Strafrecht overig

Niet-ontvankelijkheid OM wegens overleden verdachte.

Gerechtshof Amsterdam, 8 november 2021

Zaakgegevens

Op 8 november 2021 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
8 november 2021
Datum publicatie
23 november 2021
Zaaknummer
23-001218-18
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2021:3609
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Niet-ontvankelijkheid OM wegens overleden verdachte.

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001218-18

datum uitspraak: 8 november 2021

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 4 april 2018 in de strafzaak onder parketnummer 15-720116-14 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1973.

laatst bekende verblijfadres: [adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 november 2021.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Blijkens een door de advocaat-generaal overgelegde (vertaling van een) op 13 juli 2019 in Turkije opgemaakte akte van overlijden, nr. [nummer], is de verdachte op 13 juli 2019 in Turkije overleden, hetgeen blijkens deze akte is vastgesteld door Marmara Universiteit academisch ziekenhuis te district Pendik,

Ingevolge artikel 69 van het Wetboek van Strafrecht vervalt het recht tot strafvordering door de dood van de verdachte. Hieruit volgt dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

- verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L.M. van der Voet, mr. M.F.J.M. de Werd en mr. P.C. Tuinenburg, in tegenwoordigheid van mr. R.J. den Arend, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 8 november 2021.