Bestuursstrafrecht

Intrekking beroep. De betrokkene is bevoegd om zelf het beroep dat namens hem is ingesteld in te trekken.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 mei 2021

Zaakgegevens

Op 3 mei 2021 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursstrafrecht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zittingsplaats
Leeuwarden
Datum uitspraak
3 mei 2021
Datum publicatie
3 mei 2021
Zaaknummer
Wahv 200.265.634/01
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2021:4214
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Intrekking beroep. De betrokkene is bevoegd om zelf het beroep dat namens hem is ingesteld in te trekken.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.265.634/01

CJIB-nummer

: 219694723

Uitspraak d.d.

: 3 mei 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel van 4 juli 2019, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.

De advocaat-generaal heeft daarop gereageerd.

De beoordeling

1. Uit het dossier blijkt het volgende.

Bij brief van 12 september 2018 heeft de gemachtigde beroep ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie.
Bij brief van 2 april 2019 heeft de officier van justitie aan de betrokkene mededeling gedaan van de verplichting om zekerheid te stellen.

De officier van justitie heeft op 12 april 2019 een brief van de betrokkene ontvangen. De betrokkene schrijft hierin, onder vermelding van het kenteken, CJIB-nummer en het kenmerk van de zekerheidsbrief: “Hierbij trek ik mijn bezwaarschrift in. Volgens mij heeft het geen zin. Het geldbedrag is reeds naar u overgemaakt.”

Deze brief is gevoegd in het dossier dat de officier van justitie aan de rechtbank heeft aangeboden.

2. Het hof stelt vast dat de betrokkene met deze brief het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie in de onderhavige zaak heeft ingetrokken. Dat de gemachtigde het beroep niet heeft ingetrokken doet aan de rechtsgeldigheid van de intrekking van het beroep door de betrokkene niet af. De stelling van de gemachtigde dat het beroep niet kon worden ingetrokken omdat daarop reeds was beslist, mist feitelijke grondslag. De kantonrechter heeft eerst op 4 juli 2019 beslist. Nu de betrokkene het beroep heeft ingetrokken, heeft de kantonrechter ten onrechte op dat beroep beslist. Het hof zal die beslissing dan ook vernietigen.

3. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.