Strafrecht overig

Weigeren mee te werken aan bloedonderzoek en rijden zonder geldig rijbewijs. Artikel 63 en recidive…

Zaakgegevens

Op 10 april 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
10 april 2026
Datum publicatie
10 april 2026
Zaaknummer
23-002283-24
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:953
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Weigeren mee te werken aan bloedonderzoek en rijden zonder geldig rijbewijs. Artikel 63 en recidive. Taakstraf 40 uur en voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 14 maanden met een proeftijd van 2 jaar, en 1 week hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Omzetting van de vordering tenuitvoerlegging in een taakstraf van 14 uur.

Uitspraak

Inhoudsopgave

Zittingsplaats Amsterdam

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002283-24

datum uitspraak: 10 april 2026

VERSTEK

Verkort arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zitting houdende te Amsterdam, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 17 januari 2023 in de strafzaak onder de parketnummers 96-169378-22 en 96-190504-19 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 27 maart 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de strafoplegging – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat de bewijsmiddelen worden uitgewerkt zodra cassatie wordt ingesteld.

Oplegging van straffen en maatregel

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde feit 1 veroordeeld tot een taakstraf van 40 uur en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 14 maanden, met een proeftijd van twee jaren en voor feit 2 hechtenis voor de duur van twee weken waarvan 1 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen en maatregelen als door de politierechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen en maatregelen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft geweigerd mee te werken aan een bloedonderzoek, hoewel hij daartoe verplicht was. Door het weigeren mee te werken aan het bloedonderzoek heeft de verdachte een door het bevoegd gezag ten behoeve van de verkeersveiligheid gedaan bevel genegeerd. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het rijden in een personenauto zonder een daarvoor benodigd geldig rijbewijs. Door aldus te handelen heeft de verdachte de regels die gelden in het verkeer niet in acht genomen en de verkeersveiligheid in gevaar gebracht. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 13 maart 2026 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld wegens het rijden zonder rijbewijs. Het hof weegt dit in het nadeel van de verdachte mee.

Het hof houdt rekening met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof acht in beginsel de door de politierechter opgelegde straf passend, maar gelet op de ouderdom van de feiten zal het hof ten aanzien van feit 2 volstaan met een hechtenis van 1 week voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 62 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 107, 163, 176, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van het kantongerecht Utrecht van 16 september 2020 opgelegde voorwaardelijke hechtenis voor de duur van 1 week met een proeftijd van 2 jaren. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De advocaat-generaal heeft het hof verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging toe te wijzen op de manier zoals de politierechter dat heeft gedaan.

Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom kan de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. Het hof zal in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van deze vrijheidsstraf een taakstraf van hierna te melden duur gelasten.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 96-169378-22 onder 1 bewezenverklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 14 (veertien) maanden.

Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot hechtenis voor de duur van 1 (één) week.

Bepaalt dat de hechtenis niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Gelast in plaats van het bevelen van de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van het kantongerecht Utrecht van 16 september 2020 met parketnummer 96-190504-19, voorwaardelijk opgelegde hechtenis voor de duur van 1 week met een proeftijd van 2 jaren, een taakstraf voor de duur van 14 (veertien) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 7 (zeven) dagen hechtenis.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zitting houdende te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Duker, mr. M. Iedema, en mr. B. de Wilde, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Steur, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 april 2026.

Mr. B. de Wilde is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]