Civiel recht overig
In deze zaak ligt de vraag voor of appellant als bestuurder van een andere vennootschap aansprakelijk is voor…
Gerechtshof Amsterdam, 6 oktober 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:2856 · Gerechtshof Amsterdam · 6 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/civiel-recht/civiel-recht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-2856
Zaakgegevens
Op 6 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 6 oktober 2026
- Datum publicatie
- 6 oktober 2026
- Zaaknummer
- 200.340.570/01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. V.H.B. Kruit te Utrecht, mr. J.P. Groen te Hoorn
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2856
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
In deze zaak ligt de vraag voor of appellant als bestuurder van een andere vennootschap aansprakelijk is voor de schade die is ontstaan doordat de andere vennootschap betalingsverplichtingen uit een met geïntimeerde gesloten leaseovereenkomst niet meer kon nagekomen en failliet is verklaard. Het hof is van oordeel dat dat niet het geval is. Wel is appellant als middellijk bestuurder aansprakelijk voor het feit dat een aantal geleaste zaken niet is teruggegeven.
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)
zaaknummer : 200.340.570/01
zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : 10323406 \ CV EXPL 23-415
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 6 oktober 2026
in de zaak van
GRACE BIO OMICS B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
appellante,
tevens incidenteel geïntimeerde,
advocaat: mr. V.H.B. Kruit te Utrecht,
tegen
1 [appellant] B.V.,
gevestigd te [plaats] ,
2. DE PROJECTINRICHTER B.V.,
gevestigd te Purmerend,
geïntimeerden,
tevens incidenteel appellanten,
advocaat: mr. J.P. Groen te Hoorn.
Partijen worden hierna Grace Bio Omics en [appellanten] (in enkelvoud) genoemd. Voor zover nodig worden laatstgenoemden afzonderlijk [appellant] en De Projectinrichter genoemd.
1 De zaak in het kort
In deze zaak ligt de vraag voor of Grace Bio Omics als bestuurder van de inmiddels failliete vennootschap Genova aansprakelijk is voor de schade die [appellanten] lijdt doordat Genova haar betalingsverplichtingen uit de met [appellanten] gesloten leaseovereenkomst niet kon nakomen en failliet is verklaard. Het hof is van oordeel dat dat niet het geval is. Wel is Grace Bio Omics als middellijk bestuurder aansprakelijk voor het feit dat Genova bepaalde geleaste zaken niet heeft teruggeven aan [appellanten] Het hof wijst de gevorderde vergoeding van de waarde van die zaken toe.
2 Het geding in hoger beroep
Grace Bio Omics is bij dagvaarding van 14 februari 2024 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 7 december 2023 van de rechtbank Noord-Holland, locatie Zaanstad, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellanten] als eiseres en onder anderen Grace Bio Omics als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis).
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- anticipatie exploot van 22 april 2024 van [appellanten] ;
- memorie van grieven, met producties;
- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met een eiswijziging, met producties;
- memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep, met één productie.
Op 17 december 2024 is deze zaak op de rol gevoegd met de eveneens bij dit hof aanhangige zaak met zaaknummer 200.340.567/01 (van [appellanten] tegen Grace Systems B.V.).
Op 26 mei 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij de door [appellanten] nagezonden producties zijn toegelaten tot het procesdossier. De advocaten van beide partijen hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd. Van deze mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
Daartoe door het hof in de gelegenheid gesteld, hebben partijen na de mondelinge behandeling nog de volgende stukken ingediend:
- akte van Grace Bio Omics, met producties;
- antwoordakte van [appellanten] , met één productie.
Ten slotte is arrest bepaald.
3 Feiten
Het hof gaat voor zover van belang voor deze zaak uit van de volgende feiten die tussen partijen niet in geschil zijn.
De Projectinrichter is een groothandel gericht op de verkoop en lease van bedrijfsmeubilair. De Projectinrichter werkt samen met [appellant] . De Projectinrichter en [appellant] zijn aan elkaar gelieerd en hebben dezelfde (middellijk) bestuurder, te weten [naam 1] . De werkwijze van [appellanten] is dat [appellant] de koopsom voldoet voor het door De Projectinrichter bestelde meubilair aan de toeleveranciers en dat de betalingen uit hoofde van de operational leaseovereenkomst door de afnemer aan [appellant] worden voldaan.
Genova B.V. (hierna: Genova), hield zich bezig met biotechnologisch speur- en ontwikkelingswerk.
De Projectinrichter heeft met Genova in de periode van december 2020 tot en met juli 2021 diverse overeenkomsten gesloten voor de aankoop, montage en/of levering van kantoormeubelen en vloerbedekking, armaturen, raamfolie, maatwerk, wandbekleding, meerwerk op het maatwerk en meerwerk voor de kantoormeubelen.
Op 27 juli 2021 hebben [appellanten] en Genova een leaseovereenkomst gesloten voor het gebruik van kantoorinrichting op grond waarvan Genova gehouden was eenmalig € 99.315,72 te betalen en vervolgens gedurende 48 maanden een bedrag van € 8.276,31 per maand (hierna: de leaseovereenkomst). De leasetermijnen moesten aan [appellant] worden voldaan. In de leaseovereenkomst staat onder andere het volgende:
“(…) In samenwerking met [appellant] B.V. voldoen wij de koopsom van de kantoorinrichting aan de toeleveranciers. Bij operationele lease betaalt uw organisatie een vast bedrag per maand voor het gebruik van de kantoorinrichting. (…) De kantoorinrichting is geen eigendom van uw organisatie. (…) Na beëindiging van de leaseovereenkomst dient de kantoorinrichting aan ons te worden geretourneerd.”
Ten tijde van het sluiten van de leaseovereenkomst was Grace Bio Omics met Qurin Diagnostics B.V. (hierna Qurin) bestuurder van Genova. Zij hielden elk de helft van de aandelen in Genova middels een holdingsvennootschap.
[naam 2] (hierna: [naam 2] ) en [naam 3] (hierna: [naam 3] ) waren bestuurders van Grace Bio Omics. Zij hielden elk de helft van de aandelen in Grace Bio Omics middels hun holdingsvennootschappen.
[naam 2] en [naam 3] hielden via hun holdingvennootschappen ieder 35% van de aandelen in Grace Systems B.V. (hierna: Grace Systems). Qurin hield 20% van de aandelen in Grace Systems en twee minderheidsaandeelhouders hielden samen de overige 10%.
Grace Systems hield alle aandelen in Grace Datascience B.V. (hierna: Grace Datascience).
Genova heeft een bedrag van € 99.315,72 aan [appellanten] voldaan. Van de 48 maandelijkse termijnen heeft Genova er vijf voldaan. Vanaf termijn 43, gefactureerd op 27 maart 2022, is Genova opgehouden te betalen. Qurin heeft daarna nog twee termijnen voldaan.
Bij brief van 14 september 2022 heeft [appellanten] Grace Systems, Grace Bio Omics en [naam 3] en [naam 2] aansprakelijk gesteld voor het niet nakomen van de leaseovereenkomst en de door haar geleden schade.
Bij brief van 11 november 2022 heeft [appellanten] de leaseovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden en Genova c.s. gesommeerd tot betaling van een bedrag van € 331.052,40 aan schadevergoeding.
Bij vonnis van 7 februari 2023 van de rechtbank Midden-Nederland is Genova in staat van faillissement verklaard, met aanstelling van mr. [naam 4] als curator (hierna: curator).
De curator heeft een rechtmatigheidsonderzoek uitgevoerd en op 25 april 2025 een eindverslag opgesteld. Daarin staat dat de vragen van de curator door de bestuurders zijn beantwoord, dat de werkzaamheden in het kader van het rechtmatigheidsonderzoek zijn afgerond en dat niet is gebleken van onbehoorlijk bestuur of paulianeus handelen. Op 11 juli 2025 is het faillissement opgeheven bij gebrek aan baten.
4 Procedure bij de rechtbank
[appellanten] is in eerste aanleg een procedure gestart tegen Grace Bio Omics, Grace Systems, Genova en Qurin waarin zij onder meer vorderingen heeft ingesteld tot betaling van € 339.328,71 aan schadevergoeding en tot teruggave van geleaste goederen.
De rechtbank heeft de vorderingen op Qurin afgewezen en in de procedure tegen Genova onder meer de leaseovereenkomst ontbonden. De procedure met betrekking tot verifieerbare vorderingen op Genova is aangehouden omdat Genova lopende de procedure in staat van faillissement werd verklaard.
Grace Systems en Grace Bio Omics zijn niet (op juiste wijze) verschenen in de procedure in eerste aanleg en bij verstek hoofdelijk veroordeeld op grond van onrechtmatige daad tot betaling aan [appellanten] van:
- € 339.328,71 aan misgelopen betalingen uit hoofde van de leaseovereenkomst, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over dat bedrag vanaf 11 november 2022 tot aan de dag van de gehele betaling;
- 4.150,62 aan buitengerechtelijke kosten;
- de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
Verder is Grace Systems veroordeeld tot het retourneren van plantenbakken en verlichtingselementen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag of dagdeel dat zij met het retourneren in gebreke blijft, met een maximum van € 25.000,00 omdat de goederen waarvan [appellanten] teruggave vordert zich bevinden in het pand van Grace Systems aan de Orteliuslaan 850 in Utrecht.
De vordering om ook Grace Bio Omics daartoe te veroordelen, is afgewezen.
5 Vordering in hoger beroep
Grace Bio Omics heeft in hoger beroep gevorderd dat het hof het bestreden vonnis, voor zover tussen partijen gewezen, vernietigt en de vordering van [appellanten] jegens haar alsnog afwijst en dat het hof tevens oordeelt dat Grace Bio Omics geen onrechtmatige daad heeft gepleegd jegens [appellanten] en dat zij als bestuurder van Genova niet aansprakelijk is op grond van 6:162 BW, alles met - uitvoerbaar bij voorraad - hoofdelijke veroordeling van [appellanten] in de proceskosten in beide instanties.
Desgevraagd heeft Grace Bio Omics op de zitting in hoger beroep toegelicht met het in het petitum gevraagde oordeel over de aansprakelijkheid niet te hebben beoogd een tegenvordering in te stellen, maar slechts een oordeel van het hof te vragen ter zake de aansprakelijkheid, welk oordeel in de overwegingen kan worden opgenomen.
[appellanten] heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het principaal hoger beroep. In incidenteel hoger beroep heeft [appellanten] gevorderd om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest:
A. het bestreden vonnis gedeeltelijk te vernietigen en alsnog alle vorderingen van [appellanten] jegens Grace Bio Omics (en Grace Systems) toe te wijzen;
B. voor het geval wordt geoordeeld dat Grace Bio Omics (en Grace Systems) vanaf een bepaalde datum niet langer in staat zijn om de (6) Palmberg plantenbakken en (39)
verlichtingselementen te retourneren aan [appellanten] , Grace Bio Omics (en Grace
Systems) - naast betaling van de verschuldigde dwangsom tot die datum - (hoofdelijk) te
veroordelen tot betaling van de waarde van die zaken, te weten een bedrag van € 14.230,68, te vermeerderen met de wettelijke rente;
C. Grace Bio Omics (hoofdelijk met Grace Systems) te veroordelen tot betaling van
€ 8.276,32 per maand, voor elke maand dat zij het meubilair onder zich hebben gehad en nog
hebben, te vermeerderen met de wettelijke rente gerekend vanaf iedere maand waarop het bedrag van € 8.276,32 ziet;
D. Grace Bio Omics (hoofdelijk met Grace Systems) te veroordelen in de kosten van deze
procedure in hoger beroep, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Het hof begrijpt het petitum in incidenteel hoger beroep zo dat in de onderhavige procedure veroordeling van Grace Bio Omics is gevorderd en voor zover in het petitum Grace Systems wordt genoemd, dat betrekking heeft op de aparte procedure tegen Grace Systems (200.340.567/01). Grace Systems is immers geen partij in de onderhavige procedure.
[appellanten] heeft de vorderingen in incidenteel hoger beroep opgenomen in haar eerste processtuk (memorie van antwoord tevens inhoudende incidenteel hoger beroep). Anders dan Grace Bio Omics betoogt, zijn deze vorderingen dus niet tardief.
Grace Bio Omics heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het incidenteel hoger beroep met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten, met nakosten en wettelijke rente.
6 Beoordeling
De eerste twee grieven in principaal hoger beroep richten zich tegen het oordeel van de rechtbank dat Grace Bio Omics als bestuurder van Genova aansprakelijk is jegens [appellanten] wegens onrechtmatig handelen. De derde grief betreft de proceskostenveroordeling in eerste aanleg.
De eerste twee grieven in incidenteel hoger beroep betreffen het retourneren van de geleaste zaken op straffe van verbeurte van een dwangsom en de vierde incidentele grief betreft de eisvermeerdering inzake de vergoeding van de waarde (voor het gebruik) van deze zaken. De derde grief in incidenteel hoger beroep betreft de hoogte van de dagvaardingskosten als onderdeel van de toegewezen proceskosten in eerste aanleg.
Het hof zal eerst de twee grieven in principaal hoger beroep over de bestuurdersaansprakelijkheid gezamenlijk behandelen en daarbij ook ingaan op de niet geretourneerde geleaste zaken.
Bestuurdersaansprakelijkheid
Van bestuurdersaansprakelijkheid kan sprake zijn als de bestuurder bij het aangaan van een overeenkomst wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, en wist of behoorde te begrijpen dat de schuldeiser als gevolg van haar handelen schade zou lijden (Hoge Raad 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521 (Beklamel). Ook kan een dergelijk ernstig verwijt aan de orde zijn als de bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt (Hoge Raad 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 (Ontvanger/Roelofsen).
In het algemeen geldt een hoge drempel voor persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurders (Vgl. HR 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:912, rov. 3.2.1).
Bestuurdersaansprakelijkheid met toepassing van de Beklamelnorm
[appellanten] hebben aan hun vordering ten grondslag gelegd dat Grace Bio Omics als bestuurder van Genova bij het sluiten van de leaseovereenkomst in juli 2022 wist dat Genova haar betalingsverplichtingen uit de leaseovereenkomst niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden voor de dientengevolge te lijden schade van [appellanten] Daartoe stelt [appellanten] onder meer het volgende. Blijkens de jaarrekeningen van 2019, 2020 en 2021 had Genova over de genoemde jaren een negatief eigen vermogen van respectievelijk
€ 108.221,00, € 267.131,00 en € 1.675.677,00. In 2021 had Genova een eigen vermogen/balanstotaal van -2,45, een eigen vermogen/vreemd vermogen van -0,71 en een negatief werkkapitaal van € 1.499.458,00. Het had Grace Bio Omics reeds op grond van deze cijfers op 27 juli 2021 duidelijk moeten zijn dat het met de leaseovereenkomst gemoeide bedrag van € 496.578,60 niet betaald kon worden, ook niet in termijnen.
De slechte financiële positie van Genova vindt ook steun in het feit dat zij bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO) een krediet van 1,7 miljoen had aangevraagd, welk krediet is geweigerd. Medebestuurder Qurin had niet met het sluiten van de leaseovereenkomst ingestemd en stelde in bestuursvergaderingen vragen over de financiële situatie van Genova en over door Qurin als ongezond bestempelde uitgaven van Genova, aldus nog steeds [appellanten] die ter onderbouwing van haar stellingen hoofdzakelijk verwijst naar hetgeen Qurin heeft aangevoerd in haar conclusie van antwoord in eerste aanleg.
Dat de financiële positie van Genova bij het sluiten van de leaseovereenkomst dermate slecht was dat Grace Bio Omics op grond daarvan wist dat Genova haar betalingsverplichtingen niet zou kunnen nakomen, heeft Grace Bio Omics gemotiveerd betwist. Grace Bio Omics heeft erop gewezen dat [appellanten] slechts heeft gekeken naar de balansgegevens van Genova BV en Genova Holding en dat zij het werkkapitaal ten onrechte onvermeld heeft gelaten. De aandeelhouders van Genova en Genova Holding BV hadden in 2020 een kapitaalstorting gedaan van € 1.700.000,00 wat blijkt uit de koopovereenkomst en het addendum en Grace Bio Omics en Qurin hadden zich op 5 november 2020 gecommitteerd aan een geldleningsovereenkomst met Genova, waarbij ze ieder € 250.000,00 hadden uitgeleend aan Genova, aldus Grace Bio Omics.
Het hof is van oordeel dat [appellanten] op dit verweer onvoldoende is ingegaan en haar stelling ten aanzien van de financiële positie van Genova daarmee onvoldoende heeft onderbouwd. Overigens beschikte [appellanten] voorafgaand aan het sluiten van de leaseovereenkomst zelf over in elk geval jaarrekeningen van Genova. Kennelijk vond zij die jaarrekeningen toen niet alarmerend en redengevend voor wetenschap op voorhand dat de overeenkomst niet kon worden nagekomen. Niet valt in te zien waarom dat nu - zonder de wetenschap van achteraf - anders is.
De RVO kredietaanvraag was voor de liquiditeit van dat moment niet nodig en bovendien werd pas ruim na het sluiten van de overeenkomst bekend dat de aanvraag werd geweigerd, zo heeft [naam 2] op de zitting in hoger beroep verklaard. [appellanten] heeft dat niet voldoende betwist.
Ook ervan uitgaande dat voor het sluiten van de leaseovereenkomst toestemming van mede-aandeelhouder Qurin nodig was - welke toestemming ontbrak - impliceert dat op grond van het voorgaande niet dat Grace Bio Omics als bestuurder van Genova bij het aangaan van de leaseovereenkomst wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden. Overigens heeft [naam 2] op de zitting in hoger beroep toegelicht dat toestemming van Qurin niet nodig was omdat er een taakverdeling was tussen Grace Bio Omics en Qurin, dat het sluiten van de leaseovereenkomst onder de taak van Grace Bio Omics viel en dat de leaseovereenkomst binnen de geplande liquiditeitsbegroting viel. Met alleen de verwijzing naar de conclusie van antwoord van Qurin in eerste aanleg, dat volgens Qurin wel haar toestemming nodig was, heeft [appellanten] dat onvoldoende gemotiveerd betwist, al is het maar omdat Qurin als medebestuurder belang heeft bij de uitkomst van de zaak.
[naam 2] heeft op de zitting in hoger beroep desgevraagd verklaard dat pas na het sluiten van de leaseovereenkomst discussie is ontstaan tussen Qurin en Grace Bio Omics. In de conclusie van antwoord van Qurin in eerste aanleg, waarop [appellanten] zich in dit kader beroept, staat dat tot juli/augustus 2021 regelmatig bestuurdersbijeenkomsten plaatsvonden. Dat er vóór 27 juli 2021 al sprake was van onmin, staat niet in dit processtuk. Onder 3.2 van de conclusie van antwoord van Qurin staat vermeld dat de bestuurder van Qurin tijdens één van de bestuursvergaderingen in juli/augustus 2021 kritische vragen heeft gesteld over de financiële situatie en uitgaven van Genova, waarna Qurin en Grace Bio Omics in onmin raakten. Onder 3.3 van dit processtuk staat voorts vermeld dat de discussie in januari 2022 in een stroomversnelling kwam vanwege een plotseling liquiditeitsprobleem. Rond februari 2022 liep Genova onverwachts 1,7 miljoen aan RVO krediet mis en was er gedoe tussen de bestuurders rond de opdrachtverlening, zo staat in 3.8 en 3.9 van de conclusie van antwoord van Qurin. Uit dit alles valt niet op te maken dat op 27 juli 2021 al sprake was van onmin tussen de bestuurders en daarmee van een liquiditeitsprobleem dat aan het sluiten van de overeenkomst in de weg had moeten staan. Ook de discussie tussen Qurin en Grace Bio Omics over de rechtsgrond van de betalingen van Genova aan Grace Datascience en Grace Systems - voor zover al redengevend voor wetenschap op voorhand bij de bestuurder van betalingsonmacht jegens [appellanten] - dateert van ná het sluiten van de leaseovereenkomst. Die rechtsgrond was er - ook volgens [appellanten] - in elk geval tot en met 14 september 2021 (onderdeel 26 van de antwoordakte van [appellanten] in hoger beroep). Al met al heeft [appellanten] onvoldoende onderbouwd dat Grace Bio Omics als bestuurder van Genova bij het sluiten van de leaseovereenkomst in juli 2022 wist dat Genova haar betalingsverplichtingen uit de leaseovereenkomst niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden. Voor zover relevant is ook niet vast komen te staan dat Grace Bio Omics relevante zaken heeft verzwegen bij het sluiten van de leaseovereenkomst.
[appellanten] heeft nog aangevoerd dat [naam 3] en [naam 2] voorafgaand aan het sluiten van de leaseovereenkomst zouden hebben gemeld dat [appellanten] zich geen zorgen hoefde te maken over de nakoming door Genova van de leaseovereenkomst en de financiële positie van Genova. Zij hebben volgens [appellanten] benadrukt dat achter Genova professionele bestuurders en aandeelhouders stonden die al jaren goed draaiden en eenvoudig voor financiering zouden zorgen, waarbij vermogende bekende Nederlanders betrokken zouden zijn. [naam 2] heeft desgevraagd op de zitting in hoger beroep bevestigd dat met [appellanten] is gesproken over funding, waaraan Genova haar bestaansrecht ontleende, maar niet om [appellanten] ervan te overtuigen om de overeenkomst te sluiten want daarvoor waren de financiële stukken overgelegd.
Ook als [naam 2] namens Grace Bio Omics zou hebben verklaard dat [appellanten] zich geen zorgen hoefde te maken over nakoming van de leaseovereenkomst en dat achter Genova professionele bestuurders en aandeelhouders stonden, dan leidt dat naar het oordeel van het hof niet tot bestuurdersaansprakelijkheid omdat het niet impliceert dat Grace Bio Omics als bestuurder van Genova bij het sluiten van de leaseovereenkomst in juli 2022 wist dat Genova haar betalingsverplichtingen uit de leaseovereenkomst niet zou kunnen nakomen. Overigens is niet vast komen te staan dat die mededeling op dat moment niet juist was, beschikte [appellanten] over de relevante financiële stukken en heeft zij op basis daarvan zelf een afweging gemaakt inzake het betalingsrisico.
Na het sluiten van de leaseovereenkomst
[appellanten] verwijt Grace Bio Omics onbehoorlijk bestuur en verhaalsmogelijkheden te hebben gefrustreerd door na het sluiten van de overeenkomst:
-
te weinig (financiële) aandacht te hebben gehad voor Genova en niet te hebben gereageerd op voorstellen van Qurin om een overeenkomst van opdracht met Genova te sluiten, waardoor Genova failliet is gegaan.
-
na 14 september 2021 aanzienlijke bedragen van Genova naar Grace Datascience en Grace Systems te hebben laten vloeien zonder dat daarvoor een grondslag bestond;
-
Genova de huurkosten en kantoorkosten van de bedrijfsruimte waarin ook Grace Systems haar onderneming exploiteerde te hebben laten betalen;
-
activiteiten, personeel, meubilair en IP van Genova te hebben overgeheveld naar Grace Systems.
[appellanten] heeft deze stellingen met name onderbouwd door de te verwijzen naar stellingen van Qurin in de conclusie van antwoord in eerste aanleg. Op de zitting in hoger beroep heeft [appellanten] gesuggereerd dat de curator het rechtmatigheidsonderzoek bij het faillissement van Genova voortijdig zou hebben gestaakt omdat daarvoor te weinig geld zou zijn. Volgens Grace Bio Omics had de curator juist uitvoerig onderzoek gedaan, de gehele administratie doorgelicht, een extern bureau ingeschakeld voor de analyse van de digitale administratie en financiële stromen en op basis daarvan geconcludeerd dat geen sprake is van onbehoorlijk bestuur en/of paulianeus handelen.
Het hof heeft Grace Bio Omics verzocht om alle vragen van de curator in het kader van het rechtmatigheidsonderzoek en alle antwoorden daarop in te brengen in de procedure, hetgeen Grace Bio Omics heeft gedaan. [appellanten] heeft zich daarover mogen uitlaten. Anders dan [appellanten] betoogt, heeft Grace Bio Omics volgens de curator in voldoende mate aan de informatieverzoeken voldaan. In het eindverslag staat dat de vragen van de curator zijn beantwoord en dat de werkzaamheden in het kader van het rechtmatigheidsonderzoek zijn afgerond. Het hof gaat voorbij aan de stelling van [appellanten] dat de stukken aan de curator zouden zijn gemanipuleerd, althans de curator onjuist zou zijn geïnformeerd. Uit het feit dat de jaarrekening 2022 op twee verschillende momenten is toegezonden kan dit niet worden afgeleid en [appellanten] heeft niet toegelicht dat er inhoudelijk verschillen zitten tussen beide documenten. In het eindverslag van de curator staat vermeld dat sprake was van onenigheid tussen de bestuurders, dat volgens de ene bestuurder van Genova het faillissement is veroorzaakt door te hoge kosten (huur en personeel) die niet in verhouding stonden met de inkomsten van de onderneming en dat volgens de andere bestuurder het faillissement is veroorzaakt doordat potentiële opdrachten aan Genova geen doorgang vonden, waardoor er geen inkomsten waren en de kosten bleven doorlopen. Dit laatste betreft het verwijt van [appellanten] aan Grace Bio Omics dat zij had moeten reageren op voorstellen van Qurin om een overeenkomst van opdracht met Genova te sluiten. De curator heeft naar de oorzaak van het faillissement onderzoek gedaan en heeft geconstateerd dat beide, door de bestuurders aangegeven oorzaken van het faillissement, een rol hebben gespeeld.
Dat en waarom één van de twee oorzaken (het niet doorgaan van potentiële opdrachten vanwege een verschil van inzicht daarover) in het licht van de onenigheid tussen de bestuurders - het gevolg zou zijn van onbehoorlijk bestuur van Grace Bio Omics, heeft [appellanten] onvoldoende toegelicht.
Geldstromen vanuit Genova
[appellanten] heeft gesteld dat Genova betalingen aan Grace Datascience en Grace Systems heeft gedaan voor meer dan een half miljoen euro zonder dat daar een grondslag voor bestond en daarmee gelden heeft overgeheveld met het doel deze te onttrekken aan verhaal. Daarbij heeft [appellanten] verwezen naar stellingen van Qurin (onder meer in de conclusie van antwoord in eerste aanleg). Daarin is gewezen op betalingen van na 15 september 2021, de datum waarop een overeenkomst tussen Genova en Grace Datascience eindigde. Concreet heeft [appellanten] verwezen naar licentiekosten van € 211.000,00 en een doorberekende managementfee van € 378.000,00 die Qurin noemt in een brief van 23 mei 2022. In de antwoordakte heeft [appellanten] echter nader toegelicht dat voornoemde bedragen kostenposten betreffen die afkomstig zijn uit de jaarrekening van Grace Datascience en dus geen kostenposten van Genova zijn. Daarmee heeft [appellanten] haar stellingen onvoldoende onderbouwd.
Los daarvan heeft ook de curator onderzoek gedaan naar de betalingen aan Grace Datascience van ná 15 september 2021, namelijk op 25 oktober 2021, 27 november 2021 en 18 december 2021 van driemaal € 104.681,13 (in totaal € 314.043,39). De curator heeft geconstateerd dat over de jaren 2020 tot en met 2022 “vaste kosten van eerst € 106.000,00 en daarna
€ 104.000,00 per maand” werden gemaakt door betaling aan Grace Datascience. De curator heeft gevraagd of voor daadwerkelijk afgenomen diensten werd gefactureerd, waarop [naam 2] - bij e-mail van 28 februari 2025 - heeft geantwoord dat een vast deel van het team, de servers en de software(licenties) ter beschikking zijn gesteld om vooraf vastgestelde doelen te behalen (zoals het uitvoeren van datamining, AI ontwikkeling, biomarker discovery, onderzoek etc.). Daarbij heeft hij de overeenkomst van opdracht tussen Genova en Grace Datascience die eindigde op 15 september 2021, aan de curator verstrekt. Uit de vragen van de curator en de antwoorden daarop blijkt dat vanaf 2022 kantoorkosten en huisvestingskosten niet langer werden doorbelast aan Grace Datascience omdat de ondernemingen van Genova en Grace Datascience begin 2022 zonder financiering, personeel en activiteiten niet konden worden voortgezet met als gevolg dat de samenwerking stopte en daarmee dus ook de doorbelasting. Dit duidt erop dat Grace Datascience over de maanden oktober tot en met december 2021 nog wel uitvoering gaf aan de samenwerking en in dat kader een vast deel van het team, servers en software ter beschikking heeft gesteld. Dat dit anders zou zijn, heeft [appellanten] onvoldoende onderbouwd. Hieruit leidt het hof af dat Grace Data Science en Genova ondanks dat de vooraf overeengekomen looptijd van de overeenkomst was geëindigd, daaraan uitvoering zijn blijven geven en dat Grace Datascience de kosten dus daadwerkelijk heeft gemaakt (een deel van haar team, servers en software is ter beschikking gesteld) en Genova daarvoor heeft betaald. Tegen die achtergrond kan niet worden gesproken van het overhevelen van gelden met het doel deze te onttrekken aan verhaal. Overigens heeft ook de curator de conclusie getrokken dat geen sprake is geweest van paulianeus handelen met betrekking tot deze betalingen. [appellanten] heeft in de antwoordakte tot slot nog op nieuwe/andere mogelijke onregelmatigheden gewezen. Het hof gaat daaraan voorbij wegens strijd met de goede procesorde. Grace Bio Omics heeft op deze stellingen niet kunnen reageren. Voor zover die mogelijke onregelmatigheden zijn gebaseerd op informatie die afkomstig is van de curator, heeft de curator daarover bovendien reeds geoordeeld dat geen sprake is van onbehoorlijk bestuur of paulianeus handelen en heeft [appellanten] haar stellingen onvoldoende onderbouwd. De slotsom is dat [appellanten] de stelling dat ná 14 september 2021 aanzienlijke bedragen van Genova naar Grace Datascience en Grace Systems zijn gevloeid zonder dat daarvoor een grondslag bestond, onvoldoende heeft onderbouwd en toegelicht. Die stelling wordt mitsdien verworpen.
Volgens [appellanten] betaalde Genova alle huurkosten en kantoorkosten van de bedrijfsruimte waarin ook de onderneming van Grace Systems was gevestigd en haar activiteiten exploiteerde. Daarbij verwijst [appellanten] naar een e-mail van 23 mei 2022 (producties 25 en 27 bij de conclusie van antwoord van Qurin in eerste aanleg) waarin Qurin de vraag stelt:
“Ten aanzien van de huisvestingskosten en de lease van het kantoormeubilair. De huurovereenkomst en de lease van de meubelen worden betaald door Genova maar Grace is mede gebruikster. Wat is de verdeelsleutel in deze kosten en waarop is deze sleutel gebaseerd?”
Grace Bio Omics heeft toegelicht dat Grace Systems over eigen gehuurde locaties beschikte met eigen kantoormeubilair en heeft in dat verband foto’s overgelegd van die locaties. [naam 2] heeft op de zitting in hoger beroep verklaard dat ook medewerkers van Grace Systems in het pand van Genova werkten, maar alleen om mee te werken aan projecten binnen de joint venture Genova. In de uittreksels uit het handelsregister die [appellanten] heeft overgelegd, staat dat Grace Systems was gevestigd aan de Fred. Roeskestraat 115 te Amsterdam en Genova aan de Hondiuslaan 40 te Utrecht. [appellanten] heeft haar stelling dat Genova heeft betaald voor de ruimte waarin Grace Systems was gevestigd of exploiteerde in het licht van het voorgaande onvoldoende onderbouwd. Overigens heeft ook de curator, die onderzoek heeft gedaan naar de huisvestingskosten en kantoorkosten van Genova aan de hand van de activiteiten van de verschillende betrokken vennootschappen, ter zake geen betalingsverplichting van Grace Systems jegens Genova geconstateerd.
Overhevelen zaken vanuit Genova naar Grace Systems
Op de zitting in hoger beroep heeft [naam 2] toegelicht dat de Intellectual Property (IP) is gedeponeerd door Genova Holding en daar is gebleven (gedeponeerd bij notaris Bussink te Rotterdam). Dit komt eveneens naar voren uit de stukken van de curator. [appellanten] is daarop niet ingegaan en heeft haar stelling dat de IP van Genova naar Grace Systems zou zijn overgeheveld daarmee onvoldoende onderbouwd.
Dat personeel en activiteiten zouden zijn overgeheveld van Genova naar Grace Systems, heeft [appellanten] gebaseerd op de producties 40 en 42 tot en met 46 bij de memorie van antwoord tevens incidenteel appel. Op de vraag welke activiteiten zijn overgegaan, heeft [appellanten] op de zitting in hoger beroep toegelicht dat personeel is overgegaan, slogans op de website zijn overgeheveld en kennis van Genova is overgegaan.
Productie 46 is een artikel uit het FD over een fusie van Renovaro, waarbij [naam 2] en diverse vennootschappen zijn betrokken, waaronder Grace Systems. [naam 2] heeft hierover op de zitting in hoger beroep verklaard dat Grace Systems ver ná het faillissement van Genova is verkocht aan een bedrijf dat datamining technologie nodig had en dat datamining niet afkomstig is van of is verplaatst vanuit Genova. [appellanten] heeft dit laatste onvoldoende betwist.
Productie 45 betreft een verklaring van [naam 5] van Qurin van 1 mei 2025 dat
de omschrijving op de website van de Renovaro Group geen enkele twijfel laat dat de
activiteiten van Genova aldaar zijn voortgezet. Dat [naam 5] van Qurin, waarmee Grace Bio Omics ruzie had, kennelijk die conclusie heeft getrokken, is op zichzelf niet voldoende. [appellanten] heeft niet toegelicht welke kennis van Genova zou zijn overgegaan en waaruit dat blijkt. Ten aanzien van de overgelegde website van “Grace Technology” in productie 44 (één van de handelsnamen van Grace Systems), heeft [naam 2] verklaard die website niet te kennen, dat Grace Technology niet bestaat en dat dit een verouderde website van Genova moet zijn. Ten aanzien van het personeel heeft Grace Bio Omics erop gewezen dat de tien (met naam genoemde) personeelsleden van Genova met toestemming van het UWV zijn ontslagen wegens bedrijfseconomische redenen en een overzicht overgelegd met daarbij een viertal getekende vaststellingsovereenkomsten.
In het licht van de gemotiveerde betwisting door Grace Bio Omics, heeft [appellanten] onvoldoende onderbouwd dat kennis of personeel is overgeheveld van Genova naar Grace Systems. Overigens heeft ook de curator onderzoek gedaan naar het personeelsbestand van Genova en in dit kader geen onregelmatigheden geconstateerd.
Niet geretourneerde geleaste zaken
Ten aanzien van het kantoormeubilair heeft [appellanten] toegelicht dat zij op of rond 6 september 2022 heeft geconstateerd dat een aantal van de bij [appellanten] geleaste zaken ter waarde van gezamenlijk € 35.311,82 waren verplaatst vanuit het pand van Genova aan de Hondiuslaan 40 in Utrecht. Bij brief van 14 september 2022 heeft [appellanten] Grace Bio Omics en Grace Systems en hun (middellijk) bestuurders ( [naam 3] en [naam 2] ) daarvan op de hoogte gebracht en aansprakelijk gesteld (zie bij de feiten onder 3.10). Bij brief van 11 november 2022 heeft [appellanten] de leaseovereenkomst ontbonden (zie bij de feiten onder 3.11) als gevolg waarvan de geleaste kantoorinrichting diende te worden geretourneerd (zie bij de feiten onder 3.4). [appellanten] heeft nader toegelicht een aantal zaken te hebben teruggekregen, maar niet de plantenbakken en de verlichtingselementen met in totaal een waarde van € 14.230,68 en voorts de plantenbakken te hebben aangetroffen in het pand van Grace Systems aan de Orteliuslaan 850 te Utrecht. [naam 2] heeft verklaard in de onjuiste veronderstelling te hebben verkeerd dat de plantenbakken bij Grace Systems hoorden en dat hij de plantenbakken heeft weggegeven aan een andere huurder in het pand van Grace Systems. Ten aanzien van de verlichtingselementen heeft hij verklaard dat die niet zijn meegenomen en dat die bij het einde van Genova in het berghok zijn gelegd.
Het hof oordeelt als volgt. [naam 2] is (middellijk) bestuurder van zowel Grace Systems als Grace Bio Omics en was ook middellijk bestuurder van Genova voordat Genova in staat van faillissement werd verklaard. [appellanten] heeft ook [naam 2] , ongeveer een half jaar voordat Genova failliet werd verklaard, erop gewezen dat zaken in een pand van Grace Systems en in een pand van Genova aan [appellanten] toebehoren. [naam 2] had feitelijk de beschikking over de plantenbakken die hij naar eigen zeggen aan een huurder in het pand van Grace Systems in Utrecht heeft weggegeven. Ook had hij feitelijk de beschikking over de verlichtingselementen die hij naar eigen zeggen in de bergruimte van Genova had laten zetten. Dat [naam 2] heeft getracht de plantenbakken of de verlichtingselementen aan [appellanten] te retourneren voordat Grace Systems daartoe in rechte werd veroordeeld, is niet gesteld of gebleken. Het hof gaat voorbij aan het verweer van Grace Bio Omics dat voor het retourneren de medewerking van de curator nodig was. [naam 2] had na de brieven van [appellanten] uit september en november 2022 ruim de gelegenheid de verlichtingselementen te retourneren voordat Genova in februari 2023 failliet werd verklaard. Grace Bio Omics heeft daarmee via haar (middellijk) bestuurder [naam 2] bewerkstelligd en/of toegelaten dat deze zaken niet zijn geretourneerd aan [appellanten] Grace Bio Omics is verplicht tot vergoeding van de schade die daarvan het gevolg is. Voor zover het de plantenbakken betreft, zijn Grace Bio Omics en Grace Systems op grond van artikel 6:102 BW beide verplicht de schade te vergoeden die het gevolg is van het niet retourneren daarvan (zie onder het arrest dat het hof heden heeft gewezen in de zaak tegen Grace Systems met zaaknummer 200.340.367).
Tussenconclusie aansprakelijkheid Grace Bio Omics
Op grond van het voorgaande is Grace Bio Omics niet aansprakelijk als bestuurder voor het niet nakomen van de betalingsverplichting van Genova jegens [appellanten] uit hoofde van de leaseovereenkomst. Hetgeen [appellanten] daaraan feitelijk ten grondslag heeft gelegd, is niet vast komen te staan, laat staan dat de drempel van bestuurdersaansprakelijkheid (zie hiervoor onder 6.2) zou zijn gehaald. [appellanten] heeft geen bewijs aangeboden van voldoende onderbouwde feiten die, indien bewezen, tot een ander oordeel leiden.
Wel is Grace Bio Omics aansprakelijk voor het niet retourneren van de plantenbakken en verlichtingselementen. Grace Bio Omics is in eerste aanleg niet veroordeeld tot het retourneren van deze zaken op straffe van verbeurte van een dwangsom en heeft dus ook geen dwangsom verbeurd. Het hof zal Grace Bio Omics niet alsnog veroordelen tot teruggave van de plantenbakken en verlichtingselementen op straffe van verbeurte van een dwangsom omdat Grace Bio Omics heeft aangevoerd dat de zaken thans in gebruik zijn bij derden die geen medewerking aan teruggave verlenen, waarop [appellanten] niet nader is ingegaan. Daarmee is het allerminst zeker dat Grace Bio Omics nu nog in staat is deze zaken te retourneren. Het hof zal daarom Grace Bio Omics in incidenteel hoger beroep veroordelen tot betaling van de waarde van die zaken, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dat de zaken een waarde vertegenwoordigen van € 14.230,68 (waarvan € 5.280,- voor de plantenbakken en de rest voor de verplichtingsarmaturen), heeft [appellanten] voldoende onderbouwd en Grace Bio Omics onvoldoende betwist. Zoals hiervoor vermeld in 6.15, zijn Grace Systems en Grace Bio Omics hoofdelijk verbonden tot betaling van € 5.280,- . Als Grace Systems (een deel daarvan) betaalt, is Grace Bio Omics van de verplichting tot betaling (voor dat deel) jegens [appellanten] bevrijd.
Dat Grace Bio Omics de plantenbakken en verlichtingsarmaturen heeft gebruikt en daardoor ongerechtvaardigd is verrijkt, heeft [appellanten] onvoldoende onderbouwd en toegelicht. De hierop gebaseerde vordering tot betaling van € 8.276,32 per maand zal het hof dan ook afwijzen.
Slotsom en proceskosten
De eerste twee grieven in principaal hoger beroep slagen voor zover zij zijn gericht tegen de veroordeling tot betaling van € 339.328,71 (de misgelopen vergoeding uit hoofde van de leaseovereenkomst), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, en de veroordeling tot betaling van € 4.150,62 aan buitengerechtelijke kosten. Het hof zal het bestreden vonnis in zoverre vernietigen en deze vorderingen alsnog afwijzen.
De derde grief in principaal hoger beroep die ziet op de proceskostenveroordeling in eerste aanleg, slaagt niet. Grace Bio Omics is niet (op de juiste wijze) verschenen in de procedure in eerste aanleg als gevolg waarvan haar verweer voor het eerst in hoger beroep kon worden beoordeeld. Dat dit niet in eerste aanleg is gebeurd, komt daarmee voor rekening van Grace Bio Omics.
Het incidenteel hoger beroep slaagt in zoverre dat Grace Bio Omics wordt veroordeeld
€ 14.230,68 aan [appellanten] te betalen (de waarde van de plantenbakken en verlichtingsarmaturen). De eerste twee grieven in incidenteel hoger beroep die ertoe strekken de geleaste zaken op straffe van verbeurte van een dwangsom te retourneren, falen en de vierde grief in incidenteel hoger beroep - bij wijze van eisvermeerdering in hoger beroep en strekkende tot vergoeding van de waarde van de geleaste zaken - slaagt.
De derde grief in incidenteel hoger beroep, waarmee [appellanten] betoogt dat in eerste aanleg alleen de kosten van betekening van de dagvaarding aan één partij zijn vergoed, terwijl de dagvaarding aan drie partijen was betekend en de kosten dus drie keer zo hoog waren, faalt omdat [appellanten] in deze procedure tegen één partij procedeert.
Het hof ziet in de uitkomst van de zaak aanleiding de proceskosten in principaal en in incidenteel hoger beroep over en weer tussen partijen te compenseren.
7 Beslissing
Het hof:
in principaal hoger beroep
vernietigt het bestreden vonnis voor zover tussen partijen gewezen en Grace Bio Omics daarbij is veroordeeld tot betaling van € 339.328,71, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over dat bedrag vanaf 11 november 2022 tot aan de dag van de gehele betaling (het dictum onder 5.5) en tot betaling van € 4.150,62 aan buitengerechtelijke kosten (het dictum onder 5.6), en doet in zoverre opnieuw recht:
wijst af de vorderingen van [appellanten] tot betaling van de genoemde bedragen;
bekrachtigt het bestreden vonnis voor zover tussen partijen gewezen voor het overige;
in incidenteel hoger beroep:
veroordeelt Grace Bio Omics € 14.230,68 te betalen aan [appellanten] binnen veertien dagen na heden, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na heden aan deze veroordeling is voldaan;
verklaart dit arrest ten aanzien van bovenstaande betalingsveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
in principaal en in incidenteel hoger beroep:
bepaalt dat partijen hun eigen proceskosten dragen;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. mr. A.L. Bervoets, M.L.D. Akkaya en A.S. Arnold en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2026.