Bestuursstrafrecht
Parkeren. Het afzetten van de bijrijder en wachten op dienst terugkomst valt niet onder de uitzondering voor…
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 20 mei 2021
ECLI:NL:GHARL:2021:4847 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 20 mei 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/bestuursrecht/bestuursstrafrecht/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2021-4847
Zaakgegevens
Op 20 mei 2021 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursstrafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 20 mei 2021
- Datum publicatie
- 20 mei 2021
- Zaaknummer
- Wahv 200.275.663/01
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursstrafrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2021:4847
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Parkeren. Het afzetten van de bijrijder en wachten op dienst terugkomst valt niet onder de uitzondering voor onmiddellijk laten in- of uitstappen van passagiers.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
|
Zaaknummer |
: Wahv 200.275.663/01 |
|
CJIB-nummer |
: 222079838 |
|
Uitspraak d.d. |
: 20 mei 2021 |
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 17 januari 2020, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. R. de Nekker, kantoorhoudende te Heerenveen.
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft geen verweerschrift ingediend.
De beoordeling
1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “parkeren in strijd met parkeerverbod/parkeerverbodszone (bord E1)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 1 december 2018 om 22:43 uur op de Achter de Arnhemse Poortwal in Amersfoort met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .
2.
De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat er sprake was van het onmiddellijk laten in/uitstappen van passagiers. Er is dan ook niet voldaan aan het bestanddeel ‘parkeren’ van hetgeen de betrokkene wordt verweten. Nu niet is voldaan aan alle vereiste bestanddelen van de omschrijving van de gedraging, kan niet worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. De bestuurder wilde wegrijden na het afzetten van de passagier, maar dat kon niet, omdat de ambtenaar de bestuurder staande hield. Dat het voertuig uiteindelijk langer heeft stilgestaan dan nodig voor het laten uitstappen van de passagier, kwam niet door de bestuurder.
3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Boven het verkeersbord was het woord ‘zone’ aangebracht als omschreven in artikel 66 RVV 1990. Het voertuig stond niet op een als zodanig aangegeven parkeerplaats cq parkeervak. (…)
Verklaring betrokkene: maatje afzetten.”
5. In een aanvullend proces-verbaal van 26 februari 2019 verklaart de ambtenaar – kort samengevat – het volgende. Op de pleegdatum zag de ambtenaar het voertuig van de betrokkene op de pleeglocatie geparkeerd staan. Op het moment dat de ambtenaar besluit te verbaliseren omdat er geen laad en los activiteiten zichtbaar waren, zag hij dat er een bestuurder in het voertuig zat. De bestuurder vertelde dat hij zijn maat net had afgezet en wachtte tot hij terugkwam.
6. Het hof is van oordeel dat in de onderhavige zaak sprake is van parkeren. De uitzondering voor het onmiddellijk laten in- of uitstappen van passagiers doet zich hier niet voor. Onder de tijd die nodig is voor (en gebruikt wordt tot) het onmiddellijk laten in- en uitstappen van een passagier, is het wachten op je recent afgezette passagier niet inbegrepen. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
7. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de kantonrechter het beroep terecht ongegrond heeft verklaard. Het hof zal die beslissing dan ook bevestigen.
8. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).
De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Veenstra als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.