Ondernemingsrecht
Ondernemingskamer; enquêteverzoek; gedeeltelijke toewijzing verhoging onderzoeksbudget
Gerechtshof Amsterdam, 11 maart 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:635 · Gerechtshof Amsterdam · 11 maart 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/civiel-recht/ondernemingsrecht/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-ghams-2026-635
Zaakgegevens
Op 11 maart 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over ondernemingsrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 11 maart 2026
- Datum publicatie
- 12 maart 2026
- Zaaknummer
- 200.334.340/01OK
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Ondernemingsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- Advocaat
- <emphasis role="bold">mr. J.A.M. van de Sande</emphasis>
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:635
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Ondernemingskamer; enquêteverzoek; gedeeltelijke toewijzing verhoging onderzoeksbudget
Uitspraak
beschikking
___________________________________________________________________
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.334.340/01 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 11 maart 2026
inzake
1 [aandeelhouder A] ,
wonende te [plaats] ,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MVD EUROPE B.V.,
gevestigd te Badhoevedorp,
VERZOEKERS,
advocaat: mr. J.A.M. van de Sande, kantoorhoudende te Rotterdam,
t e g e n
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MVD EUROPE B.V.,
gevestigd te Badhoevedorp,
VERWEERSTER,
advocaten: mrs. C. Dullaart en J.G. van der Steenhoven, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,
e n t e g e n
[aandeelhouder B] ,
wonende te [plaats] ,
BELANGHEBBENDE,
advocaten: mrs. C. Dullaart en J.G. van der Steenhoven, beiden kantoorhoudende te Amsterdam.
Hierna zullen partijen en overige betrokkenen als volgt worden aangeduid:
-
verzoeker sub 1 als [aandeelhouder A] ;
-
verweerster als MVDE;
-
belanghebbende als [aandeelhouder B] ;
-
de door de Ondernemingskamer benoemde bestuurder, beheerder van aandelen en onderzoeker als de OK-bestuurder en de OK-beheerder, respectievelijk de Onderzoeker.
1 Het verloop van het geding
Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar de beschikkingen van 17 en 21 juni 2024, 18 september 2024, 12 december 2024, 12 februari 2025 en 3 september 2025 in deze zaak.
Bij beschikking van 17 juni 2024 heeft de Ondernemingskamer een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van MVDE over de periode vanaf 1 januari 2019 en een nader aan te wijzen persoon benoemd teneinde het onderzoek te verrichten. Daarnaast heeft zij bij die beschikking, bij wijze van onmiddellijke voorziening met onmiddellijke ingang en vooralsnog voor de duur van de procedure:
a. [aandeelhouder B] geschorst als bestuurder van MVDE en - voor zover nodig in afwijking van de statuten - een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon benoemd tot bestuurder (met beslissende stem) van MVDE en bepaald dat deze bestuurder zelfstandig bevoegd is MVDE te vertegenwoordigen en dat zonder deze bestuurder MVDE niet vertegenwoordigd kan worden; en
b. de aandelen van [aandeelhouder B] in MVDE - met uitzondering van één aandeel - ten titel van beheer overgedragen aan een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon.
Bij beschikking van 21 juni 2024 heeft de Ondernemingskamer M.G.A. Diepman en mr. M. van Luyn als bestuurder respectievelijk beheerder van aandelen aangewezen zoals bedoeld in de beschikking van 17 juni 2024.
Bij de beschikking van 18 september 2024 heeft de Ondernemingskamer mr. R. el Johari te Amsterdam als onderzoeker aangewezen. De aanvang van het onderzoek is in eerste instantie aangehouden in verband met de ontwikkelingen in deze zaak.
Bij beschikking van 12 december 2024 heeft de Ondernemingskamer de aandelen van [aandeelhouder A] in MVD Europe B.V. - met uitzondering van één aandeel - ten titel van beheer overgedragen aan de OK-beheerder.
Bij beschikking van 12 februari 2025 heeft de Ondernemingskamer het onderzoeksbudget vastgesteld op € 50.000 (exclusief btw).
Bij beschikking van 3 september 2026 heeft de Ondernemingskamer het onderzoeksbudget verhoogd tot een bedrag van € 75.000 (exclusief btw).
Bij verzoekschrift van 26 november 2025 heeft mr. Van der Steenhoven namens [aandeelhouder B] een verzoek tot (tussentijdse) verlaging van het onderzoeksbudget bij de raadsheer-commissaris ingediend. De secretaris van de Ondernemingskamer heeft het verzoek doorgestuurd naar partijen en hen in de gelegenheid gesteld zich over dit verzoek uit te laten.
Bij bericht van 7 januari 2026 heeft mr. Van Soelen namens de OK-bestuurder gereageerd op het verzoekschrift. Daarbij is niet specifiek gereageerd op het verzoek tot verlaging van het onderzoeksbudget.
Bij bericht van 8 januari 2026 heeft mr. Van de Sande namens [aandeelhouder A] gereageerd op voornoemd verzoekschrift en gesteld dat de verlaging van het onderzoeksbudget de bevoegdheid van de raadsheer-commissaris te buiten gaat en dat de reactie daarop geen betrekking heeft.
In haar reactie van 8 januari 2026 heeft de Onderzoeker verzocht het verzoek tot verlaging van het onderzoeksbudget af te wijzen. Daarnaast heeft de Onderzoeker een verzoek tot (tussentijdse) verhoging van het onderzoeksbudget gedaan. De secretaris van de Ondernemingskamer heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over dit verzoek tot verhoging van het onderzoeksbudget.
Bij bericht van 9 februari 2026 heeft de raadsheer-commissaris aan partijen medegedeeld dat het verzoek van de zijde van [aandeelhouder B] strekkende tot verlaging van het onderzoeksbudget (primair onder III) en het verzoek van de zijde van de Onderzoeker strekkende tot verhoging van het onderzoeksbudget (5.3) zal worden doorverwezen naar de Ondernemingskamer, omdat de raadsheer-commissaris niet bevoegd is over een verhoging/verlaging van het onderzoeksbudget te beslissen.
Bij bericht van 24 februari 2026 heeft mr. Van de Sande namens [aandeelhouder A] laten weten in te stemmen met de verzochte verhoging van het onderzoeksbudget.
Bij bericht van 25 februari 2026 heeft mr. Van der Steenhoven namens [aandeelhouder B] gesteld dat het verzoek tot verhoging van het onderzoeksbudget dient te worden afgewezen.
Bij bericht van 26 februari 2026 heeft mr. Van Soelen namens de OK-bestuurder zich wat betreft de verhoging van het onderzoeksbudget gerefereerd aan het oordeel van de Ondernemingskamer.
Bij beschikking van 9 maart 2026 heeft de raadsheer-commissaris de verzoeken [aandeelhouder B] en de Onderzoeker ter zake van het onderzoeksbudget ter verdere beslissing verwezen naar de Ondernemingskamer.
2 De gronden van de beslissing
Aan het (tussentijdse) verzoek van [aandeelhouder B] strekkende tot verlaging van het onderzoeksbudget ligt – kort gezegd – ten grondslag dat de door de Onderzoeker bestede tijd met de daaraan verbonden kosten, voor zover deze betrekking heeft op de periode na de mondelinge behandeling van 7 maart 2026, in mindering gebracht dient te worden op het onderzoeksbudget omdat het onderzoek zich niet uitstrekt tot na de datum mondelinge behandeling.
Wat betreft de reikwijdte van het onderzoek heeft de raadsheer-commissaris in zijn beslissing van 9 maart 2026 de door [aandeelhouder B] verzochte aanwijzing om het onderzoek te beperken tot het moment van de mondelinge behandeling afgewezen. De raadsheer-commissaris heeft geoordeeld dat de onderzoeksperiode weliswaar loopt tot de datum van de mondelinge behandeling, maar heeft daaraan drie nuanceringen toegevoegd die kunnen meebrengen dat ook latere feiten en omstandigheden in het onderzoek worden betrokken. Het verzoek tot verlaging van het onderzoeksbudget is daarmee gebaseerd op een onjuiste grondslag en zal dan ook worden afgewezen.
De Onderzoeker heeft aan haar (tweede) verzoek tot (tussentijdse) verhoging van het onderzoeksbudget samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Gelet op de weinig meewerkende houding van [aandeelhouder B] tot nu toe houdt de nderzoeker er rekening mee, dat onder andere de verwerking van diens reactie op het concept-onderzoeksverslag in het eindrapport meer tijd zal kosten dan aanvankelijk begroot. De Onderzoeker verzoekt het bedrag dat het onderzoek maximaal mag kosten daarom te verhogen met € 25.000 (exclusief btw).
In de beschikking van 3 september 2025 heeft de Ondernemingskamer het onderzoeksbudget verhoogd tot € 75.000 en overwogen dat zij gelet op de huidige stand van het onderzoek ervan uitgaat dat het bij dit (tussentijdse) verzoek tot verhoging zal blijven. Nadien zijn namens [aandeelhouder B] verzoeken (aan de raadsheer-commissaris) gedaan die ook hebben geleid tot zelfstandige (tegen)verzoeken (aan de raadsheer-commissaris) van de Onderzoeker, waaraan door de Onderzoeker ook weer tijd en kosten moeten worden besteed. Gelet op deze recente ontwikkelingen acht de Ondernemingskamer het niet onaannemelijk dat dit samen met de ‘afrondende’ werkzaamheden van de Onderzoeker meer tijd in beslag zal nemen dan aanvankelijk begroot. De Ondernemingskamer zal het verzoek van de Onderzoeker toewijzen in die zin dat zij de hoogte van het onderzoeksbudget zal verhogen met een bedrag van € 15.000.
3 De beslissing
De Ondernemingskamer:
stelt het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten vast op € 90.000, de verschuldigde omzetbelasting daarin niet begrepen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.C. Meijer, voorzitter, mr. W.A.H. Melissen en mr. E. Loesberg, raadsheren en mr. drs. G. Boon RA en drs. A.G. Thomassen RT RV, raden, in tegenwoordigheid van mrs. N.E.M. Keereweer, griffier, en in het openbaar uitgesproken Op 11 maart 2026.