Belastingrecht
Uitspraak op verzet. BPM. Niet betaald griffierecht.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 23 maart 2021
ECLI:NL:GHARL:2021:2882 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 23 maart 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/bestuursrecht/belastingrecht/verzet/ecli-nl-gharl-2021-2882
Zaakgegevens
Op 23 maart 2021 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 23 maart 2021
- Datum publicatie
- 25 maart 2021
- Zaaknummer
- 19/01503 en 19/01504
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- VerzetVerzetEen rechtsmiddel waarmee iemand vraagt een beslissing opnieuw te bekijken die zonder zijn inbreng is genomen, zoals een verstekvonnis.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2021:2882
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Uitspraak op verzet. BPM. Niet betaald griffierecht.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
Locatie Arnhem
nummers 19/01503 en 19/01504
uitspraakdatum: 23 maart 2021
Uitspraak van de negende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] B.V. te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 16 oktober 2019, nummers AWB 18/3184 en AWB 18/3186, in het geding tussen belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Doetinchem
1 Ontstaan en loop van het geding
Het hogerberoepschrift is op 20 november 2019 ontvangen ter griffie van het Hof.
Bij schrijven van 25 november 2019 heeft het Hof aan belanghebbendes gemachtigde meegedeeld dat er naar aanleiding van het hogerberoepschrift meerdere zaken zijn aangemaakt. Daarbij is tevens meegedeeld dat zal worden volstaan met het éénmaal heffen van griffierecht voor beide zaken. Dit griffierecht zal worden geheven in de zaak met nummer 19/01503.
Bij aangetekend schrijven van 5 april 2020, gericht aan het bij het Hof bekende adres van belanghebbendes gemachtigde, heeft de griffier belanghebbendes gemachtigde herinnerd aan de verschuldigdheid van het griffierecht. In het schrijven is meegedeeld dat als het verschuldigde bedrag niet binnen vier weken is overgemaakt op de in de brief vermelde bankrekening, belanghebbende het risico loopt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.
De brief van 5 april 2020 is niet door het Hof retour ontvangen. Uit onderzoek is gebleken dat de brief op 8 april 2020 is afgeleverd door PostNL.
Het griffierecht is niet betaald.
2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het verschuldigde griffierecht is niet binnen de gestelde termijn bijgeschreven op de rekening die is vermeld in de hiervóór genoemde brief van de griffier. Aldus is het voor het hoger beroep verschuldigde griffierecht niet tijdig betaald.
Er zijn geen omstandigheden aannemelijk geworden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
Nu het hoger beroep volgens artikel 8:108, eerste lid in verbinding met 8:41, zesde lid van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet-ontvankelijk moet worden verklaard, sluit het Hof het onderzoek en doet het uitspraak op de voet van artikel 8:54 van de Awb. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.
3 Kosten
Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.
4 Beslissing
Het Hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van de Merwe, lid van de negende enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van M.H.J. Pince van der Aa als griffier.
De beslissing is op 23 maart 2021 in het openbaar uitgesproken.
|
(M.H.J. Pince van der Aa) |
(J. van de Merwe) |
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 23 maart 2021
Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak hiertegen een verzetschrift indienen bij dit Gerechtshof. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen op het verzet te worden gehoord.
Een kopie van deze uitspraak moet bij het verzetschrift worden overgelegd. Het verzetschrift moet zijn ondertekend en ten minste bevatten:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. de vermelding van de uitspraak waartegen het verzet is gericht;
d. de gronden van het verzet, waarbij de bezwaren tegen de uitspraak duidelijk zijn omschreven.
Deze uitspraak vervalt indien het Gerechtshof het verzet gegrond verklaart. De behandeling van het hoger beroep wordt dan voortgezet in de stand waarin het zich bevond toen deze uitspraak werd gedaan.