Strafrecht overig

Vernietigt het vonnis ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf en de vordering benadeelde partij

Gerechtshof Amsterdam, 10 april 2026

Zaakgegevens

Op 10 april 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
10 april 2026
Datum publicatie
4 mei 2026
Zaaknummer
23-001572-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:1228
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vernietigt het vonnis ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf en de vordering benadeelde partij

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer eerste aanleg : 15-085783-25

parketnummer hoger beroep : 23-001572-25

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam, enkelvoudige strafkamer, van 10 april 2026 gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 12 juni 2025 in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren: op [geboortedag] 1973 te [geboorteplaats]

adres: [adres] .

Toepasselijke wettelijke voorschriften

de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 300 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf en de vordering benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 100,00 (honderd euro) bestaande uit € 25,00 (vijfentwintig euro) materiële schade en € 75,00 (vijfenzeventig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 100,00 (honderd euro) bestaande uit € 25,00 (vijfentwintig euro) materiële schade en € 75,00 (vijfenzeventig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 4 januari 2025

en van de immateriële schade op 31 december 2024.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Gewezen door mr. A.W.T. Klappe, in bijzijn van mrs. N.R.H. Marsera en P.E. de Wildt griffiers.

mr. A.W.T. Klappe