Strafrecht overig
Vrijspraak inbraak, veroordeling voor twee pogingen tot woninginbraak. Verdachte is één van een drieling…
Gerechtshof Amsterdam, 15 juni 2017
ECLI:NL:GHAMS:2017:2304 · Gerechtshof Amsterdam · 15 juni 2017
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2017-2304
Zaakgegevens
Op 15 juni 2017 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 15 juni 2017
- Datum publicatie
- 16 juni 2017
- Zaaknummer
- 23-000117-15
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2017:2304
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vrijspraak inbraak, veroordeling voor twee pogingen tot woninginbraak. Verdachte is één van een drieling, vraag naar de kans dat DNA-profiel van twee broers een match oplevert met het DNA-profiel dat is verkregen uit biologische sporen aangetroffen op PD.
Uitspraak
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 23-000117-15
Datum uitspraak: 15 juni 2017
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 december 2014 in de strafzaak onder de parketnummers 13/669064-14 en 13/864501-12 (TUL) tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
adres: [adres 1] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 1 juli 2015, 23 november 2016 en 1 juni 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1:
hij op of omstreeks 01 februari 2014 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning ( [adres 2] ) heeft weggenomen een (mobiele) telefoon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die telefoon onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming en/of gebruik van valse sleutel(s), namelijk door - forcering van een raam en/of - (met een onbekend voorwerp) de (voor)deur te openen en/of welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s) - zich met veel kracht probeerde(n) los te maken uit de greep van voornoemde [benadeelde 3] en/of [benadeelde 2] en/of - die [benadeelde 2] een duw heeft/hebben gegeven (met meer dan geringe kracht), (ten gevolge waarvan die [benadeelde 2] ten val is gekomen);
2:
hij op of omstreeks 03 december 2013 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning ( [adres 3] ) weg te nemen goederen en/of geld van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen en/of geld onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, - naar die woning is toegegaan en/of - een (keuken)raam met een steen, althans een hard voorwerp, heeft ingegooid en/of ingeslagen, in ieder geval geforceerd en/of - die woning heeft doorzocht;
3:
hij op of omstreeks 15 juni 2012 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning [adres 4] ) weg te nemen goederen en/of geld van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen en/of geld onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, - naar die woning is gegaan en/of - een of meerdere ra(a)m(en) met een steen, althans een hard voorwerp, heeft ingegooid en/of ingeslagen, in ieder geval geforceerd en/of - de woning heeft doorzocht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een gedeeltelijk andere bewezenverklaring en een andere straf komt dan de rechtbank.
Vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde
De raadsman heeft vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde bepleit op de grond dat niet duidelijk is of de gevonden pet door één van de inbrekers is gedragen. Het verweer treft doel en het hof overweegt daaromtrent als volgt.
Op 1 februari 2014 heeft omstreeks 17.45 uur een inbraak plaatsgevonden in de woning aan de [adres 2] te Amsterdam. In de directe omgeving van de woning is kort na de inbraak een pet van het merk ‘Moncler’ aangetroffen. Getuige [getuige] heeft gezien dat één van de daders een petje droeg, dat volgens haar van het merk ‘Nike’ was. Uit de bemonstering van de aangetroffen pet is een DNA-mengprofiel verkregen waaruit een DNA-hoofdprofiel is afgeleid dat overeenkomt met het bij het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) opgeslagen DNA-profiel van de verdachte.
Gelet op het voorgaande bestaat onduidelijkheid over de vraag of de aangetroffen pet van het merk ‘Moncler’ door één van de daders is gedragen tijdens de inbraak. Nu de verdachte geen verklaring heeft afgelegd en de aangetroffen pet het enige bewijs is dat hem rechtstreeks in verband kan brengen met de onderhavige woninginbraak, komt het hof tot het oordeel dat niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte dit feit heeft begaan. Hij dient daarvan derhalve te worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
2:
hij op 3 december 2013 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning, [adres 3] , weg te nemen goederen en/of geld van zijn gading, toebehorende aan [benadeelde 4] en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen door middel van braak,
- naar die woning is toegegaan en
- een keukenraam met een steen heeft ingegooid/ingeslagen en
- die woning heeft doorzocht;
3:
hij op 15 juni 2012 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning, [adres 4] , weg te nemen goederen en/of geld van zijn gading, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 5] en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen door middel van braak,
- naar die woning is gegaan en
- ramen heeft geforceerd en
- de woning heeft doorzocht.
Hetgeen onder 2 en 3 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Bewijsverweren
De raadsman heeft vrijspraak van het onder 2 en 3 tenlastegelegde bepleit op de volgende gronden.
Een enkele DNA-match is onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen. Voorts kan niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat de biologische sporen die zijn aangetroffen in beide woningen afkomstig zijn van de verdachte, nu de verdachte en zijn broers [broer verdachte 1] en [broer verdachte 2] een drieling vormen. Gelet op de verklaring van de ter terechtzitting in hoger beroep gehoorde deskundige [nfi deskundige] van het NFI is de kans dat zij geen ééneiige drieling zijn een (kleine) kans van één op acht. Ervan uitgaande dat zij een ééneiige drieling zijn, is de kans dat het DNA-profiel van één van de drielingbroers van de verdachte een match oplevert met de DNA-profielen die zijn verkregen uit de aangetroffen sporen bijzonder groot, zodat niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat die sporen van de verdachte afkomstig zijn. Maar zelfs als ervan uit wordt gegaan dat de verdachte en zijn broers een drie-eiige drieling zijn, dan is de kans op een toevallige match met één van de twee broers één op 500.000.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen leidt het hof de volgende feiten en omstandigheden af.
Op 3 december 2013 is ingebroken in de woning aan de [adres 3] te Amsterdam. Het keukenraam was ingegooid en in de woning stonden kasten en laden open, waarvan de inhoud op de vloer lag. In de woning zijn twee op bloed lijkende sporen aangetroffen; één spoor was afkomstig van een glasscherf van het ingeslagen keukenraam en het andere spoor was afkomstig van een kledingkast in een zijkamer van de woning. Het DNA-profiel dat uit het spoor op de kledingkast is verkregen leverde bij vergelijking in de DNA-databank een match op met het DNA-profiel van de verdachte. De kans dat een willekeurig persoon matchte met het in de woning aangetroffen profiel was volgens het NFI kleiner dan één op één miljard. Het DNA-profiel dat is verkregen uit de bemonstering van de glasscherf kwam overeen met het DNA-profiel dat uit het spoor op de kledingkast is verkregen.
Op 15 juni 2012 is ingebroken in de woning aan de [adres 4] te Amsterdam. Twee ramen waren geforceerd en het hele huis was doorzocht. Er is een bemonstering genomen van een op bloed lijkend spoor aan de binnenzijde van het kozijn van één van de kapotte ramen. Uit het NFI rapport van 4 juli 2012 blijkt dat het uit dat spoor verkregen DNA-profiel matchte met het DNA-profiel van de verdachte. Ook hier was de kans dat een willekeurig persoon matchte met het in de woning aangetroffen profiel volgens het NFI kleiner dan één op één miljard.
Gebleken is dat de DNA-profielen uit de genoemde sporen zijn verkregen na typering op 15 loci.
Het hof overweegt omtrent de verweren als volgt.
Uit bovengenoemde feiten en omstandigheden kan worden afgeleid dat de dader zich via de verbroken ramen toegang tot de woningen heeft verschaft. De plaatsen in de woningen waar de sporen zijn aangetroffen en de aard van de sporen (op bloed lijkend), maken dat het buiten redelijke twijfel vast staat dat deze sporen door de inbreker zijn achtergelaten. Naar het oordeel van het hof zijn de DNA-sporen om die reden delictgerelateerd en betreffen zij een omstandigheid die op zichzelf beschouwd redengevend is voor het bewijs.
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij één van een drieling is. Hij heeft echter niet willen verklaren of hij en zijn broers een één-, twee of drie-eiige drieling vormen. Op geen van de terechtzittingen in hoger beroep is de verdachte verschenen.
Naar het oordeel van het hof staat vast dat de verdachte twee broers heeft ( [broer verdachte 1] en [broer verdachte 2] ) die op dezelfde dag geboren zijn als hij. Het hof acht echter geenszins aannemelijk dat de verdachte en deze broers een ééneiige drieling vormen, hetgeen het hof baseert op de volgende omstandigheden. [broer verdachte 1] Karisi heeft ten overstaan van de raadsheer-commissaris op 16 december 2015 verklaard dat er nooit verwarring is geweest tussen hem en zijn broers en dat de politie altijd precies wist wie hij was. [wijkagent] , wijkagent Deijsselbuurt, heeft in een e-mail aan de advocaat-generaal medegedeeld dat de verdachte en zijn broers ‘als broers’ op elkaar lijken, maar dat het haar niet zou verbazen als ze geen ééneiige drieling vormen, omdat zij de drie broers niet sprekend op elkaar vindt lijken. Daarnaast is het hof van oordeel dat de personen op de zich in het dossier bevindende foto’s van de verdachte en zijn broers [broer verdachte 1] en [broer verdachte 2] (op de ID-staten SKDB van 30 juli 2015 en een op 4 april 2012 afgegeven paspoort) niet zodanig sprekend op elkaar lijken dat zij voor een eeneiige drieling kunnen doorgaan. Hetgeen de deskundige [nfi deskundige] van het NFI ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard over de kans dat een drie-eiige drieling bestaat uit drie broers, kan daaraan niet afdoen.
Het hof gaat er derhalve van uit dat de verdachte en zijn broers een meereiige drieling vormen. Uit voornoemde verklaring van deskundige [nfi deskundige] blijkt dat in een dergelijk geval de kans dat het DNA-profiel van één van de broers van de verdachte bij een typering op 15 loci (ook) een match oplevert met de aangetroffen sporen in het voor de verdachte gunstigste geval één op 500.000 is. Die kans acht het hof dermate klein dat buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte de donor is van de op bloed lijkende sporen die in de woningen zijn aangetroffen.
Het hof verwerpt de verweren.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 2 en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 2 en 3 bewezen verklaarde levert telkens op:
poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 2 en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.
Oplegging van straffen
De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met een proeftijd van twee jaren met daaraan zowel algemene als bijzondere voorwaarden gekoppeld, en een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Voor het in eerste aanleg onder 3 bewezenverklaarde heeft de rechtbank de verdachte veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van één maand met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen als door de rechtbank in eerste aanleg opgelegd.
De raadsman heeft verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte op de grond dat de verdachte ten tijde van het plegen van de feiten relatief jong was, hij naar aanleiding van de onderhavige zaken ruim zeven maanden lang een enkelband heeft gedragen, hij na het vonnis van de rechtbank niet opnieuw strafrechtelijk is veroordeeld en thans een baan heeft. Voorts heeft de raadsman verzocht rekening te houden met het lange tijdsverloop sinds het tenlastegelegde en meer in het bijzonder met de overschrijding van de redelijke termijn met ruim vijf maanden.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich tweemaal schuldig gemaakt aan poging tot woninginbraak. Dergelijke misdrijven maken een inbreuk op het veiligheidsgevoel van de slachtoffers en bezorgen hen overlast. Met zijn handelen heeft de verdachte blijk gegeven van gebrek aan respect voor de persoonlijke levenssfeer en eigendommen van anderen. Daarnaast brengen dergelijke feiten in het algemeen gevoelens van onveiligheid in de samenleving teweeg, in het bijzonder in de nabije omgeving van de betreffende woningen.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 15 mei 2017 is hij voorafgaand aan het ten laste gelegde onder 2 eerder onherroepelijk veroordeeld wegens vermogensdelicten, hetgeen in zijn nadeel weegt.
Het hof komt tot een lagere straf dan gevorderd door de advocaat-generaal en de straf die is opgelegd door de rechtbank, omdat het hof de verdachte vrijspreekt van het onder 1 tenlastegelegde, terwijl ook in het tijdsverloop en het feit dat de verdachte thans over een baan beschikt aanleiding wordt gezien een lagere straf op te leggen.
In de persoonlijkheid van de verdachte ziet het hof grond (ook) ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde het strafrecht voor volwassenen toe te passen, in aanmerking genomen dat de verdachte ten tijde van het plegen van dat feit op een paar maanden na 18 jaar was en ten tijde van de berechting in hoger beroep 18-20 jaar, hij zich blijkens de omtrent hem opgemaakte reclasseringsrapporten onafhankelijk opstelt, er geen aanwijzingen zijn voor gedragsproblematiek in zijn jeugd en de reclassering in het delictgedrag van de verdachte een contra-indicatie ziet voor de toepassing van het jeugdstrafrecht.
Het hof stelt vast dat het recht op berechting binnen redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het Europees verdrag van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in hoger beroep is geschonden, nu de berechting van de zaak in hoger binnen twee jaren na het instellen van het rechtsmiddel heeft plaatsgevonden: op 8 januari 2015 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld, terwijl het hof op 15 juni 2017, derhalve na twee jaren en ruim vijf maanden, uitspraak doet. Het hof is van oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn niet aan de verdachte kan worden toegerekend. Deze leidt tot vermindering van de op te leggen voorwaardelijke gevangenisstraf met twee weken.
Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.200 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen.
De raadsman heeft verzocht de vordering af te wijzen, onder meer gelet op de verzochte vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde.
De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het onder 1 tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 122 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen.
Van de kant van de verdachte is strafrechtelijke verantwoordelijkheid voor de onder 2 tenlastegelegde schadeveroorzakende gebeurtenis betwist. Nu het hof de verdachte voor dit feit wél strafrechtelijk aansprakelijk houdt, is daarmee zijn civielrechtelijke aansprakelijkheid voor de uit die – als onrechtmatige daad te bestempelen – gebeurtenis rechtstreeks voortgevloeide schade gegeven.
Nu de verdachte het optreden en de omvang van de opgevoerde materiële schade en het causale verband met het feit verder niet (gemotiveerd) heeft betwist, ligt de vordering integraal voor toewijzing gereed. De verdachte is derhalve tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade, zal worden toegewezen.
Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 57, 63, 77b en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.
Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 13/864501-12
Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 18 maart 2013 opgelegde voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen jeugddetentie. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De advocaat-generaal heeft gevorderd de vordering tot tenuitvoerlegging toe te wijzen.
De raadsman heeft verzocht de vordering af te wijzen, gelet op de verzochte vrijspraken in de zaken die in de proeftijd vallen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van één jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.
Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 4] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 122 (honderdtweeëntwintig euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.
Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 3 december 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.
Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 4] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 122 (honderdtweeëntwintig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 2 (twee) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 3 december 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.
Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.
Gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 18 maart 2013 met parketnummer 13/864501-12 voorwaardelijk opgelegde werkstraf voor de duur van 40 uren, te vervangen door 20 dagen jeugddetentie.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. van Woensel, mr. J.J.I. de Jong en mr. M.J.A. Duker, in tegenwoordigheid van mr. D.G. Oomkes, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 15 juni 2017.