Strafrecht overig
Bevestiging vonnis eerste aanleg, met uitzondering van de strafoplegging.
Gerechtshof Amsterdam, 26 juli 2018
ECLI:NL:GHAMS:2018:3194 · Gerechtshof Amsterdam · 26 juli 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2018-3194
Zaakgegevens
Op 26 juli 2018 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 26 juli 2018
- Datum publicatie
- 3 september 2018
- Zaaknummer
- 23-000376-17
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2018:3194
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Bevestiging vonnis eerste aanleg, met uitzondering van de strafoplegging.
Uitspraak
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000376-17
datum uitspraak: 26 juli 2018
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 27 januari 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15-100944-14 tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 12 juli 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en diens raadsman naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit in zoverre bevestigen, met uitzondering van de strafoplegging. Op dat onderdeel zal het vonnis worden vernietigd.
Het hof merkt op dat hetgeen de raadsman en de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep naar voren hebben gebracht met betrekking tot het beroep op noodweer(exces), het hof niet heeft gebracht tot andere overwegingen dan vervat in het vonnis van de politierechter.
Oplegging van straf
De politierechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, heeft de verdachte voor het in eerste aanleg primair bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met aftrek van het voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met aftrek van het voorarrest.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Daarbij is in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van openlijk geweld door samen met zijn mededader het slachtoffer op de openbare weg te slaan en te schoppen. Door zo te handelen hebben zij inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Verschillende mensen zijn getuige geweest van dit geweld en de verdachte en zijn mededader hebben met hun agressie gevoelens van angst en onveiligheid bij de omstanders opgeroepen.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zoals de politierechter heeft opgelegd, in beginsel passend is. Het hof ziet in de inmiddels gewijzigde persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals toegelicht ter terechtzitting, aanleiding een andere strafmodaliteit te kiezen. Het hof acht, gelet op het ernst van het feit, een taakstraf voor de duur van 150 uren gerechtvaardigd.
Gezien het tijdsverloop tussen de datum waarop het strafbare feit is gepleegd en de zittingsdatum in hoger beroep, ziet het hof aanleiding om de straf te enigszins te matigen.
Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf voor de duur van 130 uren passend en geboden.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Het hof verenigt zich met het oordeel van de politierechter over de vordering van de benadeelde partij. In hoger beroep is niets aangevoerd dat een andere beoordeling vereist.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals deze golden ten tijde van het bewezen verklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 130 (honderddertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 65 (vijfenzestig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. W.M.C. Tilleman, mr. A.M. Kengen en mr. M.C.A.E. van Binnebeke, in tegenwoordigheid van mr. S. Pesch, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
26 juli 2018.
Mr. M.C.A.E. van Binnebeke is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.