Ondernemingsrecht

OK; Enquete; vaststelling van de vergoeding van de onderzoeker op de voet van art. 2:350 lid 3 BW.

Gerechtshof Amsterdam, 16 april 2015

Zaakgegevens

Op 16 april 2015 heeft het Gerechtshof Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over ondernemingsrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
16 april 2015
Datum publicatie
21 april 2015
Zaaknummer
200.119.391/01 OK
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Advocaat
<emphasis role="bold">mr. P.J van der Korst</emphasis>, <emphasis role="bold">mr. A.R.J Croiset van Uchelen</emphasis>
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2015:1460
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

OK; Enquete; vaststelling van de vergoeding van de onderzoeker op de voet van art. 2:350 lid 3 BW.

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar]

beschikking

___________________________________________________________________

GERECHTSHOF AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

zaaknummer: 200.119.391/01 OK

beschikking van de Ondernemingskamer van 16 april 2015

inzake

1 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EMARCY B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

2. [A],

wonende te [......],

VERZOEKERS,

advocaat: mr. P.J. van der Korst, kantoorhoudende te Amsterdam,

t e g e n

de naamloze vennootschap

KONINKLIJKE LUCHTVAART MAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te Amstelveen,

VERWEERSTER,

advocaat: mr. A.R.J. Croiset van Uchelen, kantoorhoudende te Amsterdam.

1 Het verloop van het geding

1.1

Verzoekers worden hierna gezamenlijk aangeduid als Emarcy c.s. Verweerster wordt aangeduid als KLM.

1.2

Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar haar beschikkingen van 9 en 31 januari 2014 en 8 april 2015 (met zaaknummer 200.119.391/01 OK), alsmede naar die van 28 juli 2014 (met zaaknummer 200.119.391/02 OK).

1.3

Bij de beschikking van 9 januari 2014 heeft de Ondernemingskamer - voor zover thans van belang - op verzoek van Emarcy c.s. een onderzoek bevolen naar het dividendbeleid van KLM, en bij de beschikking van 31 januari 2014 heeft zij mr. S. Perrick aangewezen als onderzoeker.

1.4

KLM heeft cassatieberoep ingesteld tegen voormelde beschikking van 9 januari 2014.

1.5

Bij de beschikking van 8 april 2015 heeft de Ondernemingskamer het in 1.3 bedoelde onderzoek met onmiddellijke ingang beëindigd en de onderzoeker met het oog op de vaststelling van zijn vergoeding in de gelegenheid gesteld een specificatie van de gemaakte onderzoekskosten over te leggen.

1.6

Bij e-mail (met bijlagen) van 14 april 2015 heeft de onderzoeker opgaaf gedaan van de onderzoekskosten. Naar de Ondernemingskamer begrijpt bedragen de onderzoekskosten volgens diens opgaaf € 30.522,10 (exclusief BTW). Bij brief van 14 april 2015 heeft de secretaris van de Ondernemingskamer partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vergoeding van de onderzoeker.

1.7

Bij e-mail van 15 april 2015 heeft mr. Croiset van Uchelen namens KLM laten weten geen bezwaar te hebben tegen vaststelling van de vergoeding op het in 1.6 genoemde bedrag. Reeds in het in 1.5 van de beschikking van 8 april 2015 genoemde verzoekschrift heeft KLM meegedeeld de door de onderzoeker gemaakte onderzoekskosten aan hem te zullen vergoeden.

1.8

Bij e-mail van 15 april 2015 heeft mr. Van der Korst namens Emarcy c.s. bericht evenmin bezwaar te hebben tegen vaststelling van de vergoeding op voormeld bedrag.

2 De gronden van de beslissing

Nu geen bezwaren zijn aangevoerd tegen de door de onderzoeker gedane opgaaf van de onderzoekskosten en de Ondernemingskamer het daaruit voortvloeiende bedrag ook niet onredelijk voorkomt, zal zij de vergoeding van de onderzoeker overeenkomstig artikel 2:350 lid 3 BW bepalen als hierna te vermelden.

3 De beslissing

De Ondernemingskamer:

bepaalt de vergoeding van de onderzoeker op € 30.522,10 (exclusief BTW);

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. P. Ingelse, voorzitter, mr. G.C. Makkink en mr. M.M.M. Tillema, raadsheren, en prof. dr. R.A.H. van der Meer RA en H. de Munnik, raden, in tegenwoordigheid van mr. R. Verheggen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 16 april 2015.