Strafrecht overig

Bevestiging vonnis met bespreking van ontvankelijkheidsverweer. De zeer aanzienlijke overschrijding van de…

Zaakgegevens

Op 6 november 2025 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
6 november 2025
Datum publicatie
12 november 2025
Zaaknummer
23-001283-24
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2025:3034
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bevestiging vonnis met bespreking van ontvankelijkheidsverweer. De zeer aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn leidt niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Met de door de rechtbank gekozen afdoeningsmodaliteit is de overschrijding voldoende gecompenseerd.

Uitspraak

Inhoudsopgave

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001283-24

datum uitspraak: 6 november 2025

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 6 juni 2024 in de strafzaak onder parketnummer 13-221983-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1992,

adres: [adres] ).

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 oktober 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte schuldig zal worden verklaard zonder oplegging van straf of maatregel.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof het vonnis aanvult met een ontvankelijkheidsoverweging.

Bespreking ontvankelijkheidsverweer

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging wegens een exorbitante overschrijding van de redelijke termijn. Daartoe voert de raadsman aan dat het gaat om een eenvoudige zaak uit 2016 met een bekennende verdachte, dat het 7 jaar en 7 maanden heeft geduurd om de zaak voor de rechter te brengen, dat geen sprake was van onderzoekswensen en de verdachte al die tijd in onzekerheid heeft geleefd over de uitkomst van zijn strafzaak.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt als volgt. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM zeer aanzienlijk is overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn leidt echter niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Het hof ziet onvoldoende aanleiding om daarvan in deze zaak af te wijken. Met de door de rechtbank gekozen afdoeningsmodaliteit is de overschrijding voldoende gecompenseerd.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.J. van Eekeren, mr. C.J. van der Wilt en mr. M.K. Durdu-Agema, in tegenwoordigheid van mr. R.J.C. Wegerif, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 6 november 2025.

Mr. M.K. Durdu-Agema is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]