Civiel recht overig

eindarrest na ECLI:NL:GHAMS:2025:851; verzekeringsrecht; vervoersverzekering; niet aangetoond dat beschadigde…

Gerechtshof Amsterdam, 6 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 6 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
6 oktober 2026
Datum publicatie
6 oktober 2026
Zaaknummer
200.315.671/01
Procedure
Hoger beroep
Advocaat
mr. J.J.O. Zandt te Rotterdam, mr. V.R. Pool te Rotterdam
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:2858
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

eindarrest na ECLI:NL:GHAMS:2025:851; verzekeringsrecht; vervoersverzekering; niet aangetoond dat beschadigde bonen behoorden tot verzekerde partij.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.315.671/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/688186/HA ZA 20-817

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 6 oktober 2026

in de zaak van

de vennootschap naar buitenlands recht

ERGO VERSICHERUNG AG,

gevestigd te Düsseldorf, Duitsland,

appellante,

tevens incidenteel geïntimeerde,

advocaat: mr. J.J.O. Zandt te Rotterdam,

tegen

de vennootschap naar buitenlands recht

[geïntimeerde] .,

gevestigd te [plaats] , Egypte,

geïntimeerde,

tevens incidenteel appellante,

advocaat: mr. V.R. Pool te Rotterdam.

Partijen worden hierna Ergo en [geïntimeerde] genoemd.

Het hof verwijst naar het tussenarrest van 1 april 2025. De nummering van het tussenarrest wordt hierna voortgezet.

7 Het verloop van de procedure

7.1.

Na het tussenarrest hebben partijen de volgende stukken ingediend:

  • akte van [geïntimeerde] met producties;

  • antwoordakte van Ergo.

7.2.

Vervolgens is een datum voor arrest bepaald.

8 Beoordeling

8.1.

De vordering van [geïntimeerde] heeft betrekking op vergoeding van schade aan sojabonen die zich op het moment van de schademelding, 20 september 2018, deels bevonden in opslag bij NSSC (silo 36) en deels in [geïntimeerde] verwerkingsfabriek. De bonen die zich bevonden in [geïntimeerde] fabriek waren voor een deel al verwerkt tot meel en olie.

8.2.

Het hof heeft [geïntimeerde] onder meer toegelaten om toe te lichten i) hoeveel bonen zich op 20 september 2018 in silo 36 bevonden, en of deze bonen aan haar toebehoorden, en ii) dat de beschadigde bonen in haar fabriek, deels verwerkt tot olie en meel, behoorden tot de verzekerde partij bonen, en wanneer deze schade is opgetreden.

Silo 36

8.3.

[geïntimeerde] stelt dat van de totale hoeveelheid sojabonen van 43.397,325 mt, die afkomstig was uit het schip en opgeslagen werd in de silo’s van NSSC, een partij van 32.397,325 mt uiteindelijk aan haar toebehoorde. De overige bonen (11.000 mt) zouden toebehoren aan [bedrijf 1] (8.000 mt) en [bedrijf 2] (3.000 mt). Deze partijen zijn volgens [geïntimeerde] vanaf 6 mei 2018 uit de silo’s van NSSC uitgeslagen en met onbekende bestemming afgevoerd. Van de aan haar toebehorende bonen zat volgens [geïntimeerde] op 20 september 2018 nog een hoeveelheid van 1.220,14 mt in silo 36. [geïntimeerde] baseert dit op de door haar overgelegde ‘(Stamped) Stock Movement Reports’ van NSSC, het daar weer op gebaseerde ‘NSSC-overzicht’ en een brief van NSSC. Uit de ‘(Stamped) Stock Movement Reports’ volgt echter niet aan wie de bonen zijn uitgeleverd. In het NSSC-overzicht en in de brief van NSSC staat wel vermeld welke hoeveelheden op welk moment aan [geïntimeerde] zouden zijn uitgeleverd, maar de onderliggende documenten waaruit dat blijkt, ontbreken. Het hof kan op basis van deze stukken dus niet met een voldoende mate van zekerheid vaststellen dat de daarin vermelde hoeveelheden ook daadwerkelijk op de vermelde data zijn uitgeleverd aan [geïntimeerde] , en evenmin kan daaruit worden afgeleid dat de bonen die op 20 september 2018 in silo 36 aanwezig waren aan [geïntimeerde] toebehoorden.

8.4.

Het hof neemt hierbij in aanmerking dat uit het [bedrijf 3] -rapport (productie 39 van Ergo, tabblad ‘Summary’) blijkt dat de bonen die op 20 september 2018 nog aanwezig waren in silo 36 afkomstig waren uit een hoeveelheid van 35.397,33 mt bonen, welke hoeveelheid kennelijk meer omvatte dan alleen de aan [geïntimeerde] toebehorende partij. Deze in silo 36 resterende hoeveelheid bedroeg volgens het [bedrijf 3] -rapport 1.090,19 mt; de door [geïntimeerde] genoemde hoeveelheid van 1.220,14 mt die zou volgen uit de documenten van NSSC is de som van het restant in silo 36 (1.090,19 mt) en de ‘vessel shortfall’ (129,95 mt). [geïntimeerde] heeft geen verklaring gegeven voor deze discrepanties tussen de informatie uit de documenten van NSSC en het [bedrijf 3] -rapport.

8.5.

De stelling van [geïntimeerde] dat de bonen die op 20 september 2018 in silo 36 zaten aan haar toebehoorden, verdraagt zich bovendien niet met de informatie uit het door haar overgelegde rapport van TT Experts. Uit dit rapport volgt immers dat van de 43.397,325 mt in de periode tot 19 september 2018 32.287,700 mt was uitgeleverd aan [geïntimeerde] fabriek. Dit blijkt overigens ook uit de rapportages van [bedrijf 3] over de transporten van NSSC naar de fabriek van [geïntimeerde] (productie 32 van Ergo). De totaal aan [geïntimeerde] uitgeleverde hoeveelheid per deze datum is volgens deze rapportage van [bedrijf 3] eveneens 32.287,700 mt. Als het juist is dat aan [geïntimeerde] in totaal 32.397,325 mt toebehoorde, dan was deze volgens deze informatie dus al bijna volledig aan haar uitgeleverd vóór 20 september 2018. Het verschil, circa 110 mt, stemt niet overeen met de hoeveelheid die volgens [geïntimeerde] op 20 september 2018 nog in silo 36 zat (1.220,14 mt). Ook voor deze cruciale discrepantie in de door haarzelf overgelegde documenten heeft [geïntimeerde] geen verklaring gegeven.

8.6.

De stelling van [geïntimeerde] over de haar toekomende hoeveelheid bonen in silo 36 is overigens mede gebaseerd op de stelling dat zij een hoeveelheid van 5.397,325 mt van [bedrijf 4] heeft gekocht. Ten bewijze van deze stelling verwijst [geïntimeerde] naar productie 61 dat een afschrift van de koopovereenkomst zou bevatten. Het hof kan uit het overgelegde document – in de Arabische taal – echter niet afleiden dat dit de gestelde koopovereenkomst is. Een Engelse vertaling, waarnaar [geïntimeerde] in de akte verwijst, heeft zij niet overgelegd. Dat had wel op haar weg gelegen. Het hof kan daarom niet vaststellen dat [geïntimeerde] de hoeveelheid van 5.397,325 mt inderdaad van [bedrijf 4] heeft gekocht en dat deze dus aan [geïntimeerde] toebehoorde.

8.7.

Gelet op het voorgaande heeft [geïntimeerde] haar stelling dat de bonen die op 20 september 2018 in silo 36 zaten aan haar toebehoorden, onvoldoende onderbouwd.

[geïntimeerde] fabriek

8.8.

[geïntimeerde] stelt dat de rest van de beschadigde bonen zich ten tijde van de schademelding bevond in haar fabriek, maar afkomstig was uit de NSSC-silo’s. Zij verwijst hierbij naar een passage uit het [bedrijf 5]-rapport van 11 maart 2019. [bedrijf 5] doet in dit rapport verslag van haar bevindingen na een onderzoek uitgevoerd op 2 en 3 oktober 2018. Bij de informatie die [bedrijf 5] heeft ontvangen (onder ‘Further information’) beschrijft [bedrijf 5] dat een hoeveelheid van circa 2.850 mt bonen afkomstig is van silo’s 35 en 36 van NSSC en is verwerkt tot olie en meel die niet aan de kwaliteitsstandaarden voldeden (productie 21 van [geïntimeerde] , blz 8). Het blijkt echter niet uit dit rapport wat de bron is van de vermelding dat deze bonen uit de silo’s van NSSC kwamen, en in het bijzonder niet of [bedrijf 5] dit van [geïntimeerde] heeft vernomen of uit andere bron. [bedrijf 5] heeft dit klaarblijkelijk niet zelf vastgesteld, aangezien haar eigen bevindingen pas volgen onder ‘Findings’. Wat betreft de beschadigde bonen in [geïntimeerde] fabriek die nog niet verwerkt waren tot olie of meel volgt uit het [bedrijf 5]-rapport ook niet dat deze afkomstig waren uit de silo’s van NSSC.

8.9.

[geïntimeerde] stelt verder dat de bonen die vanaf augustus 2018 uit de NSSC-silo’s naar haar fabriek zijn verplaatst, en al dan niet zijn verwerkt tot olie of meel, beschadigd waren of resulteerden in slechte kwaliteit olie en meel. Onder verwijzing naar het NSSC-overzicht stelt [geïntimeerde] dat alle bonen die na 1 augustus 2018 uit de NSSC-silo’s zijn uitgeleverd, aan [geïntimeerde] toebehoorden. Dat betekent echter niet zonder meer dat de beschadigde bonen in de fabriek afkomstig zijn uit de partijen die na 1 augustus 2018 uit de NSSC-silo’s zijn uitgeleverd aan [geïntimeerde] fabriek. Deze kunnen immers ook een andere herkomst hebben. Bovendien volgt uit het NSSC-overzicht – indien van de juistheid daarvan zou moeten worden uitgegaan – dat in de periode vanaf 1 augustus 2018 tot aan de schademelding alleen hoeveelheden uit de [bedrijf 4] -partij zijn uitgeleverd. Zoals overwogen in 8.6 kan er niet van worden uitgegaan dat deze partij aan [geïntimeerde] toebehoorde.

8.10.

Ervan uitgaande dat de beschadigde, al dan niet tot meel of olie verwerkte, bonen in [geïntimeerde] fabriek niettemin wél oorspronkelijk afkomstig zijn uit de NSSC-silo’s en aan [geïntimeerde] toebehoorden, dan kan op basis van de door [geïntimeerde] gegeven toelichting en overgelegde documenten niet worden vastgesteld dat deze bonen zijn beschadigd in de opslag bij NSSC, wat wel is vereist om onder de dekking van de verzekering te vallen. Voor de oorzaak van de beschadiging van de bonen verwijst [geïntimeerde] naar het aparte [bedrijf 5]-rapport van 11 maart 2019 over de schadeoorzaak (productie 22 van [geïntimeerde] ). De bevindingen uit dit rapport gaan echter over de oorzaak van de beschadiging van bonen in silo 36. Daarmee is niet gezegd dat alle bonen die op enig moment in silo 36 hebben gezeten ook daarin beschadigd zijn geraakt, en niet op een later moment. In dit verband is ook van belang dat [bedrijf 3] alle leveringen uit de NSSC-silo’s aan [geïntimeerde] heeft geïnspecteerd. [bedrijf 3] heeft wat betreft de leveringen in de door [geïntimeerde] bedoelde periode in augustus 2018 geen melding gemaakt van beschadigde bonen en dit is overigens ook weer in lijn met het bericht van [X] in september 2018 aan [bedrijf 5] dat de problemen deze maand 'started to occur'.

8.11.

Uit het voorgaande volgt dat op basis van de door [geïntimeerde] gegeven toelichting en overgelegde documenten niet kan worden vastgesteld dat de beschadigde bonen in haar fabriek afkomstig waren uit de NSSC-silo’s, behoorden tot de verzekerde bonen en dat de beschadiging tijdens de opslag bij NSSC is opgetreden. Deze stelling heeft [geïntimeerde] daarom onvoldoende onderbouwd.

Conclusie en proceskosten

8.12.

De slotsom is dat Ergo de toewijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] terecht heeft bestreden. De bestreden vonnissen zullen worden vernietigd en de vorderingen van [geïntimeerde] zullen alsnog worden afgewezen. De terugbetalingsvordering van Ergo zal worden toegewezen.

8.13.

[geïntimeerde] is in het principaal en incidenteel hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in beide instanties. De proceskosten van het incident worden gecompenseerd, omdat er weliswaar geen gronden waren voor schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis maar Ergo in de hoofdzaak in het gelijk is gesteld en het vonnis wordt vernietigd.

De door Ergo gevorderde vergoeding van de werkelijke proceskosten is niet toewijsbaar. [geïntimeerde] heeft bepaalde stellingen weliswaar onvoldoende onderbouwd, zoals uit het voorgaande volgt, en zij is ook teruggekomen op eerder ingenomen stellingen, onder meer over de derden aan wie partijen bonen uit het schip toebehoorden. Het is echter niet gebleken dat [geïntimeerde] de onjuistheid van de gestelde feiten kende dan wel behoorde te kennen, of dat zij haar vordering heeft gebaseerd op stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen is daarom geen sprake. Het hof begroot de proceskosten aan de hand van het liquidatietarief als volgt:

Eerste aanleg:

  • griffierecht € 4.131,-

  • salaris advocaat € 9.964,- (tarief VI x 4 punten)

€ 14.095,-

Hoger beroep:

  • dagvaarding € 125,03

  • griffierecht € 5.689,-

  • salaris advocaat

principaal hoger beroep € 14.121,- (tarief VI, 3 punten)

incidenteel hoger beroep € 7.060,50 (tarief VI x ½, 3 punten)

€ 26.995,53.

9 Beslissing

Het hof:

in principaal en incidenteel appel

vernietigt de bestreden vonnissen, en opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen van [geïntimeerde] af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties, met uitzondering van de proceskosten van het incident, tot nu toe aan de zijde van Ergo vastgesteld op € 14.095,- voor de eerste aanleg en op € 26.995,53 voor het hoger beroep, te vermeerderen met de wettelijke rente als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;

compenseert de proceskosten van het incident, in de zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling aan Ergo van wat zij uit hoofde van het eindvonnis

aan [geïntimeerde] heeft betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot aan de dag der algehele terugbetaling;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.F. Aalders, S.C.H. Molin en M. Spanjaart en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2026.