Ondernemingsrecht
OK; enquêterecht; bepaling van de vergoeding van de onderzoeker
Gerechtshof Amsterdam, 15 augustus 2016
ECLI:NL:GHAMS:2016:3311 · Gerechtshof Amsterdam · 15 augustus 2016
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/civiel-recht/ondernemingsrecht/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-ghams-2016-3311
Zaakgegevens
Op 15 augustus 2016 heeft het Gerechtshof Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over ondernemingsrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 15 augustus 2016
- Datum publicatie
- 15 augustus 2016
- Zaaknummer
- 200.149.231/01 OK
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Ondernemingsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- Advocaat
- <emphasis role="bold">mr. M Kashyap</emphasis>, <emphasis role="bold">mr. R.N de Jong</emphasis>, <emphasis role="bold">mr. J.J Degenaar</emphasis>
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2016:3311
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
OK; enquêterecht; bepaling van de vergoeding van de onderzoeker
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar]beschikking
___________________________________________________________________
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.149.231/01 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 15 augustus 2016
inzake
[A] ,
wonende te [....] ,
VERZOEKSTER,
advocaat: mr. M. Kashyap, kantoorhoudende te Amsterdam,
t e g e n
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
NIEUWENDIJK MONUMENTEN B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER,
advocaat: mr. R.N. de Jong, kantoorhoudende te Amsterdam,
e n t e g e n
[B] ,
wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDE,
advocaat: mr. J.J. Degenaar, kantoorhoudende te Utrecht.
1 Het verloop van het geding
Partijen zullen hierna Girgis, Nieuwendijk Monumenten en Zaky worden genoemd.
Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar haar beschikkingen van 1 oktober 2014, 7 oktober 2014 en 10 juni 2016 in de zaak met nummer 200.149.231/01 OK, haar beschikking van 13 juli 2015 in de zaak met nummer 200.149.231/03 OK, haar beschikking van 28 april 2016 in de zaak met nummer 200.149.231/05 OK en de beschikking van de raadsheer-commissaris van 18 maart 2016 in de zaak met nummer 200.149.231/04 OK.
Bij de beschikking van 1 oktober 2014 heeft de Ondernemingskamer – voor zover thans van belang – een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van Nieuwendijk Monumenten over de periode vanaf 2008 en is het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten vastgesteld op € 40.000, de verschuldigde omzetbelasting daarin niet begrepen. Bij de beschikking van 7 oktober 2014 heeft de Ondernemingskamer mr. Y. Borrius te Amsterdam (hierna: de onderzoeker) aangewezen als onderzoeker zoals bedoeld in de beschikking van 1 oktober 2014.
Bij de beschikking van 10 juni 2016 heeft de Ondernemingskamer bepaald dat het op 8 juni 2016 van de onderzoeker ontvangen verslag met bijlagen van het in 1.3 bedoelde onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Nieuwendijk Monumenten ter griffie van de Ondernemingskamer ter inzage ligt voor belanghebbenden.
De onderzoeker heeft bij haar brief aan de Ondernemingskamer van 10 juni 2016, ingekomen bij de Ondernemingskamer op 13 juni 2016, een declaratie met bijbehorende urenspecificatie overlegd van alle in deze zaak verrichte werkzaamheden met betrekking tot het onderzoek. De onderzoeker deelt de Ondernemingskamer in haar brief mede:
“(…) Vriendelijk verzoek ik de Ondernemingskamer om (…) de kosten van het onderzoek ambtshalve vast te stellen op het bedrag waarvoor (…) door de Vennootschap aan mijn kantoor zekerheid is verstrekt, te weten € 48.400,- Dit bedrag komt overeen met het door de Ondernemingskamer bij aanvang vastgestelde budget voor onderzoekskosten vermeerderd met BTW. Zoals in het onderzoeksrapport toegelicht (voetnoot laatste pagina) heb ik gemeend om terzake van de verdere tijd die met het onderzoek gepaard is gegaan geen verhoging van het budget aan te vragen. Uit de specificatie volgt dat die nadere tijd tot nihil is geminoreerd (afgeboekt). (…)”
De Ondernemingskamer heeft partijen vervolgens in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de in 1.5 genoemde stukken. Hierop heeft de Ondernemingskamer van geen der partijen vernomen.
2 De gronden van de beslissing
De overgelegde declaratie sluit op een bedrag van € 40.330,58 exclusief omzetbelasting (€ 48.800 inclusief), maar de Ondernemingskamer begrijpt uit de in 1.5 vermelde begeleidende brief van de onderzoeker dat zij de Ondernemingskamer verzoekt de vergoeding voor de door haar verrichte werkzaamheden te bepalen op het bij de beschikking van 1 oktober 2014 vastgestelde bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten, te weten € 40.000, de verschuldigde omzetbelasting daarin niet begrepen. Tegen de door de onderzoeker voor het bepalen van de vergoeding aangeleverde stukken zijn geen bezwaren aangevoerd. Voormeld bedrag aan onderzoekskosten komt de Ondernemingskamer ook niet onredelijk voor. De Ondernemingskamer zal de vergoeding van de onderzoeker overeenkomstig artikel 2:350 lid 3 BW dan ook bepalen als hierna te vermelden.
3 De beslissing
De Ondernemingskamer:
bepaalt de vergoeding van de onderzoeker op € 40.000, de verschuldigde omzetbelasting daarin niet begrepen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. G.C. Makkink, voorzitter, mr. A.M.L. Broekhuijsen-Molenaar en mr. M.M.M. Tillema, raadsheren, en drs. P.R. Baart en prof. dr. M.N. Hoogendoorn RA, raden, in tegenwoordigheid van mr. F.L.A. Straathof, griffier, en uitgesproken door de jongste raadsheer ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 15 augustus 2016.