Zoeken naar rechterlijke uitspraken en jurisprudentie

Via Uitspraken.nl kunt u eenvoudig zoeken in onze online uitspraken databank door het invoeren van één of meerdere trefwoorden. Het is uiteraard ook mogelijk om te zoeken op wetsartikelen, zaaknummer, ECLI nummer of het oude LJN nummer.

Eerste aanleg - meervoudig Ondernemingsrecht

21 december 2021
ECLI:NL:GHAMS:2021:4100

Op 21 december 2021 heeft de Gerechtshof Amsterdam een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van ondernemingsrecht, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is 200.299.854/01 OK, bekend onder ECLI code ECLI:NL:GHAMS:2021:4100. De plaats van zitting was Amsterdam.

Soort procedure
Zaaknummer(s)
200.299.854/01 OK
Datum uitspraak
21 december 2021
Datum gepubliceerd
28 december 2021
Vindplaatsen
  • ARO 2022/28
  • JONDR 2022/195
  • OR-Updates.nl 2022-0044
Uitspraak

beschikking

___________________________________________________________________

GERECHTSHOF AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

zaaknummer: 200.299.854/01 OK

beschikking van de Ondernemingskamer van 21 december 2021

inzake

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ORION HOLDING B.V.

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[A]

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

OREGON BEHEER B.V.

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[B]

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LINDE BEHEER B.V.

alle gevestigd te

[....]
en kantoorhoudende
[....]
,

VERZOEKSTERS, tevens belanghebbenden met betrekking tot het zelfstandig tegenverzoek,

advocaten: mr. M.W.E. Evers en mr. R.E.E. van Dekken, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TOP TASTE HOLDING B.V.

gevestigd te Kapelle,

VERWEERSTER,

niet verschenen,

e n t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[C]

gevestigd te

[....]
,

BELANGHEBBENDE, tevens verzoekster van het zelfstandig tegenverzoek,

advocaten: mr. J.P.M. Borsboom en mr. M.K. de Bruijn, beiden kantoorhoudende te Rotterdam.

Hierna zullen partijen (ook) als volgt worden aangeduid:

verzoeksters afzonderlijk als Orion Holding,

[A]
, Oregon Beheer,
[B]
en Linde Beheer en gezamenlijk als
[D c.s.]
;

verweerster als Top Taste Holding;

belanghebbende als

[C]
.

1
Het verloop van het geding

1.1

[D c.s.]
hebben bij verzoekschrift van 15 september 2021 de Ondernemingskamer verzocht, samengevat,

een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van Top Taste Holding over de periode vanaf 16 oktober 2020;

als onmiddellijke voorzieningen ten aanzien van agendapunt 2 van de aandeelhoudersvergadering die op 29 oktober 2021 is gepland (het voorstel tot ontslag van

[C]
als bestuurder, opmerking Ondernemingskamer)

a. te bepalen dat het aan

[C]
toekomende stemrecht op twee van de door haar in het kapitaal van Top Taste Holding gehouden aandelen wordt geschorst, dan wel het aan
[C]
toekomende stemrecht op één van de door
[C]
in het kapitaal van Top Taste Holding gehouden aandelen wordt overgedragen aan
[D c.s.]
;

b. althans te bepalen dat in afwijking van artikel 11 lid 2 van de statuten van Top Taste Holding het besluit als bedoeld in agendapunt 2 is onderworpen aan een meerderheid van ten minste 66,11% van het aantal geldig uitgebrachte stemmen, althans artikel 11 lid 2 van de statuten buiten werking te stellen ten aanzien van voornoemd besluit;

c. althans te bepalen dat één van de door

[E]
in het kapitaal van Top Taste Holding gehouden aandelen ten titel van beheer wordt overgedragen aan een door de Ondernemingskamer aan te wijzen persoon;

kosten rechtens.

1.2

[C]
heeft bij verweerschrift tevens houdende een zelfstandig tegenverzoek van 4 oktober 2021 eveneens verzocht een onderzoek te gelasten, zij het op andere gronden en met dien verstande dat de onderzoeksperiode zou moeten aanvangen op 1 juni 2019. Daarnaast concludeert zij tot afwijzing van de door
[D c.s.]
gevraagde onmiddellijke voorzieningen en tot toewijzing van de door haar verzochte onmiddellijke voorzieningen voor de duur van het geding zijnde:

a. benoeming van een door de Ondernemingskamer aan te wijzen persoon tot (vierde) bestuurder met een beslissende stem naast de huidige bestuurders van Top Taste Holding en met bepaling dat deze bestuurder zelfstandig bevoegd is Top Taste Holding te vertegenwoordigen en dat zonder deze bestuurder Top Taste Holding niet vertegenwoordigd kan worden en deze bestuurder specifiek te belasten met het onderzoeken van een minnelijke regeling;

b. het in dat verband buiten werking stellen van artikel 12 lid 5 en 6 van de statuten van Top Taste Holding;

c. althans het treffen van (een) andere naar het oordeel van de Ondernemingskamer passende onmiddellijke voorziening(en).

1.3

[D c.s.]
hebben bij verweerschrift tegen het zelfstandige tegenverzoek van 11 oktober 2021 de Ondernemingskamer verzocht
[C]
niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek een onderzoek te gelasten en het verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen af te wijzen, met veroordeling van
[C]
in de kosten van het geding.

1.4

Op 12 oktober 2021 heeft

[C]
haar tegenverzoek voorwaardelijk vermeerderd in die zin dat, indien de Ondernemingskamer van oordeel is dat het reeds verzochte onderzoek zich niet kan uitstrekken tot het door Top Taste Holding ten aanzien van Top Taste B.V. en Lion Foods B.V. gevoerde beleid, het verzochte onderzoek ook betrekking dient te hebben op het beleid en de gang van zaken van Top Taste B.V. en Lion Foods B.V. zelf.

1.5

[D c.s.]
hebben zich bij e-mail van mr. Evers van 13 oktober 2021 tegen de voorwaardelijke eisvermeerdering verzet, stellende dat geen sprake is van een eisvermeerdering maar van een verzoek dat zich richt tegen twee vennootschappen die geen procespartij zijn.

1.6

De verzoeken zijn behandeld op de zitting van de Ondernemingskamer van 14 oktober 2021. De advocaten hebben toen de standpunten van de verschillende partijen toegelicht aan de hand van overgelegde aantekeningen en onder overlegging van tevoren toegestuurde nadere producties. Partijen en hun advocaten hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord en inlichtingen verstrekt.

2
Inleiding

Deze zaak gaat over een conflict dat zich afspeelt binnen het bestuur en tussen de aandeelhouders van Top Taste Holding nadat een van de (indirect) bestuurders/ aandeelhouders (

[E]
) het vertrouwen in de anderen (vader en twee zonen
[F]
) heeft opgezegd. Ook de reden voor die opzegging van het vertrouwen wordt aan de orde gesteld. De onderneming van Top Taste Holding is wereldwijd actief op de markt van de krokant gebakken uiensnippers.

3
Feiten

3.1

Top Taste Holding is op 9 mei 2008 opgericht. De (180) geplaatste aandelen in Top Taste Holding worden gehouden door

[D c.s.]
(gezamenlijk 119 aandelen, ofwel 66,11%) en
[C]
(61 aandelen ofwel 33,89%). Het statutaire bestuur van Top Taste Holding wordt gevormd door Orion Holding,
[C]
en (sinds 4 februari 2021)
[G]
(hierna:
[G]
).
[H]
(hierna:
[H]
) is algemeen directeur van Top Taste Holding en
[I]
(hierna:
[I]
) fungeert als secretaris van het bestuur.

3.2

Orion Holding is de persoonlijke vennootschap van vader

[J]
(hierna:
[J]
).
[A]
en Oregon Holding zijn de persoonlijke vennootschappen van zoon
[G]
en
[B]
en Linde Beheer zijn de persoonlijke vennootschappen van zoon
[K]
(hierna:
[K]
).
[C]
is de persoonlijke vennootschap van
[E]
(hierna:
[E]
).

3.3

Top Taste Holding staat aan het hoofd van een groep vennootschappen die een onderneming drijft op het gebied van krokant gebakken uiensnippers en wereldwijd marktleider is op die markt. Binnen de onderneming waren in het (gebroken) boekjaar 2019/2020 gemiddeld 107 personen werkzaam en de netto omzet bedroeg in dat boekjaar afgerond € 66 miljoen. De holding fungeert als houdstermaatschappij van haar 100%-dochtervennootschappen Top Taste B.V. (hierna: TT) en Lion Foods B.V. (hierna: Lion Foods) en haar 67,11%-deelneming in de Poolse vennootschap Poznan Onion Sp. z.o.o. Top Taste Holding is bestuurder van TT. Lion Foods wordt bestuurd door

[E]
. Poznan Onion Sp. z.o.o. wordt bestuurd door
[O]
, die tevens de overige 32,89% van de aandelen in die vennootschap houdt.

3.4

De verhoudingen binnen het bestuur en tussen de aandeelhouders van Top Taste Holding worden beheerst door de op 28 juli 2010 gewijzigde statuten en de aandeelhoudersovereenkomst van 21 juli 2010. In de statuten is naast een ‘reguliere’ blokkeringsregeling in artikel 8 (die inhoudt dat indien een aandeelhouder een of meer van zijn aandelen wenst te vervreemden hij verplicht is deze eerst aan de overige aandeelhouders aan te bieden) in artikel 9 het volgende opgenomen:

“1.(…)

c. Verder bestaat er eenzelfde verplichting tot aanbieding ingeval een aandeelhouder dan wel, ingeval de betreffende aandeelhouder een rechtspersoon is, de bestuurder van de betreffende rechtspersoon/aandeelhouder, niet langer direct of indirect werkzaam is in de vennootschap of een rechtspersoon of vennootschap waarmee de vennootschap organisatorisch is verbonden als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 Burgerlijk Wetboek.

Artikel 11 lid 2 van de statuten bepaalt dat de directeuren door de algemene vergadering worden benoemd en door haar te allen tijde kunnen worden geschorst of ontslagen en dat voor een besluit tot schorsing of ontslag een meerderheid van ten minste twee derde van de stemmen is vereist. Een dergelijke meerderheid is niet vereist voor een besluit tot benoeming; daarvoor geldt de algemene regel van artikel 14 lid 4, waarin wordt bepaald dat, behalve als wet of staturen anders bepalen, besluiten van de algemene vergadering worden genomen met volstrekte meerderheid van stemmen. Op grond van artikel 12 lid 5 van de statuten is goedkeuring van de algemene vergadering vereist voor verschillende directiebesluiten, waaronder het uitoefenen van het stemrecht op aandelen in een dochtermaatschappij (sub l), uitbreiding van de activiteiten van het bedrijf (n), het vaststellen van de begroting (t) en het aanschaffen van vaste activa boven een bepaald bedrag (u). Artikel 12 lid 6 bepaalt dat de directie zich dient te gedragen naar de aanwijzingen van de algemene vergadering betreffende onder meer de algemene lijnen van het te voeren financiële, sociale en economische beleid.

3.5

Top Taste Holding en

[C]
hebben op 21 december 2010 een managementovereenkomst gesloten op basis waarvan
[C]
met ingang van 1 september 2009 gehouden
[is]
ten behoeve van
[Top Taste Holding]
alle diensten te verrichten met betrekking tot het beheer, de directievoering en het management van de onderneming van de Vennootschap alsmede de door de Vennootschap gehouden deelnemingen, zulk in de ruimste zin des woords” (artikel 1).

Deze managementovereenkomst kan op grond van artikel 4 lid 2 door beide partijen worden opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van zes maanden.

[E]
is aangetrokken vanwege zijn kennis van en ervaring met het bakken van uien.

3.6

De uien die binnen de Top Taste-vennootschappen worden verwerkt worden geteeld, voorbehandeld en geleverd door Top Onions B.V. (hierna: Top Onions). De aandelen in deze vennootschap worden indirect gehouden door Orion Holding, Oregon Holding en Linde Beheer. Top Onions maakt onderdeel uit van een groep van (internationale) ondernemingen (de Top-groep) die verschillende soorten verse uien en (producten van) verwerkte uien produceren en verkopen. Export vindt plaats naar meer dan zestig landen. De Top-groep heeft teelt, verwerking en export van de uien in eigen beheer. Bestuurder van Top Onions is

[K]
.

3.7

In 2019 heeft

[E]
kenbaar gemaakt dat hij zichzelf niet (langer) de juiste persoon vond om als algemeen directeur binnen de ondernemingen van de Top Taste-vennootschappen te functioneren en heeft hij verzocht om aanstelling van iemand die wel de capaciteiten daarvoor heeft. Naar aanleiding van deze mededeling heeft
[I]
vanaf 1 mei 2019 gedurende een half jaar de functie van algemeen directeur vervuld. In december 2019 is
[H]
aangesteld als algemeen directeur.
[H]
was op dat moment werkzaam bij Crop Alliance B.V., een vennootschap waarvan
[D c.s.]
indirect aandeelhouder zijn. Aanvankelijk was
[E]
tegen de aanstelling van
[H]
omdat – kort gezegd – onvoldoende onderbouwd was dat hij “de juiste man op de juiste plaats” zou zijn (e-mail van
[E]
aan
[J]
,
[G]
en
[K]
van 18 december 2019), maar uiteindelijk heeft hij hier (onder voorwaarden) toch mee ingestemd.

3.8

Tijdens het directieoverleg van Top Taste Holding van 24 mei 2019, waarbij

[E]
,
[I]
,
[J]
,
[G]
en
[K]
aanwezig waren, is mede op basis van door
[E]
opgestelde prognoses gesproken over de groei van de onderneming.
[E]
heeft tijdens het overleg de overige aanwezigen verzocht om mee te denken over een nieuw te bouwen fabriek (uitbreiding van de capaciteit). Ook tijdens het directieoverleg in november 2019 is gesproken over het doen van investeringen om de groei van de onderneming bij te houden.
[E]
is verzocht om in verband hiermee te bekijken of de bak- en inpakcapaciteit in de bestaande fabrieken kan worden uitgebreid. In het aandeelhouders-/directieoverleg van 22 januari 2020 heeft
[E]
de uitbreiding van de capaciteit opnieuw aan de orde gesteld.

3.9

Top Onions berekent voor de aan Top Taste-vennootschappen geleverde uien een inter company-prijs (hierna: de IC-prijs). Die prijs kwam tot 2016 in onderling overleg tot stand. Sinds 2016 wordt de prijs bepaald aan de hand van door Top Onions opgestelde kostenberekeningen. Over de hoogte en opbouw van de IC-prijs is in de loop der jaren tussen Top Onions en de Top Taste-vennootschappen herhaaldelijk discussie ontstaan. Daarbij ging het onder meer over de kostprijs van drogen/sorteren en transport en het doorberekenen van krimp. In dat kader is ook gesproken over het idee van

[E]
om het sorteren (en drogen) van de uien bij de Top Taste-vennootschappen in plaats van bij Top Onions te laten plaatsvinden. Hoewel
[K]
en
[J]
hier blijkens een gespreksverslag van 9 februari 2016 in 2016 niet onwelwillend tegenover stonden en
[D c.s.]
dit in het aandeelhouders-/ directieoverleg van 4 maart 2020 nog hebben herhaald (met dien verstande dat hier volgens hen wel te makkelijk over werd gedacht), hebben
[D c.s.]
in het aandeelhouders-/ directieoverleg van 29 april 2020 kenbaar gemaakt, mede gelet op de reeds door Top Onions gedane investeringen en de effecten van het Corona-virus, niet te willen investeren in een sorteerlijn voor TT.

3.10

In het aandeelhouders-/directieoverleg van Top Taste Holding van 4 maart 2020 is gediscussieerd over de marge van 1 cent die Top Onion in rekening wilde brengen op de IC-prijs voor het boekjaar 2019/2020.

[E]
heeft zich hiertegen verzet en heeft daarbij gewezen op een afspraak die bij de start van de onderneming tussen hem en
[J]
zou zijn gemaakt, te weten dat tegen kostprijs wordt geleverd. In de discussie zijn, blijkens de notulen van het overleg, de volgende standpunten ingenomen.

“TOP heeft een voorstel gedaan voor de IC pricing 2019/2020. De opbouw is gelijk aan

voorgaande jaren met uitzondering van de 1 cent marge die TOP Onions in rekening wenst

te brengen.

[E]
, toevoeging Ondernemingskamer) is het hier niet mee eens. In het verleden, bij start bedrijf, is afspraak

gemaakt tussen

[J]
en
[E]
dat tegen kostprijs geleverd wordt. Gehanteerde

uitgangspunt;

[E]
zorgt voor de techniek en TOP voor de uien.

TOP kan door de beschikking over grote hoeveelheid uien partijen sorteren t.b.v. export en

bakkerij en daar haar voordeel uit halen.

[I]
, toevoeging Ondernemingskamer) stelt dat dit op basis van cijfers afgelopen drie jaar niet het geval is. (…).
[I]
is voorstander om een marge te berekenen omdat elk bedrijf zijn eigen broek op moet houden. Als leverancier en afnemer is er een open gesprek over kostprijs en een bedrag voor winst/risico.
(…) Het kan niet zijn dat een bedrijf voor 0 winstopslag zaken doet. Bedrijf heeft winst/marge nodig om voort te kunnen bestaan en investeringen voor de toekomst te doen.
[E]
bevestigt dit later wanneer de resultaten van TTH worden besproken.
[G]
vindt dat je
[J]
niet kan houden aan een afspraak van zoveel jaar terug toen de situatie geheel anders was; opstart bedrijf; overlevingsstrategie.
[J]
vindt dat gezien de nu gerealiseerde winst bij TT /LF een winst van 1 cent per kilo niet overvraagd is.
[J]
heeft ook meegeholpen/gewerkt aan de strategie om de prijzen van de gebakken uien te verhogen.

[E]
stelt zich op het standpunt dat nu alles doorgerekend wordt. Hij heeft geen moeite met de daadwerkelijk gemaakte kosten maar wel met 1 cent marge.

[E]
ervaart dat de inkoopkosten van de uien blijven stijgen maar dat er kwaliteit niet verbetert.

(…)

[K]
brengt in het kader van de juiste doorberekening ook de prijsstelling van de plantuitjes als onderwerp in. Op dit moment worden de plantuitjes ontsmet geleverd voor 0,75 dat onder de kost(markt)prijs is. TOP mist op basis van huidige marktprijs 90 cent ofwel gemiste omzet TOP 300/m (15 cent x 2.000 ton) TOP heeft hier tot op heden geen discussiepunt van gemaakt maar prijsstelling is niet conform.

Het is volgens

[K]
niet het doorslaggevende argument om de 1 cent marge te vragen maar is ook een punt waarover te gemakkelijk heengestapt wordt tot op heden. TOP Onion Sets komt hier tekort aan.”

Uiteindelijk is in deze vergadering goedkeuring gegeven voor de verhoging van de (bij TT en Lion Foods in rekening gebrachte) IC-prijs voor het boekjaar 2019/2020 met een marge van 1 cent. Deze IC-prijs is ook verwerkt in de jaarrekening over 2019/2020.

3.11

Ook de kwaliteit en de grootte van de door Top Onion aan de Top Taste-vennootschappen geleverde uien is regelmatig onderwerp van discussie (geweest). De Top Taste-vennootschappen hebben er herhaaldelijk over geklaagd dat de uien nat, rot en niet kaal zijn, een te lange staart hebben en dat er vreemde voorwerpen (kluiten, hout, metaal, stenen, plastic, golfballen) tussen de uien worden aangetroffen. In verband hiermee is tijdens verschillende aandeelhouders-/directieoverleggen van Top Taste Holding onder andere gesproken over het antwoord op de vraag wat de meest adequate oplossing is om vreemde voorwerpen te verwijderen.

3.12

In het aandeelhouders-/directieoverleg van Top Taste Holding van 29 april 2020 heeft

[E]
zijn beklag gedaan over het (niet onafhankelijk) functioneren van
[H]
en de samenwerking tussen hen beiden. Ook heeft hij zijn zorgen geuit over het (door
[H]
gevoerde) (personeels)beleid en de onrust onder het personeel. In het daarop aansluitende directieoverleg heeft
[H]
zijn visie gegeven op de samenwerking met
[E]
en de overige medewerkers van de Top Taste-vennootschappen. Op voorspraak van
[I]
is
[E]
en
[H]
vervolgens verzocht wekelijks met elkaar in gesprek te gaan over de onderwerpen die nodig zijn om het bedrijf goed te kunnen besturen.

3.13

In de eerdere versie van de notulen die alleen betrekking heeft op het overleg van de aandeelhouders is opgenomen dat

[G]
naar aanleiding van een opmerking van
[E]
- dat tegen hem is gezegd dat
[H]
en
[G]
regelmatig op de gang overleggen over de gang van zaken bij Top Taste - het volgende heeft gezegd:

[G]
heeft de behoefte te reageren op zijn bemoeienis met de aansturing van TOP TASTE.
[G]
ontkent dit stellig. Hij
[heeft]
zich tot nu toe nagenoeg niet met de aansturing via
[H]
, toevoeging Ondernemingskamer) bemoeid. Hij heeft met
[H]
1 x in de 2 weken overleg inzake Crop. Er wordt dan af en toe over Taste gesproken.
[G]
vindt dat hij op dit moment zelfs soms wat autistisch handelt t.a.v. zijn bemoeienissen. Heeft deelgenomen aan een online borrel en probeert via Arie op de hoogte te blijven van de verkoop en heeft via teams contact met de verkopers indien nodig.

3.14

Op 14 mei 2020 hebben de aandeelhouders en de directie van Top Taste Holding in hun overleg (de kosten van) de nieuwbouw van de in november 2017 afgebrande fabriek van Lion Foods besproken. In het kader daarvan is onder meer het volgende opgemerkt:

[J]
merkt op dat de prestaties die na de brand door
[E]
zijn geleverd door hem en de aandeelhouders zeer gewaardeerd worden; bedankt daarvoor. De investering is dan wel aanzienlijk hoger uitgevallen maar er waren ook bijzondere omstandigheden. Nu tijd om teugels
[weer]
aan te halen en zorgen dat we niet vastlopen qua financiering. We moeten goede gezamenlijke overwegingen maken en samen beslissen wat perse nodig is. We zijn nu, niet alleen door Corona, in een andere fase beland.

[E]
zijn wens is nu om de kostprijs onder controle te krijgen en dan pas weer te investeren. Er wel voor blijven zorgen dat we de groei bij kunnen houden. Als we geen goede basis hebben dan biedt dit ruimte voor andere aanbieders.”

3.15

In de aandeelhouders-/directieoverleggen van 24 juni 2020 en 3 juli 2020 is opnieuw gesproken over het doen van investeringen in onder andere een nieuw magazijn en het verplaatsen van de schillerij. In de notulen van de overleggen van 24 juni 2020 en 3 juli 2020 is het standpunt van

[D c.s.]
ten aanzien van deze investeringen als volgt weergegeven:

Aandeelhouders

[F]
gaan niet akkoord met een investering van 4.750/m exclusief stellingen. Een dergelijke hoge investering in een nieuw magazijn vinden zij niet verantwoord. Er zijn verschillende motieven; het corona virus, de dure verplaatsing van de schillerij, de tijdsdruk waaronder beslist dient te worden en de besparing van 150/m huur tegenover en investering van minimaal 5 m/m. Zij maken liever een weloverwogen beslissing die dan qua bouw door aanwezigheid Tennet duurder is dan nu meegaan in dit nu voorliggende plan.

Aandeelhouders

[F]
willen inzetten op investeringen die noodzakelijk zijn, (operationele)

kostenverlaging tot gevolg hebben en capaciteit van de huidige lijnen verhogen.

(…)

Aandeelhouders

[F]
willen beslissing aangaande nieuwe baklijn van 13 m/m vooruitschuiven zolang de bestaande capaciteit incl. OSI (Onion Specialties International BV, een door Top Taste Holding in 2017 overgenomen onderneming in Kruiningen, toevoeging Ondernemingskamer) voldoende is (34.645 ton). De focus moet liggen op optimaliseren van de processen en verlagen van de operationele kosten. Aandeelhouders
[F]
willen daarom ook nu niet investeren in de nieuwbouw magazijn ad. 3,25 m/m (incl. leges exclusief stellingen), verplaatsen schillijn ad. 1,5 m/m en de nieuwe baklijn ad 13 m/m.

3.16

[E]
heeft vervolgens in een notitie uiteengezet dat in zijn ogen de bouw van een nieuw magazijn noodzakelijk is om de groei van de onderneming bij te benen en extra (productie)kosten te kunnen voorkomen. Het benutten van de productiecapaciteit van de fabriek van OSI in Kruiningen ziet hij niet als mogelijkheid, omdat de kosten daar hoger liggen. Daarnaast wijst hij erop dat uitstel van de investering leidt tot verhoging van de bouwkosten met 1 miljoen euro. In het aandeelhouders-/directieoverleg van 22 juli 2020 heeft hij
[D c.s.]
verzocht om gelet op de in zijn notitie genoemde argumenten hun standpunt ten aanzien van de bouw van het magazijn te herzien.
[D c.s.]
hebben tijdens de vergadering bij monde van
[G]
laten weten dat zij “vanwege Corona, personele bezetting en gewenste rust in organisatie” niet meegaan in de investering in het magazijn en dat zij de voorkeur geven aan het inlassen van een adempauze.

3.17

Op 16 oktober 2020 heeft

[E]
[J]
telefonisch medegedeeld dat hij de samenwerking met
[D c.s.]
wilde beëindigen. Naar aanleiding van deze mededeling hebben er gesprekken plaatsgevonden tussen
[J]
en
[E]
, waarin
[J]
heeft geprobeerd
[E]
op andere gedachten te brengen.
[E]
heeft in één van die gesprekken laten weten dat voortzetting van de samenwerking bespreekbaar was indien hij door overname van een deel van de aandelen van
[D c.s.]
zijn aandelenbelang kon uitbreiden tot 50%. Op dat voorstel hebben
[D c.s.]
afwijzend gereageerd.

3.18

Op 27 oktober 2020 heeft tussen

[H]
en
[E]
een gesprek plaatsgevonden. Volgens de door
[H]
aan
[I]
per e-mail van 31 oktober 2020 toegestuurde samenvatting van dit gesprek heeft
[E]
tijdens het gesprek gezegd dat
[H]
naar inzien van de aandeelhouders niet geschikt is voor zijn functie en heeft hij
[H]
verzocht per ommegaande zijn mandaat van de aandeelhouders aan de familie
[F]
terug te geven. Daarbij zou
[E]
als toelichting hebben gegeven dat
[H]
voor veel onrust zorgt bij de werknemers en dat hij het bedrijf “kapot aan het maken” is.

3.19

Naar aanleiding hiervan is in het aandeelhouders-/directieoverleg van 11 november 2020 het functioneren van

[H]
besproken. Daarbij heeft
[J]
kenbaar gemaakt dat hij het niet eens is met het verzoek dat
[E]
aan
[H]
heeft gedaan en dat hij
[H]
voorlopig – in afwachting van nader onderzoek naar de door
[E]
geuite klachten – wil handhaven als algemeen directeur.
[E]
heeft in het overleg opnieuw zijn zorgen geuit over het functioneren van
[H]
en de onrust onder het personeel waardoor medewerkers vertrekken.

3.20

Op 4 december 2020 heeft

[E]
mondeling een bod van € 80 miljoen gedaan op de aandelen van
[D c.s.]
In reactie hierop hebben
[D c.s.]
[E]
laten weten dat zij hun aandelen niet wensen te verkopen.

3.21

Op 21 december 2020 heeft

[E]
aan
[J]
,
[G]
en
[K]
en
[I]
een e-mail doorgestuurd van een vertrekkende werknemer.
[E]
schrijft in de begeleidende e-mail:

Waar ik een jaar geleden voor heb gewaarschuwd zie je nu gebeuren, betrokken mensen gaan vertrekken.”

3.22

Op 23 december 2020 heeft

[J]
aan
[E]
een brief geschreven. In deze brief benoemt
[J]
de ontwikkelingen sinds de mededeling van
[E]
dat hij de samenwerking met
[D c.s.]
wil beëindigen en gaat hij in op de start van de samenwerking tussen hem en
[E]
en het verdere verloop daarvan. Aan het slot van de brief komt hij tot de volgende conclusie:

Wij ervaren jouw optreden als een ernstige vertrouwensbreuk. Ruim 12 jaar samenwerking wordt zonder opmerking of mededeling vooraf door jou in de afvalbak gegooid. Je neemt ook geen verantwoordelijkheid voor je genomen beslissing te stoppen, door af te treden als bestuurder en je vraagprijs te noemen voor je aandelen. In plaats daarvan ben je nu voor je eigen belang bezig, zonder transparant te zijn. Dit is voor ons niet acceptabel.

We vragen je vervolg te geven aan je genomen beslissing en per 31 december 2020 af te treden als bestuurder. Wij zullen nu zelf een bod voorbereiden op jouw aandelen, en verwachten dit op korte termijn toe te zenden.

3.23

Bij e-mail van 19 januari 2021 heeft

[E]
op deze brief gereageerd. Hij schrijft onder meer:

“Ik heb niet gezegd dat ik het bedrijf ga verlaten. Ik heb gezegd dat ik niet langer met de

familie

[F]
wil samenwerken. En ik heb dat uitgebreid toegelicht, en heb geen behoefte

om dat te herhalen nu.

Als wij niet samen verder gaan zijn er 3 opties: jullie kopen mij uit, ik koop jullie uit of we

verkopen aan een derde. Jij hebt aangegeven een bod te gaan doen om mij uit te kopen, dus

daar wacht ik nog even op.”

3.24

Op 4 februari 2021 heeft op verzoek van indirect aandeelhouders

[G]
en
[K]
een aandeelhoudersvergadering plaatsgevonden. Tijdens deze vergadering is besloten
[G]
te benoemen als bestuurder van Top Taste Holding.
[D c.s.]
hebben voor dit besluit gestemd.
[C]
heeft tegen dit besluit gestemd. In een tijdens de vergadering voorgelezen notitie heeft hij zijn tegenstem toegelicht. Naast zijn opmerkingen dat hij
[G]
niet geschikt acht als bestuurder en meent dat een onafhankelijk bestuurder moet worden benoemd, is in de notitie het volgende opgenomen:

“- Er is geen behoefte aan een derde bestuurder naast de twee zittende bestuurders. In de uitnodiging wordt als toelichting gegeven dat

[E]
opstapt als bestuurder. Dat is onjuist. Ik wil met de samenwerking met de familie
[F]
stoppen.

- Er is geen reden om het evenwicht op bestuursniveau te verstoren.

- Iedere noodzaak ontbreekt omdat er geen sprake is van een patstelling.

- De benoeming van

[H]
als interim bestuurder is tegen mijn advies in doorgezet en het heeft niet goed uitgepakt. Ook het huidige voorstel lijkt op paniekvoetbal. Wanneer de onderneming een algemeen bestuurder zoekt, dienen we een professioneel traject in te gaan waarbij we ondersteuning zoeken van een extern bureau.”

3.25

Bij brief van 17 maart 2021 heeft

[J]
er opnieuw bij
[E]
op aangedrongen om af te treden als bestuurder, omdat zijn positie gelet op de door de mededeling van
[E]
en zijn optreden daarna veroorzaakte vertrouwensbreuk onhoudbaar zou zijn geworden. Met het oog daarop heeft hij het volgende bericht:

De statuten en aandeelhoudersovereenkomst (…) bevatten een aanbiedingsplicht (inclusief

prijsvaststellingstraject) voor de vertrekkende bestuurder. Wij hebben dan echter geen plicht de aangeboden aandelen ook af te nemen. Om een dergelijke situatie te voorkomen, en jou (onverplicht) tegemoet te komen in de door jou genomen beslissing, laat ik weten dat wij bereid zijn de door jou aan te bieden aandelen af te nemen op basis van de waarde die wij inmiddels hebben laten vaststellen door Register Valuators van een gerenommeerd kantoor (BFI Global). Daartoe zullen wij onmiddellijk na jouw aftreden een bod doen, op basis van deze waardering die we alsdan ook zullen toezenden, welk bod we dan ook gedurende twee weken gestand zullen doen. Vanzelfsprekend staat daarnaast ook nog het hierboven genoemde statutaire prijsvaststellingstraject open.

Op basis van het voorgaande verzoek ik je dringend nu af te treden, uiterlijk binnen 1 week. (…)

3.26

In zijn reactie op deze brief heeft

[E]
[J]
bij brief van 22 maart 2021 laten weten dat hij geen gevolg geeft aan het door hem gedane verzoek om af te treden. Hij schrijft onder meer:

“Ik begrijp de toon van jouw brief niet,

Wij hebben verschillende malen gesproken, en ik heb je medegedeeld dat ik geen basis zie om verder te werken met de familie

[F]
. Ik heb dat toegelicht, en de kern is dat de familie
[F]
niet het belang van de onderneming ( Top Taste Holding BV ) centraal stelt, maar het belang van de familie
[F]
. Ik heb mijn aandelen dus nooit aangeboden en nooit gezegd dat ik zou vertrekken. Ik heb wel een voorstel gedaan om uit de impasse te raken, maar dat voorstel is afgewezen.

Dus wij moeten uit elkaar. Dat betekent dat de familie

[F]
mij uitkoopt, of ik de familie
[F]
of dat alles wordt verkocht.

Ik heb tijdens een van onze gesprekken een concreet bod gedaan. Jij gaf aan niet te willen verkopen, en binnen 4 weken na 23 december met een bod te komen om mij uit te kopen.

Jouw brief is nu na 12 weken de eerste inhoudelijke reactie. Maar ik lees geen bod. Ik lees alleen een bereidheid om een bod uit te brengen wanneer ik ben afgetreden. Dan krijg ik een onvoorwaardelijk bod op basis van een waardering waarbij ik niet betrokken bij ben geweest.

Je gelooft toch niet serieus dat ik daar aan mee werk. Als jij een eerlijk bod wil doen, waarom doe je dat niet gewoon? (…) Top Taste Holding is ook mijn bedrijf, en als bestuurder zet ik mij dagelijks voor de volle 100% in voor de onderneming. Ik geloof ook niet dat er iemand is die dat wil betwisten. Zolang ik aandeelhouder ben zal ik alles doen wat in het belang van het bedrijf is. (…)”

3.27

[J]
heeft vervolgens
[E]
bij brief van 14 april 2021 opnieuw verzocht om (uiterlijk 30 april 2021) als bestuurder af te treden, waarna, zo staat in de brief – conform de afspraken, die inhouden dat pas na dat aftreden afwikkeling van het aandelenbelang aan de orde is – een bod op de aandelen van
[C]
zal worden gedaan. Volgens
[J]
geeft
[E]
er met zijn reactie blijk van dat hij met zijn weigering om af te treden als bestuurder zijn eigen belang als aandeelhouder van Top Taste Holding in plaats van het belang van de onderneming voorop stelt.

3.28

In 2021 is er per e-mail gediscussieerd over de door Top Onions aan TT en Lion Foods te berekenen IC-prijs voor het seizoen 2020/2021. In reactie op het voorstel van Top Onions van 22 januari 2021 (dat door

[I]
aan
[E]
en cc aan
[J]
en
[G]
is toegestuurd) heeft
[E]
bij e-mail van 22 maart 2021 een negental op- en aanmerkingen gemaakt en op basis daarvan gevraagd om herberekening van de IC-prijs.
[K]
heeft bij e-mail van 30 maart 2021 op de op- en aanmerkingen gereageerd en
[E]
bericht dat de prijsberekening niet zal worden herzien, “omdat alles transparant in beeld is gebracht en de kosten berusten op daadwerkelijk gemaakte kosten”.

3.29

De discussie is hierna voortgezet. Daarbij is

[E]
in zijn e-mails van 30 maart 2021, 14 april 2021 en 26 april 2021 zich blijven verzetten tegen de door Top Onions voorgestelde IC-prijs. In zijn e-mail van 30 maart 2021 stelt hij zich op het standpunt dat met de voorgestelde prijs enkel het belang van de aandeelhouders
[F]
is gediend, waarbij hij ook verwijst naar hun beslissing om niet te investeren in het sorteren bij de fabrieken. Door
[K]
is weersproken dat hij een dubbele pet op heeft en hij maakt duidelijk dat hij de discussie voert vanuit Top Onions en
[E]
vanuit Top Taste.
[K]
is blijven vasthouden aan de voorgestelde prijs. Op 21 april 2021 heeft
[J]
vervolgens nog aan
[E]
bericht dat hij en
[G]
zich onthouden van bemoeienis bij de vaststelling van de IC-prijs en dat zij ook niet zullen stemmen en dat het dus aan hem en
[K]
is er uit te komen.
[K]
en
[E]
hebben geen overeenstemming over de IC-prijs voor het seizoen 2020/2021 bereikt.

3.30

In een aan

[D c.s.]
gerichte brief van 14 april 2021 heeft de advocaat van
[E]
diens redenen voor de opzegging van de samenwerking met
[D c.s.]
uiteengezet en
[D c.s.]
verzocht om maatregelen te nemen om de in de brief omschreven problematiek een halt toe te roepen. Hij verwijt
[D c.s.]
dat zij hun eigen belang en het belang van de andere ‘
[F]
-ondernemingen’ belangrijker vinden dan het belang van de door de Top Taste-vennootschapen gedreven onderneming en wijst daarbij op de aanstelling van
[H]
en
[G]
, de discussie over de prijs en de kwaliteit van de door Top Onions aan TT en Lion Foods geleverde uien en de weigerachtige houding van
[D c.s.]
ten aanzien van het voorbehandelen van de uien en het doen van investeringen voor de langere termijn.

3.31

Bij brief van 30 april 2021 hebben de advocaten van

[D c.s.]
in reactie op de brief van de advocaat van
[E]
van 14 april 2021 namens
[D c.s.]
kenbaar gemaakt dat het verzoek van
[E]
onjuist en onnodig is, omdat de stellingen van
[E]
onjuist en ongeloofwaardig zijn. Zij menen dat de concrete en onderbouwde bezwaren van
[D c.s.]
tegen de vermenging van de belangen van
[E]
als aandeelhouder en bestuurder van Top Taste Holding en de wijze waarop
[E]
de discussie over zijn vertrek vermengt met (reguliere) beraadslaging en besluitvorming binnen Top Taste Holding daarentegen wel redenen opleveren om aan een juist beleid en een juiste gang van zaken te twijfelen en zij roepen
[E]
op alsnog af te treden als bestuurder.

3.32

Op basis van een rapport van BFI Global heeft de advocaat van

[D c.s.]
bij brief van 14 mei 2021, waarbij een afschrift van het rapport was gevoegd, namens
[D c.s.]
[E]
een bedrag van € 20,9 miljoen geboden voor de aandelen van
[C]
in Top Taste Holding B.V. In haar rapport van 13 april 2021 komt BFI Global op basis van de Discounted Cash Flow-methode (DCF) tot de volgende waardering:

- Op basis van de gehanteerde uitgangspunten bedraagt de indicatieve waarde van de Onderneming (i.e., Business Enterprise Value) per 30 juni 2020 afgerond EUR 71,6 mln. De aandelenwaarde op basis van 100% (i.e., Equity Value) bedraagt per dezelfde datum afgerond EUR 56,4 mln. Na correctie voor het belang derde in Polen bedraagt de waarde van 100% van de aandelen EUR 55,4 mln.

- Op basis van de gehanteerde uitgangspunten bedraagt de pro rata parte waarde van (afgerond) 33,89% van de aandelen in het geplaatste kapitaal van de Onderneming per dezelfde datum afgerond EUR 18,8 mln. (…).

3.33

Op 2 juni 2021 heeft

[E]
voorgesteld om nog drie jaar als bestuurder aan te blijven voor met name proces- en technische ontwikkelingen en daarna zijn aandelen te koop aan te bieden. Daarbij stelde hij als voorwaarden dat (i) het bestuur zou worden samengesteld uit één bestuurder namens de familie
[F]
, één bestuurder namens
[E]
en één onafhankelijke bestuurder en (ii)
[H]
per direct zou vertrekken.
[D c.s.]
hebben dit voorstel afgewezen.

3.34

In diezelfde periode hebben de bedrijfsleider van TT,

[L]
(hierna:
[L]
), en de door Top Taste Holding ingehuurde consultant
[M]
(hierna:
[M]
) door hen geconstateerde problemen binnen de Top Taste-vennootschappen samengevat en een situatie-/planschets voor een toekomstbestendige organisatie gemaakt. In hun PowerPointpresentatie van 17 juni 2021 hebben zij de ‘Stand van zaken Organisatiebreed’ samengevat. Onder meer vermelden zij gebrek aan samenwerking binnen het MT, onrust op de werkvloer en het uit beeld raken van het bedrijfsbelang.

3.35

[J]
heeft bij e-mail van 24 juni 2021 de presentatie aan
[E]
toegestuurd en voorgesteld deze tijdens een volgend overleg te bespreken. Diezelfde dag heeft
[J]
vervolgens
[L]
en
[M]
ervan op de hoogte gesteld dat de presentatie tijdens het directieoverleg op 7 juli 2021 zal worden besproken en dat zal worden gekeken op welke fronten stappen ondernomen moeten worden. Bespreking van de presentatie tijdens het overleg van 7 juli 2021, waarbij alleen
[G]
en
[E]
aanwezig waren, is echter achterwege gebleven.

3.36

Bij e-mail van 14 september 2021 hebben

[D c.s.]
het bestuur van Top Taste Holding verzocht een aandeelhoudersvergadering bijeen te roepen met de volgende agendapunten:

(i) het voorstel tot ontslag van

[C]
als bestuurder van Top Taste Holding;

(ii) het voorstel tot het verlenen van goedkeuring aan de directie van Top Taste Holding om het aan de vennootschap toekomende stemrecht op aandelen in Lion Foods B.V. zodanig uit te oefenen dat wordt gestemd vóór ontslag van

[E]
als bestuurder van die dochtervennootschap.

De achtergrond van dit voorstel is volgens

[D c.s.]
gelegen in de vertrouwensbreuk en de verstoorde verhoudingen die binnen Top Taste Holding zijn ontstaan na de beslissing van
[E]
om de samenwerking met
[D c.s.]
te willen beëindigen. Zij menen dat het gelet op die beslissing op de weg van
[E]
ligt om af te treden als bestuurder.

Het bestuur heeft vervolgens de aandeelhouders op 15 september 2021 opgeroepen voor een algemene vergadering op 29 oktober 2021. De hiervoor vermelde punten zijn geagendeerd als agendapunten 2 en 3.

3.37

In opdracht van

[C]
heeft FCF Bedrijfswaarderingen B.V. (hierna FCF) een indicatieve waardebepaling van 100% van de aandelen in Top Taste Holding per 30 juni 2021 opgesteld. FCF heeft in haar conceptrapportage van 20 september 2021 de economische waarde van de aandelen op basis van de DCF-methode per die datum vastgesteld op 176,9 miljoen euro. In de conceptrapportage is vermeld dat een correctie op de inkoopprijs van de uien is uitgevoerd, omdat die prijs niet marktconform (want boven de marktprijs) is. Daarnaast is ervan uitgegaan dat investeringen zullen worden gedaan in onder meer het opzetten van een nieuwe baklijn, het uitbreiden van het magazijn en het verplaatsen van de schillerij.

4
De gronden van de beslissing

4.1

[D c.s.]
hebben aan hun verzoek ten grondslag gelegd dat er gegronde redenen zijn voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van Top Taste Holding en dat de toestand van de vennootschap nodig maakt dat onmiddellijke voorzieningen worden getroffen. Als toelichting hebben
[D c.s.]
– samengevat – naar voren gebracht dat
[E]
tot op heden weigert gevolg te gegeven aan zijn beslissing om de samenwerking met
[D c.s.]
te beëindigen en af te treden als bestuurder, waardoor hij een ernstige vertrouwensbreuk met
[D c.s.]
heeft veroorzaakt en zijn positie als bestuurder onhoudbaar is geworden. Daarbij komt dat de situatie die
[E]
heeft veroorzaakt onwerkbaar, niet duurzaam en niet in het belang van de onderneming is en zo spoedig mogelijk dient te worden beëindigd.
[E]
blokkeert echter stelselmatig beëindiging van deze situatie door de (aan)biedingen van
[D c.s.]
om te komen tot een ordentelijk vertrek van
[E]
zonder nadere toelichting of motivering te negeren. De mededelingen en handelwijze van
[E]
duiden er volgens
[D c.s.]
op dat
[E]
als bestuurder niet langer het belang van de onderneming dient maar enkel gericht is op zijn (financiële) belang als aandeelhouder. Bovendien tracht hij op oneigenlijke wijze af te wijken van de in de statuten en aandeelhoudersovereenkomst overeengekomen afspraken. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat, gelet op het aandelenbelang van
[E]
in de algemene vergadering, een impasse zal ontstaan in de besluitvorming over het ontslag van
[E]
als bestuurder, waarvoor een bijzondere meerderheid van tenminste 66,67% vereist is. Deze impasse is aan
[C]
toe te rekenen. Van andere gegronde redenen om aan een juist beleid of juiste gang van zaken van Top Taste Holding te twijfelen dan de voorgaande, is geen sprake, aldus
[D c.s.]

4.2

Daartegenover heeft

[C]
aangevoerd dat juist is dat er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid en juiste gang van zaken van Top Taste Holding te twijfelen, maar dat deze – anders dan
[D c.s.]
aanvoeren – zijn gelegen in de omstandigheid dat
[D c.s.]
hun eigen positie en het belang van de andere
[F]
-vennootschappen belangrijker vinden dan het belang van de aan Top Taste Holding verbonden onderneming. Hierdoor worden ook de belangen van de aan de onderneming verbonden stakeholders en het belang van
[C]
als aandeelhouder en bestuurder geschaad. Deze bezwaren zijn niet pas recent opgekomen, maar spelen al geruime tijd. Dat bij
[D c.s.]
sprake is van (een schijn van) belangenverstrengeling blijkt volgens
[C]
uit:

de opbouw en de vaststelling van de IC-prijs en de discussies over de kwaliteit van de uien;

de (wijze van) aanstelling van

[H]
en de steeds verdergaande bemoeienis van
[G]
met het beleid en de gang van zaken binnen de aan Top Taste Holding verbonden onderneming;

de discussie over het industrieel voorbehandelen van de uien door TT in plaats van Top Onions;

e wijze waarop de besluitvorming over lange termijn investeringen door

[D c.s.]
wordt geblokkeerd.

[C]
voert daarnaast aan dat voor de eis van
[D c.s.]
dat
[C]
aftreedt als bestuurder geen redelijke grond bestaat. Inmiddels is echter op aandeelhouders- en bestuursniveau een onwerkbare situatie ontstaan. Er bestaan meningsverschillen over wezenlijke zaken. De onderlinge verstandhouding is volgens
[C]
dusdanig verstoord dat een (redelijke) samenwerking binnen het bestuur niet meer mogelijk lijkt te zijn. Dit bergt het gevaar in zich dat Top Taste Holding de facto onbestuurbaar wordt.

4.3

[D c.s.]
hebben verweer gevoerd tegen het verzoek van
[C]
en de stellingen waarop dit berust. De Ondernemingskamer zal hieronder waar nodig ingaan op het verweer dat partijen over en weer hebben gevoerd.

4.4

De Ondernemingskamer overweegt als volgt.

De verhouding binnen het bestuur

4.5

De Ondernemingskamer constateert dat binnen het bestuur van Top Taste Holding sprake is van een duurzaam verstoorde verhouding en een onwerkbare situatie.

[E]
stelt zich al ruim een jaar op het standpunt dat de samenwerking met
[J]
en
[G]
niet meer houdbaar is en hij heeft het vertrouwen in
[D c.s.]
opgezegd. Pogingen van
[J]
hem op andere gedachten te brengen, hebben geen resultaat gehad.
[C]
heeft haar positie als bestuurder en de afwikkeling van het aandelenbelang twee separate kwesties genoemd, maar, wat hiervan zij, dat neemt niet weg dat het al geruime tijd aanblijven van het bestuur in ongewijzigde samenstelling de wijze en kwaliteit van besluitvorming negatief beïnvloedt. Niet alleen
[D c.s.]
stellen zich op dit standpunt, ook
[C]
zelf constateert dat een redelijke samenwerking niet meer mogelijk lijkt. De verstoorde relatie staat in de weg aan vruchtbaar collegiaal overleg en aan het nemen van collegiaal gedragen strategische en langetermijnbeslissingen. Voor zover dit al niet is gebeurd, zal een en ander op termijn ook schadelijke gevolgen hebben voor de onderneming en het personeel.

4.6

Dit levert op zichzelf al gegronde redenen op om te twijfelen aan juist beleid en een juiste gang van zaken van Top Taste Holding, die een onderzoek en het treffen van onmiddellijke voorzieningen rechtvaardigen. Een nadere analyse van de vraag naar de verwijtbaarheid kan in dit stadium van de procedure achterwege blijven. Wel zal de Ondernemingskamer hierna nog specifiek ingaan op een aantal bezwaren van

[C]
, die ten grondslag liggen aan haar zelfstandig verzoek.

Concernenquête?

4.7

[C]
heeft haar verzoek voorwaardelijk vermeerderd. Voor zover de Ondernemingskamer van oordeel zou zijn dat haar bezwaren met betrekking tot de IC-prijs, de kwaliteit van de uien en het personeelsbeleid niet op het beleid of de gang van zaken van Top Taste Holding betrekking hebben maar op dat van haar dochters TT of Lion Foods, wenst
[C]
haar verzoek eveneens betrekking te doen hebben op deze dochtervennootschappen.
[D c.s.]
hebben zich hiertegen verzet. De Ondernemingskamer overweegt dat de bezwaren met betrekking tot het personeel en de kwaliteit van de uien beleid op het niveau van de dochters betreffen. De omgang met het personeel in dienst van de dochters en de wijze waarop wordt gereageerd op aan de dochters gedane leveranties, is niet te duiden als beleid van Top Taste Holding. Dat deze onderwerpen, gelet op de diverse posities van
[E]
en
[D c.s.]
, ook in het directie-/aandeelhoudersoverleg van Top Taste Holding ter sprake kwamen, maakt dat niet anders. Daarmee komt het voorwaardelijk gedane verzoek om een concernenquête te gelasten aan de orde. Dit verzoek is echter hoe dan ook niet toewijsbaar, aangezien de dochtervennootschappen niet als partij zijn opgeroepen en ook niet als zodanig zijn verschenen. De Ondernemingskamer zal een inhoudelijke bespreking van genoemde onderwerpen dan ook achterwege laten.

De IC-prijs

4.8

Anders dan met betrekking tot de kwaliteit van de uien, is de Ondernemingskamer van oordeel dat de discussies over de IC-prijs wel spelen op het niveau van Top Taste Holding. Het betreft hier een strategisch onderwerp, dat Top Taste Holding aan zich heeft getrokken, zoals ook volgt uit het feit dat in de vergadering van 4 maart 2020 daarover besluitvorming heeft plaatsgevonden (zie 3.10) en uit het feit dat de geconflicteerde bestuurders

[J]
en
[G]
met zoveel woorden hebben laten weten zich bij de discussie tussen
[E]
en
[K]
over de IC-prijs 2020/2021 afzijdig te zullen houden (zie 3.29).

4.9

Sinds het begin van de samenwerking zijn de uien geleverd door Top Onions, zoals ook de opzet van de samenwerking was.

[C]
heeft aangevoerd dat Top Onions een onzakelijke prijs in rekening heeft gebracht en dat de marge van € 0,01 in strijd is met de afspraak dat alleen de kostprijs in rekening zou worden gebracht.
[D c.s.]
hebben dit betwist. Zij hebben aangevoerd dat de prijs amper kostendekkend was voor Top Onions en dat deze prijs bovendien onder de marktprijs ligt die Top Onions aan derden in rekening brengt, ook als rekening wordt gehouden met de € 0,01 marge. Zij hebben voorts uiteengezet hoe de IC-prijs over 2019/2020 is opgebouwd.
[C]
heeft e.e.a. weliswaar betwist, maar deze betwisting met uitzondering van de extra marge niet nader onderbouwd. Niet weersproken is dat
[C]
vanaf 2016 steeds de beschikking heeft gekregen over de achterliggende berekeningen van de kostprijs.

4.10

De Ondernemingskamer onderschrijft de klacht van

[C]
echter in zoverre dat de besluitvorming over de marge van € 0,01 niet juist is verlopen, nog afgezien van de vraag of partijen eerder de afspraak hebben gemaakt dat tegen kostprijs zou worden geleverd.
[C]
betwist dat zij zich in de vergadering van 4 maart 2020 uiteindelijk bij de marge heeft neergelegd en zij heeft een aanvulling op de notulen van die vergadering in het geding gebracht die het volgende inhoudt: “(…) eerlijk duurt het langst steeds spelregels veranderen in het nadeel van een zwakkere aandeelhouder bedenk zelf maar wat je daar van vindt! En aandeelhouders
[F]
hebben dit beslist!!
[E]
is tegen.”
Duidelijk is in ieder geval wel dat de geconflicteerde bestuurder
[J]
zich niet van deelname aan de beraadslaging en besluitvorming over de IC-prijs 2019/2020 heeft onthouden. Het was aan
[C]
geweest om namens Top Taste Holding over de voorgestelde marge in onderhandelingen met
[K]
tot een onderhandelingsresultaat te komen, zoals ook nog gaande is met betrekking tot de IC-prijs 2020/2021. Ook hierin ziet de Ondernemingskamer aanleiding een onderzoek te gelasten.

De positie van

[H]
en van
[G]

4.11

[E]
heeft van aanvang aan bedenkingen geuit tegen de persoon van
[H]
als algemeen directeur, maar hij is uiteindelijk wel met diens aanstelling akkoord gegaan. De samenwerking tussen
[E]
en
[H]
bleek echter moeizaam te verlopen. Dit is ook diverse malen in het directie-/aandeelhoudersoverleg besproken.
[E]
heeft ernstige kritiek geuit op
[H]
;
[D c.s.]
hebben een andere visie op zijn functioneren. Voor 27 oktober 2020 heeft
[E]
er echter niet bij
[D c.s.]
op aangedrongen dat
[H]
diende te vertrekken, dit terwijl
[E]
heeft aangevoerd, dat hij bij zijn instemming (onder druk) met de benoeming van
[H]
als voorwaarde heeft bedongen dat als het niet zou boteren tussen
[H]
en hem,
[H]
zijn biezen zou moeten pakken en dat
[J]
hem dit in diverse gesprekken heeft toegezegd. Op 27 oktober 2020 heeft hij zelf bij
[H]
aangedrongen op diens vertrek, maar dit hebben
[D c.s.]
belet. De controverse over
[H]
onderstreept de moeizame verhoudingen die zich inmiddels binnen het bestuur hadden afgetekend.

4.12

Dat het functioneren van

[H]
, een niet statutaire bestuurder die het vertrouwen van een deel van het bestuur en de aandeelhouders heeft, van dien aard is dat er reeds daarom gegronde redenen zijn om aan een juist beleid en juiste gang van zaken van Top Taste Holding te twijfelen, is een conclusie die niet kan worden getrokken. Een deel van de kritiek die uit de stukken blijkt, is afkomstig van
[E]
zelf. Ook al zou de kritiek (ten dele) gerechtvaardigd zijn (in de brief zijdens
[D c.s.]
van 30 april 2021 in reactie op de bezwarenbrief van de kant van
[E]
staat dat
[D c.s.]
het niet (geheel) eens waren met de eenzijdige kritiek), dan dienen de consequenties die hieraan moeten worden verbonden te worden geadresseerd binnen de vennootschappelijke verhoudingen.

4.13

De benoeming van

[G]
is volgens de daarvoor geldende regels verlopen. Op zichzelf is het geen bezwaar dat
[G]
niet voldoet aan het profiel van een onafhankelijke bestuurder. Dat hij zich, evenals
[J]
, dient te richten naar het belang van de vennootschap en haar onderneming en zich van betrokkenheid bij beraadslaging en besluitvorming dient te onthouden wanneer het gaat om de relatie met Top Onions, in het geval van niet parallel lopende belangen, moge duidelijk zijn.

4.14

Partijen hadden kennelijk de gewoonte om een gecombineerd aandeelhouders-/directieoverleg te houden. Zoals

[D c.s.]
onbetwist heeft aangevoerd, is de naam van het overleg – waarin meer dan alleen directiezaken werden besproken – gewijzigd van directieoverleg naar aandeelhouders-/directieoverleg. Gesteld noch gebleken is dat
[E]
zich tegen deze gang van zaken heeft verzet. Artikel 12 leden 5 en 6 van de statuten van Top Taste Holding geven vrij vergaande bevoegdheden aan de algemene vergadering, hetgeen de combinatie aandeelhoudervergadering en directievergadering kan verklaren. Dat
[G]
daarin stelselmatig zijn boekje te buiten ging, is door
[D c.s.]
gemotiveerd weersproken en volgt niet uit de door
[C]
gegeven voorbeelden.

De investeringen

4.15

Het betreft hier de door

[C]
voorgestane investering in een nieuw magazijn en in de verplaatsing van het industrieel voorbehandelen van de uien van Top Onions naar de Top Taste-vennootschappen.
[D c.s.]
hebben in de aandeelhouders-/directieoverleggen uitgelegd dat en waarom zij deze investeringen momenteel niet wensen. Zij geven blijk van een verschil van inzicht hierover met
[C]
, maar niet kan worden geoordeeld dat hun standpunt in redelijkheid niet valt vol te houden.

Slotsom

4.16

Zoals hiervoor onder 4.5 en 4.10 is vermeld zijn er gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van Top Taste Holding. De Ondernemingskamer zal een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Top Taste Holding bevelen vanaf 1 juli 2019. De door

[C]
overigens nog aangevoerde bezwaren (besproken in 4.9 en 4.11 t/m 4.15) leveren, ook in samenhang bezien, geen grond op voor het gelasten van een onderzoek.

4.17

De Ondernemingskamer vindt het met het oog op de toestand van Top Taste Holding noodzakelijk om onmiddellijke voorzieningen te treffen. De door

[D c.s.]
verzochte voorzieningen hebben in wezen als effect dat de Ondernemingskamer zelf het ontslag van
[C]
bewerkstelligt. Dit is naar het oordeel van de Ondernemingskamer te verstrekkend. Zij zal een derde als bestuurder van Top Taste Holding benoemen aan wie in het bestuur van Top Taste Holding – voor zover nodig in afwijking van de statuten – een beslissende stem toekomt (wat betekent dat overeenkomstig die stem wordt besloten, ook als die stem afwijkt van de meerderheid van de uitgebrachte stemmen) en die zelfstandig bevoegd is Top Taste Holding te vertegenwoordigen en zonder wie Top Taste Holding niet vertegenwoordigd kan worden. De te benoemen bestuurder mag het ook tot zijn/haar taak rekenen te bezien of een minnelijke regeling tussen partijen kan worden bereikt. De Ondernemingskamer zal tevens één aandeel van ieder van de aandeelhouders ten titel van beheer overdragen aan een door de Ondernemingskamer te benoemen beheerder, zodat, indien dat in het belang van Top Taste Holding noodzakelijk wordt geacht, het ontslag van
[C]
als bestuurder kan worden bewerkstelligd.

4.18

De Ondernemingskamer zal de kosten van het onderzoek en de te benoemen bestuurder en beheerder voor rekening brengen van Top Taste Holding.

4.19

De Ondernemingskamer zal het bedrag dat het onderzoek maximaal mag kosten niet meteen vaststellen. Indien het komt tot aanwijzing van een onderzoeker, zal de Ondernemingskamer de onderzoeker vragen om binnen zes weken een plan van aanpak en een begroting van de kosten van het onderzoek te maken en deze aan de Ondernemingskamer toe te sturen. De Ondernemingskamer zal partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over die begroting en vervolgens het onderzoeksbudget vaststellen.

4.20

De Ondernemingskamer zal de aanwijzing van een onderzoeker voorlopig aanhouden om te bezien of al door de te treffen onmiddellijke voorzieningen een oplossing van het geschil kan worden bereikt. Ieder van partijen of de door de Ondernemingskamer benoemde bestuurder/beheerder kan op elk moment de Ondernemingskamer verzoeken de onderzoeker aan te wijzen. Voor het geval het komt tot aanwijzing van een onderzoeker, zal de Ondernemingskamer de onderzoeker vragen om binnen zes weken een plan van aanpak en een begroting van de kosten van het onderzoek te maken en deze aan de Ondernemingskamer toe te sturen. De Ondernemingskamer zal partijen in dat geval in de gelegenheid stellen zich uit te laten over die begroting en vervolgens het onderzoeksbudget vaststellen.

4.21

Voor het treffen van andere onmiddellijke voorzieningen ziet de Ondernemingskamer voorlopig geen aanleiding.

4.22

De Ondernemingskamer ziet ten slotte aanleiding te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5
De beslissing

De Ondernemingskamer:

beveelt een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Top Taste Holding B.V. over de periode vanaf 1 juli 2019;

benoemt een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon om het onderzoek te verrichten;

houdt in verband met het bepaalde in 4.20 de vaststelling van het onderzoeksbudget aan en verzoekt de onderzoeker binnen zes weken na de beschikking waarbij hij als onderzoeker wordt aangewezen een plan van aanpak en een begroting van de kosten van het onderzoek te maken en deze aan de Ondernemingskamer toe te sturen;

bepaalt dat de kosten van het onderzoek ten laste komen van Top Taste Holding B.V. en dat zij voor de betaling daarvan ten genoegen van de onderzoeker voor het begin van zijn/haar werkzaamheden zekerheid moet stellen;

benoemt mr. A.J. Wolfs tot raadsheer-commissaris, zoals bedoeld in artikel 2:350 lid 4 BW;

benoemt bij wijze van onmiddellijke voorziening met onmiddellijke ingang en vooralsnog voor de duur van de procedure – voor zover nodig in afwijking van de statuten – een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon tot bestuurder van Top Taste Holding B.V. met beslissende stem en bepaalt dat deze bestuurder zelfstandig bevoegd is Top Taste Holding B.V. te vertegenwoordigen en dat zonder deze bestuurder Top Taste Holding B.V. niet vertegenwoordigd kan worden;

bepaalt vooralsnog voor de duur van het geding dat één aandeel van ieder van de aandeelhouders in het kapitaal van Top Taste Holding B.V. met ingang van heden ten titel van beheer is overgedragen aan een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon;

bepaalt dat het salaris en de kosten van de bestuurder en van de beheerder van aandelen voor rekening komen van Top Taste Holding en bepaalt dat Top Taste Holding voor de betaling daarvan ten genoegen van de bestuurder/beheerder zekerheid dient te stellen vóór de aanvang van hun werkzaamheden;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.M.M. Tillema, voorzitter, mr. A.J. Wolfs en mr. D. Kingma, raadsheren, en mr. D.E.M. Aleman MBA en drs. A.G. Thomassen RT REP, raden, in tegenwoordigheid van mr. E.J.M. Imthorn, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2021.

Zie ook

Oozo.nl
Weten wat er in jouw buurt of straat gebeurt?
FaillissementsDossier.nl
Alle faillissementen en surseances in Nederland
FaillissementsDossier.be
Alle faillissementen en opschortingen in België
ProcedureCollective.fr
Alle faillissementen in Frankrijk
DatIsSlimBedacht.nl
Tips - Ideeën - Slimmigheden
  • Uitspraken.nl is een produkt van Binq Media B.V. - Mart Smeetslaan 1, 1217 ZE Hilversum - Kvk nummer 54506158