Bestuursstrafrecht

Proceskostenvergoeding. De kantonrechter heeft de betrokkene in het gelijk gesteld door het sanctiebedrag te…

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 1 juli 2020

Zaakgegevens

Op 1 juli 2020 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursstrafrecht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zittingsplaats
Leeuwarden
Datum uitspraak
1 juli 2020
Datum publicatie
1 juli 2020
Zaaknummer
Wahv 200.233.930/01
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2020:5082
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Proceskostenvergoeding. De kantonrechter heeft de betrokkene in het gelijk gesteld door het sanctiebedrag te matigen. Dat brengt mee dat niet alleen de proceskosten voor die procedure, maar ook de in administratief beroep gemaakte kosten behoren te worden vergoed.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.233.930/01

CJIB-nummer

: 202509575

Uitspraak d.d.

: 1 juli 2020

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 8 februari 2018, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. J.M.C. Niederer, kantoorhoudende te Helmond.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 209,-. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is door de kantonrechter toegewezen tot een bedrag van € 125,50.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Op 17 juli 2018 is nog een brief van de gemachtigde bij het hof ingekomen.

De beoordeling

1. De gemachtigde is van mening dat de kantonrechter ook voor de fase van het administratief beroep een proceskostenvergoeding had moeten toekennen en wel tegen wegingsfactor 0,5.

2. De kantonrechter heeft -door de gemachtigde niet betwist - een proceskostenvergoeding toegekend voor de in beroep bij de kantonrechter verrichte proceshandelingen. Nu de kantonrechter de inleidende beschikking heeft gewijzigd op het punt van de hoogte van het sanctiebedrag, is de betrokkene in het gelijk gesteld, zoals bedoeld in het arrest van het hof van 28 april 2020 (gepubliceerd op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336). Dit brengt mee dat aanleiding bestond tot het toekennen van een proceskostenvergoeding in administratief beroep.

3. De beslissing van de kantonrechter moet in zoverre worden vernietigd.

4. Het hof zal een vergoeding toekennen voor de proceskosten in administratief beroep. Aan het indienen van het administratief beroepschrift zal een punt worden toegekend. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 toegepast (het gewicht van de zaak is licht). De waarde per punt bedraagt € 525,-. De proceskostenvergoeding in administratief beroep komt daarmee op

(1 x 0,5 x € 525,- =) € 262,50.

5. Het verzoek om proceskostenvergoeding in hoger beroep komt niet voor vergoeding in aanmerking nu de betrokkene in hoger beroep niet in het gelijk is gesteld (vergelijk het in overweging 2 genoemde arrest).

6. Aldus komt het hof tot de volgende beslissing.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter, voor zover daarbij geen proceskostenvergoeding is toegekend voor de fase van het administratief beroep;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene in administratief beroep ter hoogte van € 262,50;

wijst het verzoek om proceskostenvergoeding in hoger beroep af.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier en op een openbare zitting uitgesproken. De griffier is buiten staat om het arrest te ondertekenen.