Strafrecht overig
verdachte niet-ontvankelijk in HB, 416 lid 2 Sv.
ECLI:NL:GHAMS:2026:1341 · Gerechtshof Amsterdam · 23 april 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-1341
Zaakgegevens
Op 23 april 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 23 april 2026
- Datum publicatie
- 18 mei 2026
- Zaaknummer
- 23-001914-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:1341
Samenvatting
verdachte niet-ontvankelijk in HB, 416 lid 2 Sv.
Uitspraak
Inhoudsopgave
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001914-25
datum uitspraak: 23 april 2026
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 24 juli 2025 in de strafzaak onder parketnummer 15-050520-24 tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2002,
adres: [adres] .
Onderzoek ter terechtzitting
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 april 2026.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot niet-ontvankelijk verklaring van de verdachte in het hoger beroep en van hetgeen de raadsvrouw en de advocaat van de benadeelde partij ter terechtzitting naar voren hebben gebracht.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
Onderhavige strafzaak is in hoger beroep op de rolzitting van 11 maart 2026 aan de orde gekomen. Tijdens deze rolzitting heeft de raadsman mede gedeeld dat het hoger beroep zich richt tegen de bewezenverklaring, de strafmaat en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij.
Het hof stelt vast dat de raadsman op 20 april 2026 per e-mailbericht aan het hof te kennen heeft gegeven dat de verdachte het hoger beroep alsnog wenst in te trekken. Het hof begrijpt hieruit dat de verdediging de eerder opgegeven grieven niet langer handhaaft. Gelet hierop is het hof met de advocaat-generaal van oordeel dat, nu ook overigens niet is gebleken van enig rechtens te respecteren belang dat is gediend met enig onderzoek van de zaak, de verdachte, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
Het enkele gegeven dat de vordering van de benadeelde partij door de rechtbank slechts deels is toegewezen en de benadeelde partij zich in hoger beroep opnieuw voor het oorspronkelijk bedrag van de vordering heeft gevoegd, maakt dit niet anders, ook omdat de benadeelde partij zich nog tot civiele rechter kan wenden.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.J. van Eekeren, mr. C.J. van der Wilt en mr. M.K. Durdu-Agema, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Tilburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 april 2026.
De voorzitter, de jongste raadsheer en de griffier zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.