Bestuursstrafrecht
Twee gemachtigden hebben afzonderlijk van elkaar beroep ingesteld bij de kantonrechter. Hoewel de betrokkene…
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 11 december 2020
ECLI:NL:GHARL:2020:10356 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 11 december 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/bestuursrecht/bestuursstrafrecht/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2020-10356
Zaakgegevens
Op 11 december 2020 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursstrafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 11 december 2020
- Datum publicatie
- 11 december 2020
- Zaaknummer
- Wahv 200.279.678/01
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursstrafrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2020:10356
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Twee gemachtigden hebben afzonderlijk van elkaar beroep ingesteld bij de kantonrechter. Hoewel de betrokkene heeft aangegeven dat hij nog door slechts door één van hen wordt vertegenwoordigd, had de kantonrechter hen beiden moeten uitnodigen voor een zitting.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
|
Zaaknummer |
: Wahv 200.279.678/01 |
|
CJIB-nummer |
: 223265271 |
|
Uitspraak d.d. |
: 11 december 2020 |
Tussenarrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 20 februari 2020, betreffende
mr. C.M.J.E.P. Meerts (hierna: mr. Meerts),
kantoorhoudende te Beegden.
beweerdelijk optredend voor
[betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [A] .
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie - voor zover ingesteld door mr. Meerts - niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.
Het verloop van de procedure
Mr. Meerts heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
Mr. Meerts heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. Mr. Meerts voert in hoger beroep onder meer aan dat hij niet is opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter.
2. Artikel 12, eerste lid, van de Wahv luidt - voor zover hier van belang - als volgt:
"De kantonrechter stelt, alvorens te beslissen, partijen in de gelegenheid om (...) op een openbare zitting hun zienswijze nader toe te lichten. Zij worden daartoe door de griffier opgeroepen."
3. Het hof stelt vast dat in de zaak met onderhavige CJIB-nummer wordt geprocedeerd door zowel mr. Meerts als mr. Voorbach. De kantonrechter heeft het beroep voor zover ingesteld door
mr. Meerts niet-ontvankelijk verklaard omdat de betrokkene expliciet heeft aangegeven dat
mr. Voorbach zijn gemachtigde is en dat hij alle overige volmachten intrekt.
4. De kantonrechter heeft de zaken van de betrokkene behandeld op de zitting van 20 februari 2020. De kantonrechter heeft voor deze zitting als gemachtigde mr. Voorbach opgeroepen.
Mr. Meerts is voor deze zitting niet opgeroepen, naar het hof begrijpt omdat mr. Meerts niet is aangemerkt als gemachtigde van de betrokkene. Nu mr. Meerts (ook) beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie, had de kantonrechter mr. Meerts echter ook voor de zitting moeten oproepen. Door mr. Meerts niet op te roepen voor de zitting, is gehandeld in strijd met artikel 12, eerste lid, van de Wahv.
5. Het hof zal doen wat de kantonrechter had behoren te doen en mr. Meerts in de gelegenheid stellen te worden gehoord op een nader te bepalen zitting van het hof. Wanneer mr. Meerts geen gebruik wenst te maken van die gelegenheid, verzoekt het hof hem dit binnen vier weken na de dagtekening van dit tussenarrest aan de griffier van het hof door te geven. In dat geval zal het hof het hoger beroep afdoen op basis van de op de zaak betrekking hebbende stukken.
6. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
De beslissing
Het gerechtshof:
bepaalt dat de zaak ter zitting van het hof wordt behandeld tenzij mr. Meerts binnen vier weken na dagtekening van dit arrest aangeeft van die gelegenheid geen gebruik te willen maken;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit tussenarrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.