Strafrecht overig

Feitelijke aanranding van de eerbaarheid. Bevestiging m.u.v. straf. GB.

Zaakgegevens

Op 3 april 2023 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
3 april 2023
Datum publicatie
18 april 2024
Zaaknummer
23-002965-21
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2023:3724
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Feitelijke aanranding van de eerbaarheid. Bevestiging m.u.v. straf. GB.

Uitspraak

Inhoudsopgave

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002965-21

datum uitspraak: 3 april 2023

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 21 oktober 2021 in de strafzaak onder parketnummer 13-036128-19 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1986,

adres: [adres].

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door rechtbank vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

20 maart 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde straf. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, waarvan 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

De raadsman heeft verzocht een voorwaardelijke taakstraf op te leggen. Daartoe heeft hij – kort gezegd – aangevoerd dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten, dat hij nadien ook niet in aanraking is gekomen met politie en justitie, dat hij een vaste baan en een bestendige relatie heeft en dat het opleggen van een onvoorwaardelijke taakstraf tot gevolg kan hebben dat de verdachte zijn verblijfsvergunning kwijtraakt, gelet op artikel 3.86, eerste lid en onder a, van het Vreemdelingenbesluit.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid door tijdens het uitgaan de borsten en billen van het slachtoffer aan te raken. Met zijn handelen heeft de verdachte een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij kennelijk enkel oog heeft gehad voor zijn eigen lustgevoelens en geen rekening heeft gehouden met de gevoelens van het slachtoffer.

Gelet op de ernst van het feit acht het hof in beginsel een taakstraf zoals opgelegd door de rechtbank passend en geboden is. Het hof ziet echter in de ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden van de verdachte – met name betreffende het op het spel staan van zijn verblijfsvergunning - en het tijdsverloop aanleiding om daarvan af te wijken. Daarbij overweegt het hof dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep te kennen heeft gegeven het laakbare van zijn handelen in te zien en dat hij spijt heeft betuigd.

Het hof acht, alles afwegende, een geldboete van na te melden hoogte passend en geboden. Anders dan de raadsman ziet het hof geen aanleiding een geheel voorwaardelijke taakstraf op te leggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c en 246 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.W.T. Klappe, mr. C.J. van der Wilt en mr. V.M.A. Sinnige in tegenwoordigheid van

mr. S.L.D. Vriend, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

3 april 2023.

Mr. C.J. van der Wilt is buiten staat dit arrest te ondertekenen.

=========================================================================

[…]

[…]