Bestuursstrafrecht

Omvang van het geding. Bij de kantonrechter is uitsluitend beroep ingesteld tegen het niet toekennen van een…

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 13 juli 2020

Zaakgegevens

Op 13 juli 2020 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursstrafrecht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zittingsplaats
Leeuwarden
Datum uitspraak
13 juli 2020
Datum publicatie
13 juli 2020
Zaaknummer
Wahv 200.232.530/01
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2020:5427
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Omvang van het geding. Bij de kantonrechter is uitsluitend beroep ingesteld tegen het niet toekennen van een dwangsom door de officier van justitie, zodat de kantonrechter alleen op dat punt een beslissing heeft genomen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.232.530/01

CJIB-nummer

: 199488529

Uitspraak d.d.

: 13 juli 2020

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 10 november 2017, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] (Duitsland).

De gemachtigde van de betrokkene is F.P.B. Waals, kantoorhoudende te Enschede.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep van de gemachtigde tegen de beslissing van de officier van justitie tot afwijzing van het verzoek tot toekennen van een dwangsom ongegrond verklaard. De kantonrechter heeft daartoe overwogen dat de officier van justitie tijdig, binnen de termijn van artikel 7:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, op het administratief beroep heeft beslist.

2. De gemachtigde heeft niets aangevoerd waaruit kan volgen dat de kantonrechter ten onrechte tot dit oordeel is gekomen. Zijn stelling dat de betrokkene tot op heden geen processtukken heeft ontvangen, is daartoe ontoereikend, nu dit, ook indien juist, niet met zich meebrengt dat de officier van justitie niet tijdig op het administratief beroep heeft beslist. Daarbij zij opgemerkt dat de gemachtigde alleen bezwaar heeft gemaakt tegen de afwijzing van de dwangsom, welk bezwaar de officier van justitie wegens de concentratie van rechtsmacht terecht heeft doorgestuurd naar de kantonrechter, maar geen beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep. Het beroep bij de kantonrechter betreft dus alleen de afwijzing van de dwangsom door de officier van justitie en niet diens beslissing op het administratief beroep.

3. De bezwaren treffen geen doel. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

4. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.