Strafrecht overig
Intrekking hb door vte, niet ontvankelijk ex artikel 416 lid 2 Sv
ECLI:NL:GHAMS:2026:2174 · Gerechtshof Amsterdam · 7 april 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-2174
Zaakgegevens
Op 7 april 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 7 april 2026
- Datum publicatie
- 5 augustus 2026
- Zaaknummer
- 23-002787-24
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2174
Samenvatting
Intrekking hb door vte, niet ontvankelijk ex artikel 416 lid 2 Sv
Uitspraak
Inhoudsopgave
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002787-24
datum uitspraak: 7 april 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland (Haarlemmermeer) van 25 november 2024 in de strafzaak onder parketnummer 15-256759-24 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1972,
adres: [adres] .
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Onderzoek ter terechtzitting
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
7 april 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is aangevangen op 21 januari 2025 en heeft laatstelijk plaatsgevonden op 17 maart 2026.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot
niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het namens hem ingestelde hoger beroep.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging meegedeeld dat de verdachte zijn bezwaren tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 25 november 2024 niet langer wenst te handhaven en heeft om die reden verzocht niet-ontvankelijk te worden verklaard in het ingestelde hoger beroep. Het hof begrijpt hieruit dat de verdachte geen belang meer hecht aan voortzetting van de behandeling van de strafzaak in hoger beroep.
Aangezien ook overigens niet is gebleken van enig rechtens te respecteren belang dat is gediend met enig onderzoek van de zaak zal de verdachte, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.
BESLISSING
Het hof:
Het hof verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het namens hem ingestelde hoger beroep tegen voornoemd vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 25 november 2024.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.W.H.G. Loyson, mr. J.J. Roos en mr. H.A. Stalenhoef, in tegenwoordigheid van
mr. L.M. van Leeuwen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 april 2026.
mr. J.W.H.G. Loyson en mr. J.J. Roos zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.