Strafrecht overig

Gerechtshof Amsterdam · Hoger beroep · Strafrecht overig

Zaakgegevens

Op 26 mei 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
26 mei 2026
Datum publicatie
2 juni 2026
Zaaknummer
23-000415-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:1489
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Vrijspraak belediging.

Uitspraak

Inhoudsopgave

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000415-25

datum uitspraak: 26 mei 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam, gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 18 februari 2025 in de strafzaak onder parketnummer 15-247944-24 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1979,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 12 mei 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte naar voren heeft gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:

hij, op of omstreeks 29 september 2022 te Middenmeer en/of Amsterdam en/of Delft en/of Dordrecht, althans in Nederland opzettelijk [persoon 1] , door een toegezonden of aangeboden geschrift en/of afbeelding, heeft beledigd, door de werkgever van die [persoon 1] een brief te sturen met daarin de tekst:

‘ [persoon 2] blijkt de casus achter de schermen op verschillende manieren te hebben gesaboteerd'.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De verdachte heeft als preliminair verweer aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging wegens machtsmisbruik. Het verweer berust – kort gezegd en in aansluiting op de inhoud van de pleitnota van de verdachte – op de volgende gronden:

  1. De casus [persoon 3] ;

  2. Chantage door het OM om anti-institutionele propaganda te verspreiden;

  3. Door selectief ten laste te leggen blokkeert het OM verdachtes bescherming op grond van de Wet bescherming klokkenluiders (Wbk).

Voor de verdere onderbouwing verwijst het hof kortheidshalve naar de pleitnota van de verdachte.

De advocaat-generaal heeft naar voren gebracht dat het dossier geen enkel aanknopingspunt biedt voor de bewering dat het openbaar ministerie oneigenlijke motieven zou hebben om de verdachte te vervolgen. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte.

Het hof stelt voorop dat in artikel 167 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering aan het openbaar ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het openbaar ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.

Zo'n uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur (dat in de strafrechtspraak in dit verband ook wel wordt omschreven als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging).

Het hof is van oordeel dat uit de door de verdachte naar voren gebrachte feiten en omstandigheden geenszins aannemelijk is geworden dat sprake is van machtsmisbruik door het openbaar ministerie. Een geval van – gelet op wat is vooropgesteld – aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing die meebrengt dat een (verdere) vervolging onverenigbaar is met het verbod van willekeur, doet zich naar het oordeel van het hof (ook anderszins) niet voor.

Het hof verwerpt het verweer. Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 300,00, subsidiair 3 dagen vervangende hechtenis.

Vrijspraak

Het hof stelt het volgende voorop.

Voor het antwoord op de vraag of in strafrechtelijke zin sprake is van belediging, is allereerst van belang of de woorden of de uiting op zichzelf beledigend is. Heeft de uiting de strekking om iemand aan te randen in zijn of haar eer of goede naam? Daarnaast kan de context waarin de uiting is gedaan een rol spelen. Die context kan aan een op zichzelf beschouwd beledigende uiting het beledigende karakter wegnemen, maar anderzijds ook maken dat een uiting die op zichzelf niet beledigend is, wel dat karakter krijgt.

Aan de verdachte is – kort gezegd – tenlastegelegd dat hij de aangeefster heeft beledigd door in een brief aan haar werkgever te schrijven dat zij ‘de casus heeft gesaboteerd’. Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting volgt dat de verdachte in die brief heeft gesteld dat de aangeefster een casus heeft gesaboteerd en de werkgever hiervoor aansprakelijk is. Hoewel het woord ‘saboteren’ in beginsel een negatieve connotatie heeft, is het hof van oordeel dat de door de verdachte gedane uiting, in de context van de door hem geschreven brief, niet zonder meer een beledigende strekking heeft. Daarbij komt dat het hof onvoldoende grip heeft gekregen op de bredere context waarin deze brief is verstuurd. Daardoor is voor het hof niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid komen vast te staan dat deze bredere context ertoe leidt dat aan de uiting van de verdachte toch een beledigend karakter toekomt.

Dit betekent dat naar het oordeel van het hof niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. T. de Bont, mr. D.A.C. Koster en mr. R.A.E. van Noort, in tegenwoordigheid van mr. S.B. Kuvel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 mei 2026.

Mr. R.A.E. van Noort en mr. S.B. Kuvel zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]