zowel het ontwikkelen van de koppeling als het gebruik van het platform van WLP. CPN voert daartoe het volgende aan. De Overeenkomst geeft de aard en strekking van de afspraken tussen partijen niet juist weer omdat de Overeenkomst niet is toegesneden op de ontwikkeling van maatwerksoftware. De Overeenkomst is een standaardovereenkomst, opgesteld door WLP. De Overeenkomst bevat, anders dan het uurtarief voor maatwerkontwikkeling, geen specifieke bepalingen over het ontwikkelen, opleveren en/of gebruiken van maatwerksoftware en rept niet over de door WLP afgegeven begroting voor het ontwikkelen van de maatwerkkoppeling. De Overeenkomst vermeldt in Appendix A slechts dat er een vergoeding van EUR 70 per uur verschuldigd is voor ‘Custom development’ of maatwerkontwikkeling. Er worden geen specifieke ontwikkeltarieven, specificaties of andere afspraken over maatwerksoftware genoemd. CPN heeft een aanzienlijk bedrag betaald voor de ontwikkeling van maatwerksoftware die in het geheel niet is beschreven in de Overeenkomst. Het is dus onbegrijpelijk dat de rechtbank de rechtsverhouding tussen partijen heeft ingevuld aan de hand van de bepalingen uit de Overeenkomst. Daar komt bij dat partijen niet hebben onderhandeld over de inhoud van de Overeenkomst en CPN niet is bijgestaan door een advocaat. Het uitgangspunt van een koopovereenkomst of een opdrachtovereenkomst is volgens CPN dat de koper eigenaar wordt van het product of het resultaat van de opdracht. CPN mocht dus verwachten, en is daar ook vanuit gegaan, dat zij de eigenaar of minstens de exclusief rechthebbende van (het gebruik van) de koppeling zou worden. WLP heeft de stellingen van CPN weersproken.
Niet in geschil is dat de inhoud van een tussen partijen gesloten overeenkomst moet worden vastgesteld aan de hand van de Haviltex-maatstaf. Daarbij komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang, waaronder de bewoordingen van de overeenkomst, de aard en strekking daarvan.
Het hof overweegt als volgt. De Overeenkomst voorziet in de uitvoering van maatwerk (‘Custom development’) en de vergoeding daarvan op uurbasis. Op basis daarvan heeft WLP aan CPN de vergoeding voor de maatwerkkoppeling in rekening gebracht. Dat voor de maatwerkontwikkeling geen afzonderlijke schriftelijke overeenkomst is gesloten, terwijl de Overeenkomst daarvoor een regeling bevat, vormt een aanwijzing dat de bedoeling was dat ook deze werkzaamheden onder de Overeenkomst vielen en dat WLP daarvan in ieder geval in redelijkheid heeft mogen uitgaan.
In de Overeenkomst is geen exclusief gebruiksrecht voor CPN opgenomen. Evenmin is in de Overeenkomst een verplichting voor WLP opgenomen om de koppeling of de samenwerking met TreviPay geheim te houden. Daartegenover bepaalt artikel 9.4 van de Overeenkomst dat de intellectuele eigendomsrechten bij WLP blijven, terwijl artikel 14.4 van de Overeenkomst bepaalt dat de Overeenkomst eerdere afspraken vervangt. Daaronder valt dus ook de eerder gesloten geheimhoudingsovereenkomst. Dit te meer omdat de Overeenkomst een eigen regeling over ‘confidential information’ bevat.
Dat de Overeenkomst volgens CPN een standaardkarakter heeft, dat de Overeenkomst door WLP is opgesteld en dat CPN zich niet heeft laten adviseren door een advocaat en de Overeenkomst zonder onderhandelingen heeft ondertekend, zijn geen omstandigheden die aanleiding geven om aan de bepalingen in de Overeenkomst voorbij te gaan. Daarbij neemt het hof mede in aanmerking dat CPN de Overeenkomst zonder voorbehoud heeft ondertekend, uitvoering heeft gegeven aan de daarin opgenomen afspraken en nooit heeft verzocht om een afwijkende regeling, ook niet met betrekking tot maatwerkontwikkeling, exclusiviteit of geheimhouding.
CPN voert aan dat feiten en omstandigheden erop wijzen dat CPN en WLP, in afwijking van de Overeenkomst, ervan uit mochten gaan dat CPN eigenaar of exclusief gebruiker van de koppeling zou worden. De door CPN aangevoerde feiten en omstandigheden leiden niet tot dat oordeel. Dat CPN de ontwikkeling van de koppeling heeft geïnitieerd, de ontwikkelkosten heeft gedragen, nauw bij de ontwikkeling betrokken is geweest en een commercieel belang had bij een voorsprong op de markt, brengt niet zonder meer mee dat WLP redelijkerwijs moest begrijpen dat haar schriftelijk vastgelegde rechten niet zouden gelden of dat zij een niet schriftelijk vastgelegde geheimhoudings- of exclusiviteitsverplichting op zich nam. Ook het bestaan van een belang aan de zijde van CPN, rechtvaardigt die gevolgtrekking niet.
Voor zover CPN stelt dat er een afzonderlijke mondelinge overeenkomst bestaat waarin wel geheimhouding en exclusiviteit zouden zijn overeengekomen, heeft zij die stelling onvoldoende geconcretiseerd. Zij heeft niet duidelijk gemaakt wanneer, tussen wie en onder welke omstandigheden die afspraken zouden zijn gemaakt, noch waarom dergelijke voor haar essentiële bepalingen niet in een schriftelijke overeenkomst zijn opgenomen. Tegenover de gemotiveerde betwisting door WLP is de enkele stelling van CPN onvoldoende.
Het hof is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat uit de door CPN als verweer aangevoerde feiten en omstandigheden niet volgt dat partijen zijn overeengekomen dat CPN eigenaar van de koppeling zou worden of dat zij een exclusief gebruiksrecht op de koppeling zou verkrijgen. Uit de door CPN aangevoerde feiten en omstandigheden volgt ook niet dat WLP tot de door CPN bepleite geheimhouding was verplicht. Aan bewijslevering wordt derhalve niet toegekomen. De rechtbank is tot gelijkluidende conclusies gekomen. Wat CPN in hoger beroep heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. De eerste grief faalt.
Grief 2: Ontbinding, onvoorziene omstandigheden
Met grief 2 komt CPN op tegen het oordeel van de rechtbank dat zij geen recht had om de Overeenkomst in of buiten rechte geheel of gedeeltelijk te ontbinden of te wijzigen wegens tekortkoming of onvoorziene omstandigheden. CPN stelt daartoe het volgende. WLP is tekortgeschoten door de koppeling openbaar te maken en aan derden aan te bieden. Daarmee heeft WLP haar verplichtingen tot geheimhouding en exclusiviteit geschonden. In elk geval is de Overeenkomst op grond van artikel 9.8 onder (ii) geëindigd doordat TreviPay de integratie met het platform van WLP beëindigde. Daarmee eindigden de Services, wat volgens het genoemde artikel leidt tot een eindiging van de Overeenkomst van rechtswege. Bovendien levert de terugtrekking van TreviPay, in samenhang met het handelen van WLP, een onvoorziene omstandigheid op die een gehele of gedeeltelijke ontbinding of wijziging van de Overeenkomst rechtvaardigt.
Grief 2 faalt ook. Dit oordeel berust op het volgende. Zoals bij de beoordeling van grief 1 al is overwogen, zijn partijen niet overeengekomen dat WLP de koppeling of de samenwerking met TreviPay geheim moest houden. Evenmin is overeengekomen dat CPN een exclusief recht op het gebruik van de koppeling zou hebben. CPN gaat uit van een schending van verbintenissen die niet zijn komen vast te staan. WLP is dus niet tekortgeschoten en CPN was niet gerechtigd om de Overeenkomst te ontbinden. Er zijn overigens geen aanwijzingen dat WLP de koppeling daadwerkelijk aan derden heeft verkocht.
Het subsidiaire betoog van CPN dat de Overeenkomst op grond van artikel 9.8 onder (ii) van de Overeenkomst automatisch eindigde toen de diensten eindigden waarvoor het platform werd gebruikt, slaagt ook niet. De Overeenkomst biedt CPN een licentie voor de toegang en het gebruik van het platform van WLP en op de daarmee verband houdende dienstverlening. De door CPN aangehaalde bepaling heeft – ook volgens de stellingen van CPN zelf – betrekking op het einde van de licentie voor zover de Services eindigen waarvoor het platform wordt gebruikt. Daarvan was geen sprake. Dat de samenwerking met TreviPay voor CPN het belangrijkste doel van de Overeenkomst was, betekent niet dat het wegvallen van die samenwerking tot gevolg heeft dat alle verbintenissen uit de tussen CPN en WLP voor bepaalde termijn gesloten Overeenkomst komen te eindigen. Dat zijn partijen niet overeengekomen en het betoog dat de Overeenkomst zo zou moeten worden uitgelegd omdat de Overeenkomst door het wegvallen van de samenwerking met TreviPay voor CPN waardeloos zou zijn, is niet verenigbaar met de overeengekomen vaste looptijd en de limitatief overeengekomen tussentijdse beëindigingsgronden.
Het wegvallen van de samenwerking met TreviPay is ook geen onvoorziene omstandigheid waar CPN zich met succes op kan beroepen. WLP heeft onweersproken aangevoerd dat TreviPay haar samenwerking met CPN op ieder moment kon beëindigen. Het risico dat TreviPay zich zou terugtrekken bestond derhalve en was niet contractueel door CPN afgedekt. CPN heeft ervoor gekozen om een overeenkomst voor 36 maanden met WLP aan te gaan, terwijl het door haar beoogde gebruik van het platform afhankelijk was van het voortduren van haar relatie met TreviPay. Zij heeft niet bedongen dat haar betalingsverplichtingen jegens WLP zouden eindigen indien TreviPay de samenwerking zou stoppen. De gevolgen van die keuze kunnen niet met toepassing van artikel 6:258 BW op WLP worden afgewenteld.
De stelling dat het handelen van WLP, naast de terugtrekking van TreviPay, een onvoorziene omstandigheid vormt en dat CPN zich door dat handelen niet meer op andere Europese markten dan Italië kon richten, ziet niet op een onvoorziene omstandigheid als bedoeld in artikel 6:258 BW en is overigens ook niet voldoende onderbouwd. CPN heeft niet concreet gemaakt welke Europese markt zij zonder het handelen van WLP had kunnen betreden en hoe en in welke mate het handelen van WLP de mogelijkheden van CPN op de Europese markt heeft beperkt.
Grief 3: Onrechtmatig handelen
Met grief 3 komt CPN op tegen het oordeel van de rechtbank dat WLP niet onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. CPN stelt dat WLP, ook indien zij niet is tekortgeschoten in de nakoming van de Overeenkomst, onrechtmatig heeft gehandeld door de met hulp en voor rekening van CPN ontwikkelde koppeling te openbaren en te promoten bij potentiële concurrenten.
Dit betoog gaat niet op. CPN baseert haar verwijt in essentie op dezelfde feiten als haar verwijt dat WLP is tekortgeschoten in de nakoming van de Overeenkomst. Zoals bij de beoordeling van grief 1 is overwogen, rustte op WLP geen contractuele verplichting om de koppeling of de samenwerking met TreviPay geheim te houden. Evenmin had CPN een exclusief gebruiksrecht ten aanzien van de koppeling. Voor zover WLP de koppeling openbaar heeft gemaakt en bij potentiële concurrenten van CPN onder de aandacht heeft gebracht, heeft WLP daarmee geen op haar rustende verplichtingen geschonden en heeft WLP daarmee dus ook niet onrechtmatig gehandeld. CPN heeft niet toegelicht hoe het handelen van WLP anders als onrechtmatig kan worden aangemerkt. Grief 3 faalt daarom ook.
Grief 4: Schadevergoeding
Met grief 4 komt CPN op tegen het oordeel van de rechtbank dat WLP niet schadeplichtig is. CPN voert daartoe uitsluitend aan dat WLP schadeplichtig is indien zij toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de Overeenkomst dan wel onrechtmatig heeft gehandeld, op grond van artikel 6:74 BW respectievelijk artikel 6:162 BW.
Grief 4 heeft geen zelfstandige betekenis. CPN baseert haar aanspraak op schadevergoeding uitsluitend op de door haar bij de voorgaande grieven gestelde tekortkoming en onrechtmatige daad. Zij heeft in de toelichting op deze grief geen andere aansprakelijkheidsscheppende gebeurtenis aangevoerd. Zoals bij de beoordeling van de grieven 1 tot en met 3 is overwogen, is WLP niet tekortgeschoten in de nakoming van de Overeenkomst en heeft zij ook niet onrechtmatig jegens CPN gehandeld. Grief 4 faalt.
Grief 5: Tussentijdse opzegging
Met grief 5 komt CPN op tegen het oordeel van de rechtbank dat zij de Overeenkomst niet tussentijds kon opzeggen. CPN betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat artikel 7:408 lid 1 BW is uitgesloten en onterecht heeft overwogen dat CPN niet bevoegd was de Overeenkomst tussentijds te beëindigen. CPN licht dit als volgt toe. Artikel 7:408 BW kan alleen expliciet worden uitgesloten en dat is niet gedaan. Uit het gebruik van de termen ‘terminate’ enerzijds en ‘serve notice’ of ‘give notice’ anderzijds volgt dat in de Overeenkomst niet is geregeld in welke gevallen de Overeenkomst kan worden opgezegd. CPN was niet bekend met het Nederlandse recht en zij heeft zich bij het sluiten van de Overeenkomst ook niet laten bijstaan. Indien WPL toch recht heeft op een vergoeding over de periode 15 juni 2023 tot 13 oktober 2024, dient die vergoeding te worden beperkt tot € 1.000 per maand.
Het hof gaat niet mee in het betoog van CPN en onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat CPN de Overeenkomst gedurende de looptijd van 36 maanden niet kon opzeggen. Het hof overweegt hierover het volgende.
Artikel 4.1 van de Overeenkomst bepaalt dat zij gedurende 36 maanden van kracht blijft, tenzij de Overeenkomst bepaalt dat tussentijdse beëindiging mogelijk is. Artikelen 4.3 en 4.4 van de Overeenkomst regelen vervolgens in welke specifieke gevallen de Overeenkomst tussentijds kan worden beëindigd. Een uitleg waarbij CPN de Overeenkomst niettemin op grond van artikel 7:408 lid 1 BW op ieder willekeurig moment kon opzeggen, zou de afgesproken looptijd en de in de Overeenkomst opgenomen beëindigingsregeling grotendeels zonder betekenis maken.
Het betoog van CPN dat artikel 7:408 lid 1 BW alleen kan worden uitgesloten door een bepaling waarin dit expliciet is geregeld, vindt geen steun in het recht. In lijn met de Haviltex-maatstaf is niet beslissend of partijen een bepaalde tekst in hun overeenkomst hebben gebruikt. Beslissend is welke betekenis aan de beëindigingsregeling in de Overeenkomst mag worden toegekend. De tussen CPN en WLP vastgelegde beëindigingsregeling bepaalt dat de Overeenkomst slechts op basis van een aantal limitatieve gronden tussentijds kan worden beëindigd. Dit kan redelijkerwijs bezwaarlijk anders worden begrepen dan dat een tussentijdse beëindiging op andere gronden is uitgesloten.
Het door CPN gemaakte taalkundige onderscheid tussen ‘terminate’ enerzijds en ‘serve notice’ of ‘give notice’ anderzijds leidt niet tot een ander oordeel. Artikelen 4.3 en 4.4 regelen in welke gevallen de Overeenkomst tussentijds kan worden beëindigd. Opzegging is een vorm van beëindiging en daarmee is (ook) de mogelijkheid tot opzegging geregeld in artikelen 4.1, 4.3 en 4.4.
CPN stelt dat zij niet bekend was met het Nederlandse recht, dat zij zich niet juridisch heeft laten bijstaan en dat zij niet over de inhoud van de Overeenkomst heeft onderhandeld. Dat kan haar niet baten. CPN had gelegenheid de Overeenkomst te bestuderen, advies in te winnen en zij had over de inhoud, waaronder de looptijd en beëindigingsregeling, kunnen onderhandelen. Dat heeft zij niet gedaan. Zij heeft de Overeenkomst ondubbelzinnig en zonder voorbehoud aanvaard en daar vervolgens uitvoering aan gegeven. Dit komt voor haar eigen risico. Bovendien is niet gebleken dat WLP ervan op de hoogte was dat CPN het Nederlandse recht niet kende en zich niet had laten bijstaan. CPN kan niet de conclusie trekken dat dit voor WPL kenbaar was en dat WPL op basis daarvan had moeten begrijpen dat CPN niet begreep waartoe zij zich committeerde of dat zij zich, in afwijking van de duidelijk in de Overeenkomst vastgelegde looptijd en de limitatieve beëindigingsgronden, toch een wettelijke opzeggingsbevoegdheid voorbehield.
De conclusie is dat de toepassing van artikel 7:408 lid 1 BW contractueel is uitgesloten. De gronden die CPN als gewichtige redenen heeft aangevoerd om de Overeenkomst op grond van artikel 7:408 BW op te mogen zeggen, behoeven geen nadere behandeling en daarmee faalt ook grief 5. Het hof zal bij de behandeling van grief 6 ingaan op de vergoeding die CPN aan WLP is verschuldigd.
Grief 6: Matiging van de contractuele betalingsverplichtingen
Met grief 6 komt CPN op tegen het oordeel van de rechtbank dat CPN aansprakelijk is voor betaling van de volledige vergoedingen onder de Overeenkomst tot het einde van de looptijd zonder enige vorm van matiging. CPN stelt dat de vorderingen van WLP op basis van de redelijkheid en billijkheid gematigd moeten worden omdat het onaanvaardbaar is dat WLP aanspraak maakt op de volledige contractuele vergoeding tot het einde van de overeengekomen looptijd. Volgens CPN dienen de vorderingen van WLP daarom te worden gematigd tot nihil, althans tot een bedrag dat uitsluitend de werkelijke kosten van WLP dekt.
Uitgangspunt is dat overeenkomsten partijen binden en moeten worden nagekomen. Een tussen partijen geldende contractuele bepaling blijft slechts buiten toepassing indien toepassing daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (artikel 6:248 lid 2 BW). Deze maatstaf dient terughoudend te worden toegepast en de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid strekt er niet toe een partij achteraf te bevrijden van een aanvaard ondernemersrisico of om een door partijen overeengekomen risicoverdeling alsnog te wijzigen, behoudens uitzonderlijke omstandigheden.
Grief 6 bouwt in belangrijke mate voort op de eerdere grieven. CPN voert opnieuw aan dat WLP haar geheimhoudingsverplichtingen heeft geschonden en dat zij daarom genoodzaakt was de samenwerking onmiddellijk te beëindigen. Zoals hiervoor is overwogen, is echter niet komen vast te staan dat WLP is tekortgeschoten in de nakoming van de Overeenkomst of onrechtmatig heeft gehandeld. Alleen al daarom ontbreekt de grondslag voor het betoog dat WLP door eigen toedoen geen aanspraak meer zou mogen maken op de overeengekomen vergoedingen.
De overige door CPN aangevoerde gronden maken het beroep van WLP op de overeengekomen vergoedingen niet onaanvaardbaar. De door CPN aangevoerde omstandigheden betreffen in hoofdzaak de verwezenlijking van een ondernemersrisico dat zij bij het aangaan van de Overeenkomst heeft aanvaard. WLP heeft dat risico niet veroorzaakt, noch contractueel op zich genomen. WLP heeft de koppeling gebouwd en het platform en de bijbehorende services gedurende de looptijd van de overeenkomst ter beschikking gesteld. Dat CPN achteraf geen commercieel voordeel meer kon behalen uit de Overeenkomst, rechtvaardigt niet dat de overeengekomen risicoverdeling alsnog wordt gewijzigd.
Voor zover CPN tevens verzoekt de wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten te matigen of af te wijzen, geldt hetzelfde. Nu de hoofdsom toewijsbaar is en CPN haar betalingsverplichtingen niet tijdig is nagekomen, bestaat geen zelfstandige grond om de wettelijke rente of de buitengerechtelijke incassokosten te matigen. CPN heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die een dergelijk oordeel kunnen dragen. Grief 6 faalt.
Vermeerdering van eis
Lopende de procedure in hoger beroep heeft WLP haar eis vermeerderd door ook betaling van termijnen die CPN na juni 2023 uit hoofde van de Overeenkomst aan WLP verschuldigd is geraakt van CPN te vorderen.
De rechtbank heeft betaling van de facturen van WLP toegewezen tot juni 2023 en een verklaring voor recht gegeven voor de resterende minimale contractperiode van 36 maanden. Nu die periode is verstreken, zijn de termijnen vanaf juni 2023 tot 13 oktober 2024 door CPN aan WLP verschuldigd geraakt. CPN betwist de vermeerderde eis op dezelfde gronden als de oorspronkelijke eis. Uit voorgaande overwegingen volgt dat die betwisting niet slaagt.
Slotsom, kosten en bewijsaanbod
De grieven slagen niet. De vermeerderde eis zal worden toegewezen. Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd en het hof zal daarnaast hetgeen in hoger beroep aanvullend is gevorderd toewijzen. Het hof ziet geen aanleiding om CPN toe te laten tot bewijslevering, omdat zij geen bewijs heeft aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden. CPN is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep als volgt vast:
- griffierecht € 6.561
- salaris advocaat € 9.414 (tarief VI, 2 punten)
Totaal € 15.975
7 Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis, en voorts:
veroordeelt CPN om aan WLP te betalen een bedrag van € 136.504 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 14 februari 2025, tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt CPN om aan WLP te betalen een bedrag van € 12.520,92 aan wettelijke handelsrente berekend tot en met 13 februari 2025;
veroordeelt CPN in de proceskosten in hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 15.975 te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;
veroordeelt CPN tot betaling van € 178 voor nasalaris, te vermeerderen met € 92 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden van de nakosten aan deze veroordeling is voldaan;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. J. van der Kraan, M.M.M. Tillema en K.A.J. Bisschop en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2026.