Strafrecht overig

verzoekschrift ex artikel 6:6:6 Sv met betrekking tot het vonnis van de rechtbank Amsterdam, voor zover…

Zaakgegevens

Op 30 april 2025 heeft het Gerechtshof Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
30 april 2025
Datum publicatie
2 mei 2025
Zaaknummer
23-000579-25
Procedure
Raadkamer
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2025:1189
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

verzoekschrift ex artikel 6:6:6 Sv met betrekking tot het vonnis van de rechtbank Amsterdam, voor zover inhoudende het verzoek tot opheffing dan wel schorsing van de dadelijke uitvoerbaarheid van de door de rechtbank gestelde voorwaarden en het op de naleving van die voorwaarden uit te oefenen reclasseringstoezicht, welke zijn gekoppeld aan de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Uitspraak

Inhoudsopgave

23-000579-25

GERECHTSHOF AMSTERDAM,

RAADKAMER

BESCHIKKING in raadkamer op het hoger beroep in de zaak van

[verzoeker] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,

adres: [adres] ,

naar aanleiding van een verzoekschrift ex artikel 6:6:6 Sv met betrekking tot het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 4 maart 2025, voor zover inhoudende het verzoek tot opheffing dan wel schorsing van de dadelijke uitvoerbaarheid van de door de rechtbank gestelde voorwaarden en het op de naleving van die voorwaarden uit te oefenen reclasseringstoezicht, welke zijn gekoppeld aan de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

De feiten en de rechtsgang

Het hof heeft kennis genomen van het verzoekschrift van de raadsman van 9 april 2025.

Het hof heeft kennis genomen van de stukken en heeft gehoord de advocaat-generaal en de gemachtigde raadsman van de verzoeker, mr. O.F. Qane.

De beoordeling

Het hof zal het verzoek tot opheffing van de dadelijke uitvoerbaarheid van de vrijheidsbeperkende maatregel afwijzen, nu de noodzaak van deze maatregel nog onverkort aanwezig is.

Het hof is van oordeel dat het vonnis op het eerste gezicht niet aan een gebrek lijdt op grond waarvan de beslissingen in dat vonnis niet in stand zouden kunnen blijven. Op die grond is de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden in dit stadium dus niet aan te tasten.

Daarnaast geldt het volgende. De rechtbank heeft de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar verklaard, in essentie omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De verdediging gaat ervan uit dat dit oordeel met name is gestoeld op de extreme politieke opvattingen van de verdachte en onvrede over en wantrouwen jegens autoriteiten in het algemeen en politie en justitie in het bijzonder, omdat de rechtbank van die omstandigheden in haar overweging melding heeft gemaakt. Het hof leest in de formulering van die overweging van de rechtbank echter niet dat dit de dragende motivering is van de dadelijke uitvoerbaarheid. Uit de overweging volgt immers vooral dat de rechtbank van oordeel is dat een of meer van de feiten waarvoor de verdachte is veroordeeld, gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Gezien de bewezenverklaring van met name feit 5 kan het hof de rechtbank daarin volgen. Die bewezenverklaring luidt immers dat de verdachte [persoon] heeft bedreigd met zware mishandeling, niet alleen door dreigend de woorden toe te voegen: ‘Als ik naar beneden moet komen dan krijg je klappen!’ althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, maar ook door met een ijzeren staaf prikkende en/of zwaaiende bewegingen te maken.

Met name de omstandigheid dat de bedreiging vergezeld ging van die daadwerkelijk fysiek dreigende handelingen brengt het hof – en naar het hof begrijpt, ook de rechtbank – tot het oordeel dat van het genoemde gevaar voor de onaantastbaarheid van het lichaam sprake is.

Bovendien is sprake van herhalingsgevaar, gezien de uitingen van de verdachte ter zitting van de rechtbank. Uit het proces-verbaal blijkt dat de verdachte daar heeft gezegd: “Ik zit wel vaker met een stok tussen mijn handen. Het gaat om eer, bloed en de dood als iemand jou ondervraagt en een instantie je in het harnas jaagt [...] Als je een kat in een hoekje duwt, dan gaat ‘ie ook krabben.”

Onder die omstandigheden kon de rechtbank tot het oordeel komen dat de bijzondere voorwaarden voor dadelijke uitvoerbaarheid in aanmerking kwamen.

De beslissing

Het hof:

WIJST AF het verzoek.

Deze beschikking is gegeven op 30 april 2025 in raadkamer van dit hof door

mr. P.F.E. Geerlings, voorzitter,

mrs. P.J. van Eekeren en A.C. Huisman, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. B. Berberoglu als griffier.

De advocaat-generaal bij dit gerechtshof brengt vorenstaande beschikking ter kennis van de verdachte.

Amsterdam, 30 april 2025,

de advocaat-generaal