Bestuursstrafrecht

Het appelverbod is niet in strijd met artikel 6 EVRM. Er is geen aanleiding voor het buiten toepassing laten…

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17 maart 2020

Zaakgegevens

Op 17 maart 2020 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursstrafrecht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zittingsplaats
Leeuwarden
Datum uitspraak
17 maart 2020
Datum publicatie
17 maart 2020
Zaaknummer
Wahv 200.206.475/01
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2020:2314
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Het appelverbod is niet in strijd met artikel 6 EVRM. Er is geen aanleiding voor het buiten toepassing laten ervan of voor het stellen van prejudiciële vragen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.206.475/01

CJIB-nummer

: 190107802

Uitspraak d.d.

: 17 maart 2020

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 18 oktober 2016, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. [B] , kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Op 21 juli 2017, 9 oktober 2017, 18 januari 2018 en 16 juli 2018 zijn nog brieven van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen.

De beoordeling

1. Artikel 14 van de Wahv bepaalt dat in twee situaties hoger beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter:

- wanneer de sanctie bij de beslissing van de kantonrechter hoger is dan € 70,-

- wanneer de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat geen (of niet op tijd) zekerheid is gesteld.

Van geen van deze situaties is hier sprake.

2. De gemachtigde van de betrokkene betoogt dat het hof prejudiciële vragen dient te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) met betrekking tot het buiten toepassing laten van artikel 14, eerste lid, van de Wahv, omdat niet is voldaan aan het recht dat is neergelegd in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

3. Het is vaste jurisprudentie van het hof dat artikel 6 EVRM niet meebrengt dat artikel 14, eerste lid, van de Wahv buiten toepassing moet worden gelaten. Het hof zal geen prejudiciële vragen stellen aan het HvJEU, reeds omdat dit hof slechts bevoegd is om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraken te doen over de uitlegging van de verdragen betreffende de EU, en niet betreffende het EVRM (vgl. het arrest van het hof van
10 februari 2017, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2017:1003). De prejudiciële procedure kan daarom niet worden benut ten aanzien van bepalingen in het EVRM (vgl. het arrest van het HvJEU van 26 februari 2013, Åkerberg Fransson, ECLI:EU:C:2013:105, gepubliceerd op curia.europa.eu met vindplaats C-617/10, r.o. 44).

4. Verder voert de gemachtigde aan dat het appelverbod moet worden doorbroken (het hof begrijpt: buiten toepassing worden gelaten) omdat geen afschrift van het procesdossier is verstrekt, de kantonrechter niet heeft beslist op een verzoek tot aanhouding en er geen proces-verbaal van het verhandelde ter zitting is opgemaakt.

5. Onder verwijzing naar het arrest van het hof van 12 juli 2018 (gepubliceerd op rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:GHARL:2018:6402) kunnen de verweren er niet toe leiden dat het appelverbod buiten toepassing wordt gelaten. Deze verweren hebben geen betrekking op het in artikel 6 van het EVRM besloten liggende recht op toegang tot de rechter als in dat arrest bedoeld.

6. Gelet op het voorgaande zal het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard en het verzoek tot vergoeding van kosten worden afgewezen.

De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.