Strafrecht overig
Strafoplegging na terugwijzing door Hoge Raad.
Gerechtshof Amsterdam, 1 juli 2014
ECLI:NL:GHAMS:2014:3771 · Gerechtshof Amsterdam · 1 juli 2014
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2014-3771
Zaakgegevens
Op 1 juli 2014 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 1 juli 2014
- Datum publicatie
- 11 september 2014
- Zaaknummer
- 23-005120-13
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2014:3771
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Strafoplegging na terugwijzing door Hoge Raad.
Uitspraak
parketnummer: 23-005120-13
datum uitspraak: 1 juli 2014
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen - na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 5 november 2013 - op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 9 maart 2010 in de strafzaak onder parketnummer 13-858073-09 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
adres: [adres].
Procesgang
De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het hem - onder 1 en 2 van de inleidende dagvaarding tenlastegelegde - veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur 50 uren, met aftrek, subsidiair 25 dagen hechtenis.
De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Het gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep bij arrest van 26 september 2011, met vernietiging van het vonnis, de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 10 weken en een geldboete van € 350.
De verdachte heeft tegen het arrest van het gerechtshof beroep in cassatie ingesteld.
De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 5 november 2013, met vernietiging van ’s hofs arrest wat betreft de beslissingen ter zake van feit 1 en de strafoplegging, de verdachte vrijgesproken van het hem onder 1 tenlastegelegde en de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teruggewezen teneinde deze op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 9 maart 2010 en, na terugwijzing op de terechtzitting van dit hof van 17 juni 2014.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.
Oplegging van straf
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het hem onder 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 weken met een proeftijd van één jaar en een geldboete van 175 euro, subsidiair 3 dagen hechtenis.
De raadsman van de verdachte heeft het hof verzocht de verdachte een lagere voorwaardelijke straf op te leggen dan door de advocaat-generaal gevorderd, omdat verdachte reeds hulp heeft gezocht bij een psycholoog en erkent dat hij een agressieregulatieprobleem heeft.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.
Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft een werkmeester van de reclassering bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht toen hij zich kwam melden om een taakstraf te verrichten en dit niet liep zoals hij verwachtte. Dit gedrag geeft blijk van minachting voor een instelling die is belast met de uitvoering van een aan de verdachte na een strafrechtelijke veroordeling opgelegde taakstraf. Bovendien zijn de medewerkers van deze instelling in het belang van veroordeelden werkzaam ter bevordering van hun resocialisering. Daarnaast heeft de verdachte, door zich op die manier tegenover een reclasseringsmedewerker te gedragen, naar mag worden aangenomen, gevoelens van onrust, angst en onveiligheid veroorzaakt onder de medewerkers van de reclasseringsinstelling.
Voorts blijkt uit een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 4 juni 2014, dat de verdachte eerder voor soortgelijke feiten onherroepelijk is veroordeeld. Gelet daarop en op de ernst van het onderhavige feit is het hof van oordeel, dat een hogere voorwaardelijke straf met een langere proeftijd dan door de advocaat-generaal is gevorderd passend en geboden is.
Het hof is, met de raadsman, van oordeel dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) is geschonden, nu namens de verdachte op 7 oktober 2011 cassatieberoep is ingesteld en de Hoge Raad pas op 5 november 2013 arrest heeft gewezen.
Het hof zal daarom de op te leggen voorwaardelijke gevangenisstraf met twee weken verminderen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 63 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Opnieuw recht doende na verwijzing:
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) weken.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. van Woensel, mr. W.H. van Benthem en mr. J.G.B. Pikkemaat, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Meyer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 1 juli 2014.Mr. Van Benthem is buiten staat dit arrest te ondertekenen
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...][...][...]
[...][...][...]
[...][...][...]
[...]
[...]
[...][...]
[...]