Strafrecht overig
Onderzoek Manvel. Procesafspraken. Bevestiging vonnis, met uitzondering van de strafoplegging en de…
ECLI:NL:GHAMS:2026:2529 · Gerechtshof Amsterdam · 3 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-2529
Zaakgegevens
Op 3 september 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 3 september 2026
- Datum publicatie
- 8 september 2026
- Zaaknummer
- 23-002020-22
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2529
Samenvatting
Onderzoek Manvel. Procesafspraken. Bevestiging vonnis, met uitzondering van de strafoplegging en de beslissingen tot teruggave van het beslag van de goederen waarvan de verdachte in hoger beroep afstand heeft gedaan - in zoverre wordt het vonnis vernietigd -.
Procesgang
Rechtbank Amsterdam · 22 juli 2022
ECLI:NL:RBAMS:2022:7758Gerechtshof Amsterdam · 3 september 2026deze uitspraak
ECLI:NL:GHAMS:2026:2529
Overig
Uitspraak
Inhoudsopgave
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002020-22
datum uitspraak: 3 september 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 22 juli 2022 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-997030-20 en 13-997062-21 tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1986,
adres: [adres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 3 september 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht, waaronder begrepen de door de procespartijen ondertekende procesafspraken van juni 2026.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, met uitzondering van de strafoplegging en de beslissingen tot teruggave van het beslag van de goederen waarvan de verdachte in hoger beroep afstand heeft gedaan – in zoverre wordt het vonnis vernietigd –. Daarbij is rekening gehouden met de tussen het openbaar ministerie en de verdediging gemaakte procesafspraken.
Procesafspraken
Het openbaar ministerie en de verdachte en diens raadsman hebben in juni 2026 procesafspraken gemaakt. De procesafspraken zijn op schrift gesteld. Deze zijn door de advocaat-generaal (op 1 juni 2026), de verdachte (op 1 juni 2026) en de raadsman (op 3 juni 2026) ondertekend, en op 10 juni 2026 door de advocaat-generaal aan het hof verstrekt.
In de overeenkomst procesafspraken is, voor zover relevant, het volgende vermeld:
“De verdachte heeft op 25 juli 2022 appèl ingesteld tegen dit vonnis. Blijkens de appelschriftuur d.d. 16 augustus 2022 ziet het appèl op de bewezenverklaring en de hoogte van de opgelegde straf. Tevens heeft de verdediging onderzoekswensen ingediend.
Op 27 juni 2023 heeft de eerste regiezitting in hoger beroep plaatsgevonden. Het hof heeft destijds het verzoek van de verdediging toegewezen om de tegencontacten van het PGP-account van de verdachte te horen, mits aan de voorwaarden van identificatie was voldaan. Op 28 juni 2024 heeft het hof de verzoeken tot het horen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] toegewezen. Blijkens het proces-verbaal van bevindingen van het Kabinet RHC van 14 juli 2025 blijkt dat een van de tegencontacten, de heer [persoon] , geïdentificeerd is. Inmiddels zijn ook adresgegevens van hem bekend, maar het is vooralsnog onduidelijk wanneer hij wordt uitgeleverd aan Nederland. Wel is in onderzoek GOSPORT (Rechtbank Den Bosch) bekend geworden dat hij op vrije voeten is en bereid is om een verklaring af te leggen. Van de heer [getuige 1] is inmiddels bekend dat hij gehoord kan worden in het onderzoek Matlock. Dit verhoor zal plaatsvinden in de Verenigde Arabische Emiraten middels een videoverbinding. Van deze getuigen is dus bekend dat zij gehoord kunnen worden, doch hier zullen de nodige inspanningen voor moeten worden verricht.
De verdediging heeft op 11 december 2025 een eerste voorstel gedaan om te komen tot procesafspraken in onderzoek 26Manvel. Het voorstel was destijds om te bezien of het mogelijk was de ontneming in hetzelfde onderzoek 26Manvel, die nog in eerste aanleg loopt, mee te nemen. De verdediging gaf daarbij aan dat de verdachte bereid was om de straf in Nederland uit te komen zitten, mits hij niet vervolgd zou worden in onderzoek Matlock, dat op het moment bij het Openbaar Ministerie in Rotterdam loopt. Dat onderzoek heeft overlap met onderhavige zaak en richt zich onder andere op de broer van verdachte. Verdachte wordt hier ook in genoemd.
Op 12 januari 2026 hebben de verdediging en het Openbaar Ministerie de mogelijkheden om te komen tot procesafspraken besproken. Het Openbaar Ministerie heeft daar toegezegd te onderzoeken of er bij het OM in eerste aanleg ruimte was af te zien van de vervolging van de verdachte in onderzoek Matlock en tevens of er bij het Functioneel Parket ruimte was om een schikking te treffen in de ontneming.
Omdat de ontnemingszaak nog loopt in eerste aanleg en zich bevindt in de fase van conclusies wisselen, is het nu meenemen van de ontneming in de procesafspraken met het Hof volgens het OM in eerste lijn niet mogelijk. De ontneming kan daarom niet betrokken worden bij de procesafspraken in de strafzaak in hoger beroep.”
Het openbaar ministerie en de verdachte zijn – samengevat en voor zover relevant – tot de volgende procesafspraken gekomen:
-
De verdachte ziet af van het indienen van verdere onderzoekswensen en trekt alle ingediende onderzoekswensen in;
-
De verdachte is niet verplicht een bekennende verklaring af te leggen;
-
Door de verdediging worden geen bewijs- of kwalificatieverweren gevoerd. De verdediging zal de bewezenverklaring en de kwalificatie, zoals door de rechtbank bij vonnis van 22 juli 2022 vastgesteld, niet betwisten;
-
De verdachte en de raadsman zullen tijdens de behandeling van de procesafspraken ter terechtzitting het bovenstaande herhalen;
-
De verdachte beseft dat het niet voeren van verdediging zal leiden tot een veroordeling;
-
De verdediging zal gedurende het (verdere) proces in hoger beroep geen aanhoudingsverzoeken indienen, tenzij een acute situatie van persoonlijke aard ontstaat, die thans niet wordt voorzien;
-
De verdachte is aanwezig bij de inhoudelijke behandeling van de procesafspraken in de strafzaak en zal zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf onttrekken. De verdachte zal in beginsel geen cassatie instellen, tenzij zich een situatie voordoet als genoemd onder het kopje: 'Algemeen';
-
Het openbaar ministerie zal ter terechtzitting requireren tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten, conform de bewezenverklaring door de rechtbank Amsterdam;
-
Het openbaar ministerie zal ter zitting oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 56 maanden met aftrek van voorarrest vorderen (strafkorting van 15% ten opzichte van het vonnis). Ten aanzien van het beslag zal het openbaar ministerie de beslissingen van de rechtbank overnemen.
De advocaat-generaal en de verdediging hebben ter terechtzitting in hoger beroep van 3 september 2026 naar voren gebracht een afspraak aan de overeenkomst te willen toevoegen, inhoudende dat de verdachte afstand doet van de goederen waarover de rechtbank heeft beslist tot teruggave daarvan. Het hof zal dienovereenkomstig de procesafspraken beslissen en zal, gelet op de afstand van de verdachte van voornoemde inbeslaggenomen goederen, geen beslissing nemen ten aanzien van deze goederen.
Beoordeling
Procedurele waarborgen
Ter terechtzitting in hoger beroep van 3 september 2026 zijn de procesafspraken voorgehouden en is de inhoud en de totstandkoming daarvan door de advocaat-generaal, de verdachte en de raadsman bevestigd en toegelicht.
De verdachte heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij de inhoud van de procesafspraken heeft begrepen en dat hij achter de afspraken staat. Hij heeft geen bezwaar tegen de bewezenverklaringen in het vonnis van de rechtbank en is akkoord met de eis van de advocaat-generaal. Hij is voldoende voorgelicht om deze keuze te maken en is zich bewust dat hij afstand doet van bepaalde verdedigingsrechten. De verdachte heeft verklaard dat hij de strafzaak achter zich wil laten en verder met zijn leven wil gaan.
Op basis van de verklaring van de verdachte stelt het hof vast dat de verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust is van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing in te stemmen met het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van de verdedigingsrechten.
De procesafspraken komen gelet daarop voor een beoordeling door het hof in aanmerking.
Inhoudelijke beoordeling
De procesafspraken leveren een zekere efficiency-winst op.
Voor het overnemen van de procesafspraken kijkt het hof niet alleen of deze bijdragen aan het verkorten van de procedure en het efficiënter en effectiever afdoen van de zaak waar de afspraken op zien, maar ook of is voldaan aan de vereisten van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en of de overeengekomen afspraken voor de beëindiging van de zaak in een redelijke verhouding staan tot de ernst van de zaak.
Het hof neemt bij de beoordeling van de procesafspraken (mede) in aanmerking het tijdsverloop. De verweten gedragingen vonden plaats in de jaren 2016, 2018, 2019 en 2020 en zijn inmiddels zes tot tien jaar oud. De verdachte heeft op 25 juli 2022 hoger beroep ingesteld. De redelijke termijn is in hoger beroep, ten tijde van het doen van onderhavige uitspraak, met ongeveer twee jaren en anderhalve maand overschreden. Uit een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 26 augustus 2026 blijkt dat de verdachte eerder voor strafbare feiten is veroordeeld.
Het hof stelt vast dat aan de vereisten van de artikelen 348 en 350 Sv is voldaan en is van oordeel dat van het afdoeningsvoorstel niet kan worden gesteld dat het niet in een redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak. Het hof zal daarom de gemaakte procesafspraken overnemen, met dien verstande dat met de afspraak over het doen van afstand van rechtsmiddelen voorafgaand aan het oordeel van het hof, nog niet rechtsgeldig afstand is gedaan van het recht om cassatieberoep in te stellen.
Nu het hof de procesafspraken overneemt, zal het hof het vonnis waarvan beroep bevestigen met inachtneming van het hiervoor overwogene.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep, ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf en de beslissingen tot teruggave van het beslag van de goederen waarvan de verdachte in hoger beroep afstand heeft gedaan, en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 56 (zesenvijftig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. L.F. Roseval, mr. J.J. Roos en mr. M.J.A. Plaisier, in tegenwoordigheid van mr. S. den Hartog, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 3 september 2026.